Kruiseke aan de nieuwe kalsijde

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     398 Views     Leave your thoughts  

Het gehucht Kruiseke te Geluveld door Raoul Masschelein

Halverwege tussen de ‘platse’ van Geluveld en wijk ‘De Nachtegaal’ op Werviks grondgebied, ligt langs de drukke Menenstraat het gehucht Kruiseke. De rotonde vormt de kruising van deze rijksweg met de Wervikstraat (gewestweg).

Het vroegere kruispunt kreeg in de loop van vorige eeuw meerdere benamingen. Zo sprak men onder meer van ‘d’n hoek aan Brouckes’, dit naar de familie Vandenbroucke die er op de hoek een kruidenierswinkeltje openhield. Verder nog van “t naftestation van Mauricekes’ verwijzende naar de sympathieke toenmalige uitbater Maurice Vanhee. Ook dancing ‘Holi-day’ en ‘Tuf-Tuf kwamen naar voor alsook ‘Lair van Fernands’, verwijzende naar de vroegere herbergier van ‘Cruyseecke-Barrïère’. Tijdens de Eerste Wereldoorlog noemden de Duitsers deze hoek ‘Deimlingseck’, verwijzende naar generaal von Dcimling die op 31 oktober 1914 nabij het kruispunt gewond werd. De Engelsen gaven ‘Kruiseik Cross Roads’ als benaming.

Het gehucht is ontstaan in 1757 met de aanleg van de rechte ‘calchie’ tussen Menen en leper. Jozef Silvester van Haverbeke uit Geluwe kocht, bij het vernemen van de aanleg van de nieuwe ‘calchie’, onmiddellijk een stuk grond, aan de kruising van die weg met ‘de straete van Cruuseecke naar Zonnebeke’. Zakenman Jozef liet er een herberg bouwen en op 12 maart 1757 verkreeg hij het octrooi om deze te openen onder de benaming ‘Nieuw Cruuseecke’. De nieuwe calchie kwam in vervanging van de kronkelende Oude Ieperweg. Het belangrijkste kruispunt op die ‘oude straete’ situeerde zich zo’n 600 meter verder richting dorpskern Kruiseke – Wervik. Op die kruising rechts stond reeds vóór 1600 de herberg ‘Le Vieux Cruuseecke’, een afspanning voor paarden. Aan de andere straatzijde werd rond 1733 Pieter Jacobus Lodior de waard in ‘Cleen Cruuseecke’.

Toponymie van de plaatsnaam Cruuseecke
De eerste interpretatie is ‘draaiboom’. Naast vele slagbomen die een koutergat afsloten, breed genoeg om er met wagen en paard doorheen te varen en die dus zwaar om keren of ophalen waren, werd dikwijls een eenmansdoortocht voorzien, afgesloten met een draaiend toestel dat men kruis noemde. Vervolgens kon er naast de gewone veldkruisen ook een kruis ais grens-aanduiding gebruikt worden. Waren het afzonderlijke bomen die als grensaanduiding dienden, dan voorzag men ze vaak van merktekens, bijvoorbeeld door het merken met een kruis of het inslaan van een spijker. Cruuseecke of Cruysheecke, Cruyseick of Kruiseke moet ongetwijfeld als grens boom verklaard worden, namelijk als bomen die bij een kruis of draaiboom aan de ingang van een omheind veld stonden.

Het is ook mogelijk dat een kruis op een eik aangebracht werd als grensteken en dat het kruis dan zonder meer de betekenis van grens kreeg. De grenspaal had dikwijls een kruisvorm vooral als het een houten paal was. Soms ook was er een kruis gekerfd of gebeiteld in een paal, en wat wij met paal hebben zien gebeuren, herhaalt zich dan hier met het woord ‘kruis’, het krijgt zonder meer de betekenis ‘grens’.

De plaatsnaam Cruuseecke dook reeds op vóór 1368, dit met de heerlijkheid die zich uitstrekte van Ter Hand Geluwe (37.970 roeden) tot Geluveld (49.422 roeden), Wervik (101.371
roeden) en Komen (76.442 roeden).

De graaf was de machthebber in Vlaanderen, maar de uitoefening van die macht op bestuurlijk en gerechtelijk vlak heeft hij gedelegeerd aan ondergeschikte besturen. Voor het besturen van de ruim honderdvijftig heerlijkheden was er telkens een heer, die in de loop van de tijden door aankoop, huwelijk of erfenis macht verwierf over meerdere heerlijkheden. Uiteraard kon deze heer slechts op één ervan verblijven.

Zo woonde de heer van Cruuseecke hier niet; hij had zelfs geen grondeigendom, alleen feodale rechten over dit uitgestrekte gebied (totaal 265.205 roeden). Vóór 1368 was er al sprake van de heerlijkheid Cruuseecke. Voor ruim twee derden was het gebied bebost. Dit gebied bestond feodaal uit een aantal percelen (169) die een soort grondlasten moesten afdragen aan de heer. Anderzijds vormde het een eigen rechtsgebied met een zeker eigen bestuur met politiemacht.

Een aangestelde ontvanger zorgde voor het innen van de grondbelasting, toen rente genoemd. De rechterlijke macht, in die tijd middel justitierecht genoemd, zetelde hoofdzakelijk over misdrijven die nu voor de politie- en de correctionele rechtbank komen. Dat recht werd uitgeoefend door de plaatselijke baljuw en zeven schepenen, die boeten tot 60 pond parisis2 konden opleggen, Deze acht bevoegden werden aangesteld door de heer van de heerlijkheid. Deze laatste moest toezicht houden op de wegen. Die controle heette ‘straatschouwingen’ en iedereen moest de weg langs zijn eigendom in goede staat onderhouden op straf van boete. Heerlijkheden en lenen werden gegroepeerd in leenhoven. Cruuseecke behoorde tot de Kasselrij leper, gewoonlijk ‘Zaal van leper’ genoemd, dit naar de naam van het grafelijk kasteel aldaar.

Heren van Cruuseeke
De heerlijkheid Nevele hing af van het grafelijk leenhof ‘de Oudburg van Gent’, waarvan de zetel gevestigd was in ‘s Gravensteen. Van deze heerlijkheid Nevele was gezegd dat ze ‘eertijds gheweest sijnde eene apanage van de graeven van Vlaenderen’, t.t.z. dat deze zeer grote heerlijkheid tot het grafelijk domein heeft behoord en naderhand aan een lid van de grafelijke familie beleend werd, als aandeel in een erfenis of bij huwelijk.

De familie van Nevele, een belangrijke familie met meerdere vertakkingen, bezat in onze streken verschillende heerlijkheden. Op 1 april 1364. in zijn stichtingsakte van de kapel van het St.-Jansgasthuis te Wervik en van renten ten gunste van dit gasthuis, sprak Willem van Nevele van ‘onze grooten leene van Oosthove ligghende in de prochie van Wervicke’. En vóór 1368 was Wouter van Nevele in het bezit van de heerlijkheid Cruuseecke. In 1369 verwierf zijn zuster. Vrouwe van Zweve-gem, door erfenis ‘Cruuseecke’. ïn 1414 werd Gerard d’Escornay, ridder van Schorisse (Maarkedal in Oost-Vlaanderen) en echtgenoot van Maria van Steenhuse de nieuwe eigenaar. Zij had het geërfd van haar vader Ernoul van Steenhuse.

In 1435 kocht Joos van der Stoet, heer van Geluveld en Elslande Magerheid (gelegen op Geluws en Werviks grondgebied), de heerlijkheid en in 1495 werd zijn zoon Wouter, heer van Geluveld, Cruuseecke, Elslande Magerheid en Hamme. In 1503 nam Katrien, dochter van Wouter van der Stoet en gehuwd met Jan vander Gracht, heer van Zonnebeke, het roer in handen. In 1535 volgden Antoon en vervolgens in 1546 Wouter hun vader op. Dertig jaar later erfde Augustijn, broer van Antoon en Wouter, de vier heerlijkheden. Rond 1580 overleed Katrien vander Gracht kinderloos zodat Cruuseecke overging naar Jan de Vooght, zoon van Pieter en Anna Francisca vander Gracht, tante van Katrien. Jan kwam uit een Utrechtse familie en was tevens heer van Barizeele (= Wijtschate), VoormezeJe, Geluveld en Zonnebeke. Zijn zoon Erasmus volgde hem op in 1626; Zonnebeke was er niet meer bij.

In 1631 volgde dan Alexander, oudste zoon van trasmus, en in J644 kwam Alexander Walrand de Vooght, zoon van Alexander aan de beurt. In 1670 succedeerde Albert Walrand, de zoon van Alexander en in 1719 werd het Erasmus Jan de Vooght tevens heer van Barizeele. Buremont en ten Doorne en enige tijd burgemeester van Brugge.

Pieter Karel erfde van Erasmus en deed verhef in 1724. Hij was echter hoofdzakelijk koninklijk financieel raadsman (patent van 1 juli 1696). In 1733 kwam Franciscus Marianus de Vooght, kanunnik te Doornik orde op zaken stellen want voordien gebeurde de betaling van de heerlijke renten met jaren vertraging. Meerdere eigenaars kregen een deurwaarder op bezoek. In 1742 vervolgde Pieter Frans Vincent en vanaf 1776 tot ongeveer 1780 werd Jacques de laatste van de familie de Vooght die de heerlijkheid in handen had.

Nu kwam Cruuseecke in handen van de familie le Bailly. Filip Jozef le Bailly was tevens heer van Tillegem (Brugge), Inghwein, ter Linde (Wervik), Barizeele en ten Doorne. In 1749 en 1752 was Filip daarnaast nog schepen van Brugge en daarna schatbewaarder. Hij overleed op 1 februari 1785 en zo werd zijn derde zoon Renon. het jaar later, de laatste heer van de heerlijkheid Cruuseecke. De Franse Revolutie stelde een einde aan het feodaal stelsel.

De nieuwe calchie Menen – leper
Reeds in 1625 kregen de provincies, kasselrijen. steden en gemeenten de toelating om wegen open te stellen en tolrechten te heffen. De grootste doorbraak kwam echter onder het Oostenrijks bestuur, tussen 1715 en 1792, wanneer de provinciale besturen nieuwe wegen moesten aanleggen en zelf de kosten op zich namen. Op 29 augustus 1739 richtte het Iepers stadsbestuur een brief naar ‘son altesse Royale’, met een kopie naar het Menense stadsbestuur, met een pleidooi om een nieuwe steenweg te laten aanleggen tussen beide steden. Het duurde nog tot in 1755 vooraleer controleur de Gaine een plan klaar had en op 21 en 22 juli van dat jaar deed de technische commissie een terreinverkenning.

In een brief van 6 maart 1756 kregen de besturen van Menen en leper drie weken de tijd om concrete afspraken te maken en op 29 mei 1756 verscheen het octrooi van keizerin Maria Theresia, met globale voorschriften over financiering, de aanleg en het verkeersreglement. Voor de financiering van de aanleg van de nieuwe calchie werd beroep gedaan op privé- en openbaar kapitaal en werd een lening uitgeschreven tegen de laagst haalbare intrestvoet.

Veel van de geldschieters die op het rentepapier hadden ingetekend waren kerkelijke instellingen. De abt van Zonnebeke tekende in voor 6.299 £p, de dis en parochie van Passendale voor 6.600 pond par. Moeder overste van de Zwarte Zusters van leper stond ingeschreven voor 3.500 £p en de kerk van St.-Niklaas van leper voor 2.800 pond par. De kerk en dis van Zonnebeke en de dis van Geluveld droegen ook hun steentje (calchie) bij, respectievelijk 1.400 £ en 2.100 gulden2. Het gedeelte onder de kasselrij leper liep van de Antwerpenpoort te leper (nu Menenpoort) tot aan de Fonteinestraat (op Koelenberg Wervik) en bedroeg 2.808 roeden, het gedeelte onder de kasselrij Kortrijk was 1.498 roeden.

De breedte van de nieuwe calchie was voorzien op 70 voet, de grachten aan weerskanten meegerekend. Voor die grachten was aan beide zijden tien voet voorzien zodat er voor de calchie zelf vijftig voet overbleef. Voor het gedeelte onder de kasselrij Kortrijk stond vermeld onder punt 3 van het octrooi dat de steenweg veertien voet breed moest zijn met langs weerzijden nog een aarden weg van dertien voet (zomerweg genoemd) en daarbij nog voor grachten en bennen twee maal tien voet. Voor personenvervoer met koetsen verkoos de koetsier de zomerweg omdat de passagiers dan minder geschud werden dan op de kasseien.

De aanbesteding in 1757 van het gedeelte tussen de Wervikse Fonteinestraat en herberg “t Hooghe’ (Zillebeke) was in vijf bestekken verdeeld. Zo werd het deel tussen De Nachtegaal (Wervik) en het kruispunt (nu rotonde) op het gehucht Kruiseke-Geluveld, groot driehonderd dertien roeden, voor vier gulden de vierkante vadem ingesteld door Pieter Decadt. Het werd hem toegewezen voor twee gulden, twee stuivers2 en zes denieren2. Een ander deel, van de Fonteinestraat tot de Oude Beselarestraat was op grondgebied Wervik. De overige drie bestekken Hepen op het grondgebied van Geluveld en Zillebeke. Een deel was van aan Kmiseke (Geluveld) tot aan de elzerie van baron de Funaet. Deze elzerie was gelegen ter hoogte van de vroegere herberg ‘De Buizebakkerij’, nu de bar ‘Stardust’ doch door de plaatselijke bevolking beter gekend als de ‘Popeye*.

Charles Frans Dorny deed de instel voor drie gulden de vierkante vadem… maar Charles Louis Breyne uit Wervik kreeg het werk voor een gulden en vijftien stuivers. De volgende 190 roeden, die begonnen aan het voorgaande en liepen tot aan de molen van Geluveld, werden ingesteld door Jean Baptist Guillebeert voor twee gulden en tien stuivers… en hij kreeg het toegewezen voor een gulden, twaalf stuivers en zes denieren. Het laatste bestek liep tot aan de herberg “t Hooghe’, waar ook een tolbarrière voorzien was. Het werd ingesteld door Albert Brivise… maar toegewezen aan Joannes Bodry voor een gulden, twaalf stuivers en zes denieren.

Tolrechten
Voor de financiering van de nieuwe calchie gaf het keizerlijk octrooi de toestemming om drie tolbarrières te plaatsen: één bij de Ieperpoort te Menen, één aan herberg ‘Nieuw Cruuseecke en een derde op ‘Het Hooghe’. De opbrengst van deze tolrechten moest op de eerste plaats dienen om de intresten te betalen van de leningen. In punt 6 van het octrooi van 29 mei 1756 werden de toltarieven vastgelegd. Per wagen moest men één stuiver betalen plus nog één stuiver per paard. Voor een os, een koe of een vaars werden twee oortjes gevraagd en voor een schaap of een zwijn één oortje. Vrijstellingen waren er onder meer voor de ridders van het Gulden Vlies, de legers en ambtenaren die voor hun werk daar voorbijkwamen. Ook boeren en plaatselijke bewoners die vrachten van of naar het veld voerden of dieren naar de weide brachten waren vrijgesteld.

Van 1 april tot 30 oktober werd de vracht beperkt tot 5.0003 pond voor een wagen en tot 3.000 pond voor een kar. In de wintermaanden mocht de vracht niet zwaarder zijn dan respectievelijk 3.000 en 2.000 pond. Tijdens de dooi was er helemaal geen vrachtvervoer toegelaten, de calchie werd dan met dooibarelen afgesloten. In 1765 waren deze barelen gesloten van 2 tot 12 januari, van 21 februari tot 4 maart en van 8 tot 13 december.

Aan inkomstenzijde was er ook vanaf midden 1759 de pacht van de vaste diligencedienst tussen leper – Menen – Kortrijk. De diligence vertrok dagelijks te leper om 6u30 en kwam in Menen aan rond 9 uur. Vandaar vertrok ze om 9u30 opnieuw om rond 11 uur in Kortrijk aan te komen. De prijs was 1 schelling per uur reizen, 3 schelling voor de rit leper – Menen, twee schelling voor Menen – Kortrijk en vijf schelling voor het volledige traject. Een passagier mocht maximum 25 kg bagage meenemen.

Op 16 november 1844 stond te lezen in de krant ‘De Standaerd’: “De diligence van Yper naar Kortrijk is woensdag op een kwartier van Bissegem omgeslagen door het breken van den as De reizigers hebben geen ander leet dan enige kneuzingen bekomen”.

Het vervoer van diverse handelsproducten zorgde eveneens voor inkomsten. De voornaamste nijverheidstakken in de streek waren brouwerijen, zeepziederijen, zoutkoten. leerlooierijen, 9 zadelmakerijen, kalkovens, ververijen, garentwijnderijen en pottenbakkerijen. Het garen voor de twijnderijen kwam van Kortrijk en Gent. Daarnaast was er een belangrijke handel in vlas, tabak, lijnzaadkoeken, meststoffen, kolen en kalk. Het transport van de goederen gebeurde door vrachtwagens (voitures de roulage) richting Kortrijk en leper. Op de heenreis vervoerden ze vooral vlas, vlaswerk en tabak. Op de terugreis brachten ze o.a. specerijen en granen mee.

Ook de schapenboeren die hun schapen het gras langs de nieuwe weg lieten afgrazen moesten daarvoor betalen. Pieter Hoet, schapenboer op St.-Jacobs buiten leper, betaalde voor de jaren 1773 en 1774 voor het afgrazen van de straatbermen van ‘Nieuw Cruuseecke’ tot aan de wijk ‘De Nachtegaal’ 326 pond par. Bij de betaling van de periode 1787 en 1788 klaagde Jozef Hoet erover dat de bermen en het gras veel verslecht waren, door de vele nieuwe gebouwen en woningen langs de nieuwe calchie. Er werd een betalingsvermindering toegestaan. Zelfs Pieter Blieck die met twee helpers de bomen langs de calchie snoeide in 1781, werk waarvoor hij betaald werd, betaalde op zijn beurt 66 pond par om het snoeihout te mogen meenemen.

In 1789/90 kreeg ‘Nieuw Cruuseecke’ een nieuwe stenen barrière. Steenkapper Jan Baptist Delsalle zorgde voor het stenen gedeelte en Jan Baptist Wostyn, zoon van Théodoor de smid van4 d’Oude Cruuseecke’, verzorgde het ijzerwerk. In diezelfde jaren werden er ‘considerabele reparaties’ uitgevoerd aan de calchie. Niet minder dan 4.050 vierkante vadems werden hersteld door Carolus Van Hee, Pieter Drole en Andries Pattyn. Dit drietal werd ook betaald voor het steken van zand en de weduwe van Jacobus Lodior kreeg 100 £p. vergoeding voor het steken van zand op haar grond, gedurende acht jaar. De tolheffing werd afgeschaft rond 1865.

Herberg Nieuw Cruuseecke – De Witte Lelie – Sinte Joseph
Bij het vernemen van de eerste berichten over de aanleg van de nieuwe calchie leper – Menen kocht Joseph Silvester Vanhaverbeke onmiddellijk een stuk grond op de hoek van de Menen-straat met de Wervikstraat, richting Wervik. Joseph Silvester moet in die tijd een goede neus voor zaken gehad hebben. Hij Het er een herberg met afspanning, brouwerij en hofstede op bouwen. Op 12 maart 1757 verkreeg Joseph het octrooi om de herberg te openen. Waard Joris Franciscus Stragier was de eerste die tol inde aan de nieuwe tolbarrière (128 pond in 1760). Zijn eigenlijk aanstelling was echter op 1 juni 1763, toen hij als enige tolhefter op de ‘nieuwe calchie’ optrad.

In 1769 zette zijn weduwe Marie Catherine Descamps, die de dochter was van Andries en Michelle Delahaye, dit werk voort, dit tot half mei 1773. In al de akten en rekeningen over tolrechten (vanaf 1760) was er steeds sprake van de herberg ‘Nieuw Cruuseecke’. Op 20 april 1771 liet Marie Catherine een hypotheek inschrijven voor 650 gulden, hetgeen waarop de zes kinderen recht hadden, op ‘een nieuw gebouwd huis’, gebouwd onder erf recht contract van 29 jaar. De brouwerij en de herberg droeg dan de naam ‘De Witte Lelie’.

Uit ‘Zonneheem’ van het jaar 2000 – Raoul Masschelein –

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>