Landing in Cadzand

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       3 weeks ago     167 Views     Leave your thoughts  

Het aangenaam lentegevoel van maart is omgeslagen in een zeiknatte bedoening. Het vochtig weer brengt ook geen al te leuke voordelen voor de belegerden. Binnen Oostende staan verschillende plaatsen onder water en de soldaten vinden haast geen plekken om droog te blijven. Best een grote bekommernis voor gouverneur Loon. Komt daarbij de harde realiteit dat het geschut van het groot platform het onmogelijk maakt om te leven in de Oostendse huizen. Alles wat zich boven de grond bevindt is immers levensgevaarlijk. Dan maar zoeken naar noodoplossingen, veel meer zit er niet in, getimmerde hutten op wielen die van de ene plaats naar de andere kunnen verreden worden, al bij al een gemak voor de bezetters. Kolonel Katris, een man die sedert het begin van de belegering al zoveel dapperheid heeft gedemonstreerd voor de Spanjaarden wordt in dit macaber voorjaar van 1604 doodgeschoten.

Terwijl hij zijn Walen pushte om hard verder te werken. De officieren en soldaten betreuren zijn dood en ze staan daarbij niet alleen. Ook aartshertog Albrecht verliest een waardevolle steunpilaar, hij stelt de heer van Chalon aan als Katris’ opvolger, een man wiens gedrevenheid in de krijgskunde in heel het leger bijzonder goed gekend is. Ook in het begin van de 17de eeuw gaat het gezegde ‘geen twee zonder drie’ al op. Op 25 maart 1604 is het de beurt aan gouverneur Loon, ik had beter kunnen zwijgen over die voetsporen, kort na zijn middagmaal wordt hij door een kanonskogel in zijn been geraakt en daags nadien eindigt hij zijn leven aan de opgelopen verwonding. Vier personen zullen hem opvolgen: de kolonels Bevry, Rocques, Draecke en luitenant-kolonel Van der Burcht. Eerstgenoemde Bevry wordt aangesteld als nieuwe gouverneur van Oostende.

De promotie van kolonel Bevry gaat echter niet door. Bevry dankt Maurits van Nassau voor de eer die hij hem bewijst maar dat het hem spijt om het gouverneurschap niet te kunnen accepteren. Hij is gewond geraakt en was juist zinnens om zich naar Zeeland te laten vervoeren om daar te kunnen herstellen van zijn blessures. De functie van gouverneur gaat nu richting kolonel Berendrecht, blijkbaar tot genoegen van al de officieren en de soldaten van de bezetting. De nieuwe, een ervaren krijgsman, wil al direct het vuur aan de schenen van de Spanjaarden leggen om hen zoveel mogelijk te krenken en in het werken te vertragen. Een nobele gedachte die hij amper kan uitvoeren. De gedrevenheid van zijn tegenstander Spinola brengt bij de koningsgezinden zo veel teweeg dat ze van langs om meer de stad beginnen te naderen.

Het verslag van de vooruitgang spreekt boekdelen: ‘Door hun onvermoeibare inspanningen veroverden de belegeraars eindelijk al de verschansingen en buitenwerken zodat ze aan verscheidene kanten al de stadswallen begonnen te bereiken. Gouverneur Berendrecht deed de ene uitval na de andere, het aantal mijnen en tegenmijnen was oneindig en men zag dagelijks nieuwe uitvindingen om elkaar op alle denkbare manieren leed toe te brengen. Berendrecht die vaststelde dat zijn bezetting merkelijk verzwakte, verzocht aan Oranje en de heren van de Staten om nieuwe hulptroepen. Een vraag waar werd op ingegaan. De schepen die ze vervoerden kwamen ten getale van vierenvijftig, waaronder de lastschepen die op klare dag binnenzeilden, met slaande trommels en vliegende vaandels en waar de vijand natuurlijk geweldig op schoot vanuit zowat al de batterijen zodat er veel schepen erg beschadigd werden en er meer dan honderd matrozen of soldaten gedood of gekwetst werden.’

‘Een zekere jonge soldaat die sinds kort getrouwd was met de dochter van een zeeman en die zich ook op het schip bevond werd door de luchtverplaatsing van een kanonsbal overboord gegooid en in zee gesmeten. Terwijl iedereen dacht dat hij dood was sprong zijn vrouw moedig in het water, zwom lange tijd tussen een hagel van kanons- en musketschoten tot ze haar man kon vastklampen en hem levend uit het water kon helpen, tot grote verwondering van al diegenen die dit edelmoedig bedrijf aanzagen.’

‘Deze schepen werden kort daarop gevolgd door tweeënveertig andere, allemaal overvloedig voorzien van mond- en krijgsbehoeften. De wind was helaas niet meer zo gunstig als voordien, waardoor deze schepen bij hun inkomst deerlijk mishandeld werden en er veel scheepsvolk werd gedood. Men bemerkte nochtans met grote verwondering dat de stuurlieden en de bootsgezellen ondanks de vurige beschietingen op het dek van hun schepen bleven en onverstoord hun scheepswerk verder zetten. Markgraaf Spinola ergerde zich dat hij nog altijd niet helemaal de bijstand voor de belegerden overzee kon afsnijden en stelde zijn hoop dan maar op de verderzetting van de landwerken die beloftevol leken. Maar de belegerden boden een ongelooflijke tegenstand, vooral natuurlijk sinds ze weer kon beschikken over verse hulptroepen. Enkele overlopers bevestigden dat er minstens achtduizend soldaten binnen Oostende waren.’

Toch zijn de Hollanders niet gerust in de progressie van de koningsgezinden in Oostende. Maurits van Nassau en zijn krijgsoversten plegen koortsachtig overleg hoe ze de val van deze belangrijke haven kunnen voorkomen. Uit de vergadering komen twee alternatieve denkpistes naar voor: ofwel met geweld de belegeraars de verdrijven, ofwel in een groot manoeuvre de stad achter zich te laten. Het eerste voorstel blijkt natuurlijk onhaalbaar en na veel vijven en zessen komen de mannen tot het besluit om Sluis te gaan belegeren, een belangrijke haven voor de Spanjaarden waardoor ze ongetwijfeld een pak volk vanuit Oostende naar daar zouden sturen.

Op 25 april 1604 landt prins Maurits met 15.000 voetgangers en 3.000 ruiters in Cadzand. Op twee dagen tijd verovert hij de omliggende verschansingen en na bloedige schermutselingen slaagt hij er in om Sluis in te sluiten en het beleg op gang te brengen. Albrecht is zoals verwacht inderdaad genoodzaakt om een deel troepen vanuit Oostende naar Sluis te versassen. Dat zorgt er natuurlijk voor dat de belegeraars van Oostende ferm verzwakt zijn en dat de vooruitgang van de graafwerken stilvalt. Er gebeurt achttien dagen helemaal niets. Bowens geeft aan dat de belegerden hier wel een grote kans laten liggen door op dit moment niet uit te breken. Ze zouden slechts weinig uren nodig gehad hebben om de boel daar af te breken. Maar gouverneur Berendrecht heeft bevel gekregen om zijn positie te consolideren en zelfs te versterken en zeker 3.000 mannen paraat te houden mocht er iets mislopen in Sluis. Berendrecht ruikt ook wel zijn kansen hier in Oostende maar moet deze prima gelegenheid noodgedwongen laten voorbijgaan.

Achteraf blijkt dat natuurlijk een blunder van formaat. ‘De troepen keerden terug voor Oostende en begonnen met vernieuwde moed hun werken voort te zetten, de vijandelijke manen te bestormen, de ravelijnen omver te werpen en alle mogelijke kanten te ondermijnen, waardoor de belegerden weer de nodige last mee hadden. Berendrecht ondervond dagelijks welke schade Oostende dagelijks toegediend kreeg door het geschut op het groot platform die hij dan zelf met tien kanonnen begon te beschieten. Dat gebeurde vanaf een nieuwe batterij die hij op zijn nieuwe vesting had laten aanbrengen. Zo konden ze de artillerie op het groot platform voor zes weken buiten strijd zetten waardoor de Hollanders dan toch die tijd kregen om de nodige reparaties binnen Oostende uit te voeren.’

‘Maar ondanks dat succesje begonnen de koningsgezinden via hun galerijen tot over de stadswallen te trekken. Ze veroverden het ene bolwerk na het andere, wel met veel verlies van manschappen. Van zodra ze in het bezit waren van het ‘stekelvarken’ begonnen ze van daar briefjes in de stad te katapulteren waarop ze de belegerden en vooral de katholieke bevolking aanmaanden om de stad over te geven. Jacobus Bowens kan zo’n briefje bemachtigen. Die bevat best straffe taal. Waar ik aanvankelijk niet van plan was om de inhoud ervan weer te geven, verander ik van mening, dit moet u beste lezer zeker ook te lezen krijgen: ‘Aan u, getrouwe Christenen, beschermers van het katholiek geloof verzoeken wij u de stad over te geven, namelijk aan de 6.000 Spanjaarden die hier voor het ogenblik zijn. Want wij zijn diegenen die met u weinig medelijden zullen kennen. Geloof ons, we menen het, zet uw hoop dat Maurits u zal helpen maar opzij. Alle toevoerwegen zijn netjes afgesloten en als er volk komt zullen we er nog meer moeten doden. Wachten is voor u het gevaarlijkst gezien we besloten hebben om van uw lichamen een dijk te maken en we zullen deze menselijke dijk laten aansluiten op die van de graaf van Bucquoy….’

Zo logeren de belegeraars van langs om meer meer op de stadswallen waar ze het ene na het andere bolwerk gaan bezetten. En toch geeft gouverneur Berendrecht de hoop niet op. Hij verwacht het bezoek van Maurits van Nassau die hem stellig beloofd heeft om Oostende te komen ontzetten. Vandaar ook zijn ijver om een nieuwe binnengordel op te werpen, nieuwe wallen en verschansingen. Daarbij combineert hij van tijd tot tijd gewelddadige uitvallen naar de Spaanse vijand. Op 6 juni 1604 beslist de militaire raad van Oostende dat er wat moet gebeuren met de Spaanse bezetting van het westelijk bolwerk. Enkele Engelse soldaten krijgen de opdracht om de voortgang daar te gaan bespieden. Die nemen er prompt vier Italiaanse wachten gevangen. Berendrecht volgt de verdediging op de voet en neemt daar blijkbaar grote risico’s mee. Hij wordt getroffen in de rechterschouder en de opgelopen verwonding vereist zijn directe overbrenging naar Zeeland om daar verpleegd te worden. Maar wanneer zijn schip voor Vlissingen voorbij vaart is zijn leven al voorbij, zijn dood wordt erg betreurd door de officieren en de soldaten van de Oostendse bezetters.

Zo is het natuurlijk een gaan en een komen van gouverneurs. Nu is het de beurt aan kolonel Utenhoven die vanuit Sluis gepromoveerd wordt tot nieuwe gouverneur van Oostende. Hij moet kost wat kost stand houden tot dat de Hollanders de gelegenheid zullen krijgen om het beleg te doen opbreken. ‘Op de 17de juni, in de namiddag, lieten de belegeraars een mijn ontploffen aan de zuidkant van het westelijk bolwerk, de Westpoort, waardoor ze een grote bres sloegen. De Spanjaarden doken in de bres en probeerden met man en macht erdoorheen te stormen. Maar de belegerden boden hevig weerstand tot ze uiteindelijk na een hardnekkig gevecht en een weerzinwekkend bloedbad genoodzaakt werden om zich achteruit te trekken. De plek was bezaaid met dode lichamen.’

Utenhoven heeft al meteen zelf prijs, krijgt een musketkogel in de hals en valt voor dood neer. Zijn soldaten trekken hem aan zijn benen uit het stormgat en stellen vast dat hun baas nog leeft waarop ook hij naar Zeeland vervoerd wordt. Op 17 juni wordt de heer Marquette de nieuwe sterke man. De volgende dag laat hij zich rondleiden en kan hij alleen maar vaststellen dat dit Oostende meer weg heeft van een hoop stenen dan van een stad. Marquette regelt direct enkele bloedige uitvallen die zorgen voor veel gesneuveld volk aan beide kanten, de mannen worden hier toch wel letterlijk als kanonnenvlees gebruikt. Terwijl de Spanjaarden zich hoe dan ook helemaal meester maken van de stadswallen. De toevoer van schepen naar Oostende verloopt ondertussen vrij vlot. Met een haast dagelijkse komst van verse hulptroepen en munitie. De belegerden komen niets te kort, hoe hard de koningsgezinden ook hun best doen om de komst van de schepen te beletten.

 

Dit is een fragment uit deel 7 van ‘De Kronieken van de Westhoek’.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>