Leven & dood van Jacoppe Artevelde 1341-1345

De wol is teruggekeerd in Vlaanderen maar nu blijft het graan achter. Honger en onrust zijn het onmiddellijk gevolg. De Engelsen doen wat ze kunnen maar Jacoppe krijgt het moeilijk. Vooral in het eigen Gent krijgt hij af te rekenen met de radicale linkervleugel van de wevers die uiteindelijk zelf gaan zorgen voor de brutale moord op hun illustere leider.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

Na enkele jaren van hoogspanning is het heroïsch klimaat in Vlaanderen flink afgekoeld. De Vlamingen zijn wat oorlogsmoe. En er komt stilaan sleet op het prestige van de hoofdman. Het beleg van Doornik heeft handenvol geld gekost. Voor Gent alleen al is de kostprijs al opgelopen tot 50.000 pond. Het valt op dat Gent niet meer het centrum van de wereld is, zoals het de voorbije jaren was. Het is er opmerkelijk stiller geworden. De 5de oktober van het jaar 1341 is de graaf terug in Kortrijk. Hij aanvaardt de verstrengde voorwaarden en belooft het beleid van Jacoppe Artevelde en zijn ruwaard Simon de Mirabello te steunen. De raad ‘van minen heere van Vlaendren’ treedt weer in voege.

Jacoppe laat wel voelen wie de echte baas is. Hij zorgt er voor dat drie van zijn vertrouwelingen, Symoen Thomaes, Thomas van Vaernewijck en Willem de Merseman opgenomen worden in de raad en de graaf zullen chaperonneren. Lodewijk van Nevers slikt de vernedering. Vijf weken later durft hij het voor de eerste keer aan om naar Gent te komen en te vergaderen met Edward III die ondertussen met andere problemen te kampen krijgt. De diplomatieke activiteiten van de Engelsen in Vlaanderen kosten handenvol geld. Edward hoopt die te recupereren door een taks te heffen op de export van de Engelse wol naar Vlaanderen.

De taks op 30.000 balen wol die in 1338 naar Dordrecht werden verstuurd, zou in principe moeten zorgen voor voldoende inkomsten om zijn militaire activiteiten van de komende jaren te sponsoren. Maar dat blijkt een misrekening geweest te zijn. De erg ingewikkelde commerciële structuur en de massa’s tussenpersonen hebben allemaal zo hun kost en zorgen er voor dat de inkomsten voor de koning ver onder de verwachtingen liggen. En er mag ook wel bij gezegd worden dat Vlaanderen zich, in ruil voor zijn pro-Engelse steun, rijkelijk laat betalen. Het lijkt wel een bodemloos vat.

Hij kan natuurlijk rekenen op de rijke Lombardische bankiers, maar de normale rentevoeten liggen in vredestijd op minstens 25% en kunnen in tijden van oorlog stijgen tot 100%. Ook Jacoppe Artevelde helpt zijn vriend meerdere keren uit de nood met persoonlijke leningen. Eind 1340 zit koning Edward met zijn gat vol schulden. Hij kan zelfs zijn eigen paarden niet meer voederen. In Gent wordt de grond stilaan te warm onder zijn voeten.

Hij muist er stilletjes van onder om te ontkomen aan zijn schuldeisers. Waar is de aureool van zijn onoverwinnelijkheid naar toe? Het volk heeft voor hem geknield en de zoom van zijn kleed gekust. En nu gaat die toverprins, ooit in volle praal en pracht gelanceerd, nu tot op het hemd uitgekleed als een voortvluchtige misdadiger aan de haal. Niet moeilijk dat het stiller geworden is in Gent. Voortaan zal de Frans-Engelse koning de Vlamingen vanuit Engeland besturen en zal het Engelse manna minder uit de hemel vallen.

Het imagoverlies en het vertrek van Edward III betekenen een zware tegenslag voor Jacoppe Artevelde die zijn macht uiteindelijk gebaseerd ziet op dat Engelse prestige. Zijn in gebreke blijven, is voor de hoofdman een tegenvaller van formaat. Tijdens de jaren 1339 en 1340 is zijn persoonlijke populariteit tot ongeziene hoogten gestegen. Nog voor het einde van 1342 is die populariteit stelselmatig aan het dalen. Aanvankelijk is er tijdens 1341 van dit afbraakproces weinig te merken, maar nu zijn geldschieter zelf op zwart zaad zit, verdwijnt ook Arteveldes politieke geloofwaardigheid. Gent moet vanaf heden weer zelfstandig op eigen benen staan. Zoveel is zeker, de Engelse subsidies zijn verleden tijd. Op 24 januari 1341 sluit de Franse koning Filips van Valois een bondgenootschap met de Duitse keizer en drijft daarmee een eerste wig in het anti-Franse blok. In diezelfde periode rijzen er problemen met de paus in Avignon rond de banvloekbelofte van de Franse koning, die maar niet goedgekeurd geraakt in pauselijke middens.

Paus Benedictus vindt dat de Vlamingen alleen maar lastposten zijn om altijd maar opnieuw vijandige stappen te ondernemen tegen het koninkrijk Frankrijk. Telkens opnieuw dwingen ze hem om vreselijk moeilijke keuzes te maken. Moest iedereen nu eens hun feodale plichten vervullen en doen wat de kerk voorschrijft, dan zouden er geen problemen zijn. Benedictus laat die stomme Vlamingen nu eens op hun beurt sudderen. Zijn ongeïnteresseerde en negerende houding verstoort enigszins de onderhandelingen over de verlengingen van het bestand dat op 24 juli 1341 zal verstrijken.

Na een maandenlange krachtmeting tussen Filips van Valois en de paus, bevestigt de oude paus Benedictus op 20 juni 1341 nog maar eens dat hij de weerspannige Vlamingen niet opnieuw in de schoot van de kerk wil opnemen. Wat een jobstijding voor Artevelde! Het ziet er naar uit dat dit een straatje zonder einde is. Hij kan het toch niet opnemen tegen de paus? Hij moet al evenmin rekenen op de grafelijke entourage want die hij heeft hij in eigen persoon lam gelegd. Slecht heel op het nippertje wordt er een verlenging van de wapenstilstand bedongen. De volgende deadline is nu 29 augustus 1341. Lodewijk van Nevers houdt zich in deze context aanvankelijk heel erg op de achtergrond en beslist uiteindelijk om zich in juni stilletjes terug te trekken in Frankrijk.

Jacoppe Artevelde staat nu opnieuw alleen. Zonder krachtdadige steun van de Engelsen en met onbetrouwbare bondgenoten. Vlaanderen wordt stilaan woelig. De eerste tekenen van een economische crisis zijn al latent aanwezig. En dan is er nog zijn oude zorgenkind; het herrezen gevaar van de banvloek. De Duitse keizer Lodewijk de Beier profiteert van de Gentse luchtledigheid met de start van een eigen diplomatieke vrijage. Zeer tot ongenoegen van Edward III die het spel van zijn voormalige bondgenoot niet graag ziet gebeuren en vreest dat die zijn onderhandelingspositie ten opzichte van de Fransen aanzienlijk zal hypothekeren.

De onmiddellijke toekomst ziet er voor Vlaanderen, Brabant en Henegouwen redelijk duister uit. De vrees voor een aanval van de Franse hoofdmacht hangt als een zwaard van Damocles boven de hoofden van de mensen. Tijdens de zomer van 1341 wordt er in alle Vlaamse steden druk overleg gepleegd. De afwezigheid van de graaf is opvallend en stelt Artevelde voor juridische problemen. Er valt een zware druk van de schouders als het nieuws binnenloopt dat de partijen het eens geworden zijn om het bestand van Esplechin te verlengen tot de 24ste juni 1342. Het is nu hoog tijd om aandacht te besteden aan de binnenlandse problemen. De terugkeer van de Engelse wol was een zegen voor het land. Maar de keerzijde van de medaille is natuurlijk ook wel het kwijtspelen van de aanvoer van Frans graan.

Het verlies van de Franse graanstapel zorgt voor misnoegdheid bij diegenen die hun brood verdienden met het zuiden. Het Vlaanderen van de 14de eeuw is hoe dan ook een woelig land. Er is geen stad of plaats in de regio waar er geen rellen en troebelen uitbreken maar het lijkt er op dat Artevelde, nog voor het invallen van de herfst, de toestand meester wordt. Artevelde weet verdraaid goed dat hij Vlaanderen alleen op de been kan houden door elke tegenstand onmiddellijk in de kiem te smoren. Tijdens de winter krijgt de Gentse kopman af te rekenen met een ontspoorde begroting.

Zo gaat zijn vrouw Katelijne de Coster op reis naar Engeland en slaagt ze er in 500 ponden af te dingen van het Engelse parlement. Op 20 november reist haar broer naar Brussel ‘om gelt’. En dan is er nog de escalerende muntcrisis. Meer dan eens worden er in Brussel onderhandelingen gevoerd ‘omme der munten’. Artevelde voelt zich verplicht om een noodbeleid te voeren dat gericht is op het algemeen belang en dat vaak botst met particuliere belangen. Voorlopig is de oppositie echter nog te zwak om hem te verontrusten.

De levensomstandigheden in Vlaanderen zijn hachelijk. Artevelde moet al zijn gewicht en autoriteit in de schaal leggen om overeind te blijven. Jacoppe verplicht de magistraten om te eisen dat alle schepen die de Schelde afvaren, steeds een hoeveelheid graan moeten meevoeren die evenredig is met de rest van de vracht. In de hele regio rond Gent wordt koortsachtig gezocht naar graanoverschotten die dan, op hun beurt, opgeslagen worden in het belfort. De graaf zelf blijft veilig op afstand. Voortvluchtig. De meningen over Lodewijk zijn verdeeld in Vlaanderen.

De gematigden willen het nog maar een keer herproberen met hem, terwijl de radicalen hem absoluut uit het land willen houden. Het ziet er naar uit dat Artevelde tot de laatste strekking behoort. Zeer tegen zijn zin, onderhandelen de Engelsen te Erkenghem met de graaf; ‘metgaders den lande te biddene en te versouken’ dat hij naar Vlaanderen zou willen terugkeren.

Het toont aan dat de Gentse hoofdman al flink wat van zijn pluimen is kwijtgespeeld. Het hele voorjaar van 1342 staat in het teken van de grafelijke terugkeer. Maar vooralsnog laat hij zich niet pramen. Hij maakt nog altijd kordaat korte metten met alle medestanders van de graaf. De situatie is er voor Edward III in dat voorjaar van 1342 sterk op verbeterd. Hij bereidt in alle stilte een ontscheping voor in Bretagne. Het valt sterk te betwijfelen of de wapenstilstand van 24 juni deze keer nog verlengd zal worden.

De steden vrezen het ergste. In mei zitten ze mee aan de diplomatieke tafel. Op 25 april is de zieltogende paus Benedictus XII overleden. Hij wordt vervangen door een zeker Pierre Roger die de kerk zal leiden onder de naam van Clemens VI. Het wordt allengs duidelijk dat Clemens VI probeert het Frans-Engels conflict te verhinderen en dat hij de kerk in het midden wil houden. Op 4 juni adviseert hij Edward om zich zonder verwijl met de Vlamingen in betrekking te stellen. Het onderwerp van de banvloek komt weer op tafel.

Clemens is bereid om de Vlamingen weer toe te laten op voorwaarden dat ze zich aan de kerk onderwerpen. Zoniet zal hij de excommunicatie herbevestigen. De erkenning aan deze kerk, staat voor Artevelde synoniem aan het erkennen van Filips van Valois als soeverein en het stopzetten van het bondgenootschap met de Engelsen. De vernietiging van zijn levenswerk dreigt. Edward III ziet de ongemakkelijke situatie van Jacoppe en stuurt op 19 juni 1342 een boodschapper van het hoogste niveau naar Gent. De kwestie van de banvloek zal aan die van de vrede worden gekoppeld, waardoor Jacoppe nu ook mee zal kunnen beslissen.

De besprekingen concentreren zich nabij Valencijn. Einde augustus beslissen Henegouwen en Brabant dat ze terug willen keren naar hun vroegere neutrale positie maar dat ze hun vriendschap met Engeland niet willen opgeven. Artevelde bevestigt dat ook hij deze politiek genegen is, maar dan wel op voorwaarde dat de banvloek wordt gelicht. De onderhandelingen van Valencijn hebben aangesleept tot einde augustus. De bal ligt nu in het kamp van de kerk. Het is wachten op een antwoord van de heilige vader. De steden hebben tijdens de zomer nagelaten zich te onderwerpen aan Filips van Valois en zijn nu beducht voor represailles.

Jacoppe Artevelde zorgt er voor dat ze versterkt worden en laat de grenzen nauwgezet bewaken. Die waakzaamheid is geen overbodige luxe. Tijdens de zomer zijn de steden het eens geraakt over de terugkeer van de graaf en is graaf Lodewijk van Nevers in het land teruggekeerd. Hij neemt er opnieuw zijn intrek te Male. In september verleent hij de stad Damme een keure die gebaseerd is op zijn absolute vorstelijke macht, ‘ex absoluta potestate, regis auctoritate’. Een nauwelijks verholen uitdaging dat hij de macht van Frankrijk persoonlijk wil herstellen in Vlaanderen.

Speelt Clemens een spel met de Vlamingen? Het is al half oktober en er is nog steeds geen nieuws binnengelopen van de banvloekhistorie. Het kan geen toeval zijn dat de graaf plots het initiatief overneemt van Jacoppe Artevelde en het parlement samenroept om de alliantie met Edward III te bespreken en om de kerkelijke toestand in Vlaanderen aan een onderzoek te onderwerpen. Voor het eerst in jaren steekt de grafelijke partij in Vlaanderen weer openlijk de kop op en wordt het beleid van Artevelde in vraag gesteld.

De Gentse opperhoofdman heeft onmiskenbaar terrein verloren waardoor Edward op zijn beurt enig wantrouwen heeft opgevat rond de houding van de Vlamingen. Hij stuurt zijn speciale gezant William Trussell om wat meer Engels gewicht in de schaal te leggen. De wol blijft ondertussen een teer onderwerp in Vlaanderen. In 1341 is de Engelse wolstapel overgebracht naar Brugge. Het leek een veelbelovende maatregel, maar de toevoer van de wol blijft ondermaats zodat de steden dat aan den lijve ondervinden.

Ook Edward heeft zich vergaapt aan de opbrengst en de volumes. In realiteit wordt er wol gehamsterd door de kooplieden en is er een forse wolspeculatie ontstaan. Tekorten worden aangemoedigd en de zwarte markt tiert welig. Smokkel en manipulatie, het kostbaar goedje blijft en blijft maar wegglippen langs de ontelbare lekken.

Hoe moeilijk en complex de situatie is, en hoe intens de Engelse koning probeert om effectief iets te doen om die op te lossen, lezen we bijvoorbeeld in de Engelse archieven van 20 december 1342: ‘Kennington, 1342 december 20. Prins Eduard en de Raad van koning Eduard III bevelen aan mayor en bailiffs aan Lynn, om de Boynbere van Athelardus Spaldyng uit Holland en een vaartuig uit Pruisen, welke schepen in verband met het verbod om graan uit te voeren werden gearresteerd, ongehinderd te laten vertrekken met het koren van Nicholas de Milan en John Puchei.

De schippers moeten echter waarborg verschaffen, dat zij het bedoelde koren naar Vlaanderen zullen voeren, dat zij na hun terugkeer in Engeland certificaten van Jacoppe Artevelde zullen inleveren betreffende het lossen van het graan in Vlaanderen en dat zij geen wol, wolvetten en huiden, waarvan geen tol is betaald, en geen edele metalen zullen exporteren.’ Ook de ‘weverie’ in de Vlaamse steden moet zich te weer stellen tegen onderkruiperij en dumpingpraktijken. Gent, Brugge en Ieper hebben al specifieke keuren die hun textieleconomie regelt.

Maar in 1342 worden er nieuwe drastische maatregelen afgedwongen van Lodewijk van Nevers. Op 3 oktober krijgen de Ieperlingen het recht om het vervaardigen van laken stop te zetten te Langemark en binnen een straal van 18 km rondom de stad. Ook Gent en Brugge krijgen gelijkaardige mogelijkheden om ongewenste getouwen te vernietigen. De maatregelen zijn gericht tegen de mensen van den buiten die met hun weefgetouwen thuis wat bij kunnen verdienen. Dat de kwaliteit van hun textiel minderwaardig is dan die van de prestigeproducten van de steden, is niet hun zorg.

Evenmin dat zij hiermee de geloofwaardigheid van de Vlaamse lakenhandel in het gedrang brengen. Door de maatregelen ten voordele van de steden, groeit natuurlijk de schare van malcontenten aan. De voorheen versnipperde oppositie, koekt samen rond de graaf die zich daardoor gesterkt voelt en zich richt tegen het stedenbewind van Jacoppe Artevelde. Het komt tot rellen en strubbelingen tussen de wevers, patriciërs en volders in Oudenaarde wanneer die wevers de door de Gentenaars aangestelde ruwaard de laan uitsturen. Ook de Bruggelingen gaan zich ermee bemoeien.

Zit de graaf achter die rellen? De kroniekschrijvers gewagen in elk geval van een grafelijk complot als er begin november in de Vier Ambachten, Damme en Aardenburg opnieuw sprake is van diezelfde troebele atmosfeer en waar er op een bepaald ogenblik sprake is van het hijsen van de grafelijke banieren. Het ziet er naar uit dat een openlijke botsing tussen Artevelde en Nevers onvermijdelijk wordt. Eén van de twee zal plaats dienen te ruimen voor de andere. Tijdens de eerste dagen van december 1342 wordt de aandacht verlegd naar Bretagne waar Edward een nieuw offensief lanceert tegen Frankrijk.

Maar opnieuw blijft de strijd beperkt tot een stellingenoorlog en komt het niet tot een grote clash tussen de partijen. Tot de paus de tegenstanders ertoe kan bewegen om opnieuw onderhandelingen op te starten. Jacoppe Artevelde wordt opnieuw betrokken bij de gesprekken. Maar nog voor hij aan die opdracht kan beginnen, heeft hij in Gent nog andere katten te geselen.

In augustus heeft Artevelde de welgestelde burger Jan van Steenbeke niet laten herbenoemen tot lid van ‘mines heeren Raad’. Die niet-herbenoeming bezorgt van Steenbeke zure oprispingen. Samen met zijn vrienden, de niet onaanzienlijke poorters Pieter Damman en Salmoen Borluut, voert hij nu een felle oppositie tegen de opperhoofdman. Ieper, Brugge en Gent hebben allemaal diezelfde overlevering dat hun schepencolleges elk jaar veranderen. Het is een regeling die nauwkeurig onderworpen is aan de gemeentelijke keuren. Jacoppe Artevelde staat nu al vijf jaar aan het gemeentelijk roer in Gent. Heeft hij wortel geschoten?

Waar haalt hij de autoriteit om zelf niet vervangen te moeten worden? Net zoals de anderen? Zijn, nu en dan autoritair optreden ten gunste van de grote steden, wekt wrevel en wrok op. Hoe staat het eigenlijk met zijn legitimiteit? Als dit een noodbestuur was, wel dan heeft het nu lang genoeg geduurd. Dat Artevelde uitgegroeid is tot een Vlaams boegbeeld, maakt hun rekening niet. Met hem staat of valt het regime. Maar van Steenbeke en de zijnen bekijken de situatie niet vanuit dit perspectief. Vanuit hun benepen stedelijk inzicht zou hij de wetgeving moeten respecteren en plaats moeten ruimen voor nieuwe krachten. Ergens hebben ze natuurlijk gelijk.

De meningen in Gent zijn sterk verdeeld. Van Steenbeke en zijn medestanders moeten het meer hebben van steun van uit de Westhoek. Een aantal kapiteins van de opperhoofdman hebben enkele lokale agrarische en graafsgezinde verzetshaarden nogal brutaal en hardhandig aangepakt en dat zint de Westhoekers niet. Ze schreeuwen ‘machtsmisbruik’ uit volle mond. Van Steenbeke eist dat er paal en perk gesteld zal worden aan de willekeur van de kapiteins. De Gentenaars vinden het bizar dat dergelijke aanklachten nu plots komen uit de hoek Arteveldes vroegere vrienden. Begint de macht hem nu werkelijk naar het hoofd te stijgen?

Er volgen enkele dagen vol rumoer. Van Steenbeke krijgt de belangrijke schepen Jan Borluut aan zijn kant. Tijdens een vergadering met Artevelde lopen de gemoederen hoog op. Jacoppe krijgt het ene verwijt na het andere naar het hoofd geslingerd. Van Steenbeke jaagt de anders zo kalme hoofdman zodanig op stang dat die door het lint gaat. Het scheelt geen haar of Jacoppe Artevelde gaat van Steenbeke en Jan Borluut te lijf. Zo kwaad is hij. Jan van Steenbeke kan ternauwernood ontkomen aan de briesende Artevelde en slaat om de vlucht naar zijn woning, waar hij door een groep nijdige medewerkers van Artevelde wordt belegerd.

De aanhangers van van Steenbeke stormen naar het stadhuis waar ze het ontslag eisen van Jacoppe. Ze overtuigen de Gentse magistraat om in te grijpen. Hij beslist om een afkoelingsperiode in te voeren en zo de gemoederen tot bedaren te brengen. In afwachting nemen van Steenbeke en de zijnen hun intrek in het Gravenkasteel. Artevelde verhuist voorlopig naar het kasteel van Geraard de Duivel. Zijn achterban, het volk en de wevers, protesteert niet eens. Zijn gezag en populariteit moeten flink gezonken zijn in de polls. Jacoppe zelf, laat eventjes niet in zijn kaarten kijken, nadat hij dreigt aan de kant te worden geschoven.

Zijn kalmte heeft natuurlijk ook te maken met de wetenschap dat er hulp op komst is om dit lokaal geschil in de kiem te smoren en hem weer op zijn stoel te hijsen. De Bruggelingen en de Ieperlingen begrijpen de ware toedracht van de gebeurtenissen in Gent. De connectie tussen het gestook van Jan van Steenbeke en de drang van Lodewijk van Nevers om weer volop de macht te grijpen is zonneklaar. Zonder Jacoppe zal het herstel van de grafelijke macht in Vlaanderen nu onvermijdelijk worden en zal de opgave van het bondgenootschap een feit worden. De Franse invloed zal weer volop opflakkeren.

Het einde van de zelfstandige stedenpolitiek staat op het spel. Brugse en Ieperse milities rukken op naar Gent. Aangevuld met detachementen vanuit zowat heel Vlaanderen. We zijn hartje winter als ze drie dagen lang de stad belegeren en er uiteindelijk in slagen om de magistraat op andere gedachten te brengen. Jacoppe Artevelde wordt weer geïnstalleerd. Het Vlaamse machtsvertoon heeft de overhand genomen op de bekrompen Gentse stadspolitiek.

De samenzweerders worden verbannen en er wordt beslag gelegd op hun eigendommen. Artevelde heeft de eerste ronde gewonnen. Voorlopig toch. Lodewijk van Nevers wacht niet op de gerechtelijke afwikkeling van het avontuur. Van zodra hij vaststelt dat zijn machtsgreep mislukt is, neemt hij de wijk. Nog maar eens. De breuk tussen beiden is nu compleet. Alle pogingen van Jacoppe Artevelde om Lodewijk van Nevers te betrekken bij het beleid, zijn op een sisser afgelopen. Voortaan zal hij bewust tegen hem regeren. Het dreigt een bitsige confrontatie te worden.

De macht van Jacoppe Artevelde is na dit intermezzo hersteld. Hij kan zich opnieuw focussen op de onderhandelingen tussen Engeland en Frankrijk in het Franse Malestroit. Eerst en vooral natuurlijk op het dilemma dat hij de Vlamingen pas in de kerk kan laten toetreden als ze trouw zweren aan de Franse monarchie. Hij boekt een belangrijke overwinning door de paus in Avignon de zaak van de banvloek eigenlijk gewoon te laten rusten en de kwestie van het banvloekgevaar stilzwijgend van de kalender af te voeren.

Het statuut van de graaf blijft ongewijzigd. Hij mag tijdens de vrede in Vlaanderen verblijven, als hij daarvoor de toestemming krijgt van de Vlamingen. De Vlaamse politieke mondigheid vertaalt zich maar al te charmant in deze kleine zin: ‘si in hoc consentiat populus Flandriensis’. De aanspraak van Lodewijk van Nevers om alleenheerser te worden over Vlaanderen, wordt uitdrukkelijk afgewezen. De grafelijke poging van 2 januari 1343 zal later zijn laatste gebleken zijn.

Zolang Jacoppe Artevelde leeft, zal hij niet meer terugkeren naar Vlaanderen. Hij zal uiteindelijk sneuvelen op zijn geboortegrond te Crécy en op Franse bodem begraven worden. Het verdrag van Malestroit is een groot succes voor Artevelde. In februari 1343 worden de troepen teruggetrokken van bij de zuidelijke grens. Het buitenlands gevaar is geweken, de banvloek is afgewenteld. Er is een Vlaamse droom gerealiseerd die men vooraf nooit voor mogelijk had durven houden. Maar nu de Vlaamse doelstellingen gerealiseerd zijn, krijgt de Gentse opperhoofdman opnieuw te maken met de, vaak kleinburgerlijke Vlaamse werkelijkheid.

De harde winter van 1342-1343 is de slechtste sinds de desastreuze jaren 1336 en 1337. Bovenop het begrotingstekort is er sprake van een economische malaise zonder weerga, gevolgd door een munt- en een voedingscrisis. Die crisis heeft natuurlijk alles te maken met een tweede devaluatie van de zilvermunt op zeven jaar tijd. Het grote tekort aan graan wordt enkel door een actieve tussenkomst van de Engelse koning opgelost. De stormloop van de clan van Jan van Steenbeke heeft Jacoppe voorzichtiger gemaakt. Hij wil absoluut aantonen dat hij geen alleenheerschappij betracht in Vlaanderen.

In de andere grootsteden worden er hoofdmannen gekozen die op zijn niveau staan. Gillis van Coudenbrouck in Brugge en Jan van Houtkerke in Ieper. En natuurlijk is er nog altijd zijn vriend de bankier Simon van Mirabello, ook bekend als Simon van Halen, die aangesteld is als ruwaard over Vlaanderen. Maar op de keper beschouwd, rust de effectieve verantwoordelijkheid over Vlaanderen op de Vlaamse steden natuurlijk bij Jacoppe Artevelde zelf.

Vanaf 1343 zijn het enkel nog de optekeningen van de Gentse stadsklerken en het relaas van enkele kroniekschrijvers, die ons kunnen vertellen hoe het leven van Jacoppe Artevelde verder dobbert. Ze laten een indruk na dat de hoofdman worstelt met de schaduw van zijn verleden. De periode van internationaal succes is voorbij. Wat hem rest zijn strubbelingen tegen de steden en het thuisverwijt dat hij altijd meer bezig geweest is met Vlaanderen en met de Engelsen dan met de honger, de dorst en de ellende van de mensen.

Van Lodewijk van Nevers zal er tot in de maand augustus niets te horen vallen, nadat hij in februari enkele pogingen gestart heeft om te onderhandelen met de steden, maar op het veto van Artevelde botst. De graaf stuurt evenmin zijn baljuw om de jaarlijkse herverkiezing van de schepencolleges in de stad in goede banen te leiden. Die herverkiezing is een terugkomend probleem, een dilemma, een evenwichtsoefening om de verschillende ambachten en standen elk hun positie te geven zodat er weer min of meer een jaar zonder conflicten kan worden bestuurd.

De schepenen worden nooit rechtstreeks door het volk verkozen maar aangesteld door een kiescollege aangesteld door de graaf en door de gemeente zelf. In theorie moet het kiescollege proberen een evenwicht te vinden tussen de heersende gedachtestromen en de bestaande machtsverhoudingen.

In de tijd van Jacoppe Artevelde beschikken de drie ambachten, de weverij, de volders en de kleine neringen elk over een aantal mandaten. De stadsrekeningen vertellen een ander verhaal. Rondom de ambachten zit een heel nest van beroepspolitiekers genesteld. Uittredende schepenen, dekens en hoofdmannen worden tot ontvanger of in andere politieke functies aangesteld in afwachting dat ze bij de herverkiezingen van het volgende jaar opnieuw verder hun actieve politieke rol kunnen spelen. De macht zit in handen van een kleine groep invloedrijke notabelen die elk met hun eigen achterban de stad beheersen.

U weet wel: de ‘ons kent ons mentaliteit’. Van Steenbeke, Van Vaernewyck, Mabenzone, Parijs, Van der Vloet, de Merseman en anderen lossen elkaar af op de commandoposten. In Ieper en in Brugge zal de toestand trouwens niet anders zijn. Zwaargewichten als van Steenbeke, Dammen en Borluut, die zich opworpen als de kampioenen van de grafelijke restauratie en hard probeerden om Artevelde er onder te krijgen, behoren tot die oude elitaire geslachten die al eeuwen het volk hardhandig in toom hebben gehouden. Ze hebben door hun actie hun legitimiteit in het stadsbestuur verloren. Vanuit de radicale buik van de stad, de ambachten, komen nu nieuwe kandidaten naar de oppervlakte.

Mannen als De Bake en Denijs worden als dekens van de volders en de wevers verkozen om het vacuüm in te vullen. Er komen nieuwe volksmenners op het toneel. De Bake, Geeraard Denijs en Gillis van Gavere zijn gewezen bannelingen die ooit met het gerecht in aanraking kwamen en de stad werden uitgestuurd voor een of ander ernstig vergrijp. Meestal weet Jacoppe Artevelde wel raad met het verglijden naar links. Maar het manoeuvre van de graaf zorgt er voor dat hij in het Gent van 1343 grip op de gebeurtenissen begint te verliezen.

De afwezigheid van de grafelijke commissarissen zorgt tijdens de tumultueuze verkiezingen voor een forse ruk naar links. De kliek die de hoofdman een hak probeerde te zetten, heeft dat uiteindelijk op een heel andere manier gedaan dan initieel gepland. Ze hebben ongewild plaats geruimd voor de nieuwe voorschepen Simon Parijs die zich zal ontpoppen als de voornaamste tegenstander van Jacoppe.

Een aantal nieuwelingen treden toe tot het stadsbestuur. Er is sprake van een ‘visscere’, een ‘vleeschouwere’ en een ‘grawerkere’. De Gentse arbeiders zetten een geweldige stap richting bewind en dat ten nadele van de ‘ledichgangers’. Aanvankelijk kan Artevelde zijn stadsbestuur nog enigszins onder controle houden, maar geleidelijk aan zal de oppositie zich meer en meer laten gelden.

De godsvredemeerderheid (zeg maar de ja-knikkers) die al die jaren heeft gezorgd voor een ‘carte blanche’, is vervangen door een schepencollege met een verraderlijke radicale vleugel waar Jacoppe niet zal kunnen aan blijven ontsnappen. Ook hij moet nu mee in het bad van de diverse partijen. Het is hoe dan ook een keerpunt in de carrière van de hoofdman. Of hoe volgens schrijver Paul de Mont zijn ‘deemsternis’ wordt ingezet.

De hartstochten en de vroegere vetes flakkeren opnieuw op. De oude monsters van voor 1336 zijn terug. De ene na de andere bitsige botsing heeft te maken met geld-, brood-, en loonkwesties. Het middeleeuwse Gent mag dan wel een grootstad zijn in zijn tijd. Maar 60.000 mensen leven op elkaars lip in de somberheid van hun bestaan en geprangd tussen de beklemmende muren van de stad. Wrijvingen, persoonlijke geschillen, privé afrekeningen, clanvorming, vuren de passies aan en vergiftigen de gemeentepolitiek. De gemoederen zijn aan het gisten in die eindeloos diepe heksenketel. De explosieve thuissituatie moet Artevelde erg verbitteren.

Het verklaart zijn neiging om de teugels opnieuw aan te halen en een kleine groep absolute vertrouwelingen naar zich toe te trekken. De zwenking naar een meer autoritair en persoonlijk regime werkt als een rode lap op een stier bij Geeraard Denijs, die de macht van de hoofdman als een mol aan het ondergraven is, en uitgroeit tot zijn grootste vijand. Pas in het najaar van 1343 lijkt het wat rustiger te worden. Er is sprake van een militaire ingreep in Oudenaarde en in Diksmuide ‘omme wet daer te maken’. En er is sprake van interventies in Brugge ‘omme te pointe te elpen setten tgescil daer’ en in het Westland ‘omme daer te versiene beleed van den lande’. Ondanks de steeds terugkerende nood aan financiële middelen, kondigt de winter van 1343-1344 zich rustiger aan als de voorgaande.

De stemming tijdens de winter is bedrieglijk. Het Vlaamse ontwaken in het voorjaar van 1344, is echter hard en meedogenloos. De nawerking van de muntdepreciatie wordt nu pas echt duidelijk. De levensduurte neemt onheilspellende vormen aan. Graaf Lodewijk duikt weer op. Zoals steeds als een voorbode van nakende verwikkelingen. Eens polsen hoe het staat met de autoriteit van Jacoppe Artevelde?

Op 14 januari 1344 trekken voorschepen Parijs en Jan Ondertmarc naar ‘Menin an minen here van Vlaendren bi sinen ontbidene omme te spreken van acorde’. De 7de maart laten de steden weten dat de graaf nog steeds ongewenst is in Vlaanderen. Artevelde handhaaft zijn veto en lijkt nog altijd meester over de situatie. Economie en concurrentie zijn van alle tijden. Die regel geldt evengoed voor het jaar 1344. De vermindering van de koopkracht zorgt voor een stijging van de levensduurte. En eigenlijk mogen de lonen niet mee evolueren. Die mogen absoluut niet stijgen.

Het is een kwestie van leven of dood dat de kostprijs van het laken niet stijgt want de concurrentie staat nu al klaar om het Vlaamse fabricaat op de vreemde markten te verdringen. Anno de 21ste eeuw, wordt de strijd om de wel of niet indexering van de lonen gevoerd op het niveau van de syndicaten en de ondernemersorganisaties. In 1344 gebeurt diezelfde strijd op het niveau van de steden. De loongeschillen en de werkconflicten in de schoot van de stedelijke neringen stapelen zich op. En dat allemaal in een tijd waarin kleinere steden proberen ook hun deel van de textielkoek mee te pikken en de concurrentie aan gaan met hun grote broers. Kijk maar naar Poperinge en Dendermonde.

Jacoppe Artevelde behoedt er zich voor om in te grijpen in het sociaal karakter van de strubbelingen en de interne krakelen. Ook in Gent houdt hij de nodige afstand. De met elkaar rivaliserende Gentse dekens Denys en De Bake zijn des te bedrijviger bij de verdediging van hun wevers en volders en laten Artevelde voorlopig met rust. Het blijft een open vraag of de Gentse leider het zich kan permitteren om zich van die sociale conflicten te distantiëren. Is het misschien mogelijk dat hij het stuur niet meer zo stevig in handen heeft als voorheen?

Tussen die van Ieper en die van Poperinge stijgt de koorts onrustwekkend. Het begint met woelingen in de schoot van de Ieperse ambachten. Er worden twee Gentse afgevaardigden naar Ieper gestuurd ‘omme tgescil dat daer rees tusschen de ghemeenten van der stede’. Er moet opnieuw ingegrepen worden begin april ‘te Poperinge omme discort dat daer was’ en ‘tYpre omme selve discort’. Gent en Brugge doen maanden aan een stuk wat ze kunnen om het geschil tussen Ieper en Poperinge te vereffenen.

Alle verzoeningspogingen lopen af op respectieve sissers. Het komt tot een bloedige confrontatie, waarbij een zekere Jacob Beyts, de aanvoerder van de Poperingenaars, en een aantal van zijn medestanders sneuvelen. Ook de Ieperlingen lijden verliezen en wreken zich hierom maar al te bloedig op alle locaties die het aandurven zich te meten met hun privileges. Langemark, Reningelst en Belle krijgen er van langs. Al hun weefgetouwen worden vernield. Het is opmerkelijk dat Jacoppe Artevelde beroep moet doen op een gezant van de Engelse koning, Stafford, om te bemiddelen. In zijn glorietijd zou het zeker niet het geval geweest zijn.

Het begint er sterk op te lijken dat, nadat het gezag dat hem al ontsnapt is in eigen stad, hij nu ook de controle kwijt is over de gebeurtenissen in Vlaanderen. Stafford legt de Poperingenaars zware voorwaarden op. Schadevergoedingen, het uitleveren van twaalf gijzelaars aan Ieper. Twintig belhamels worden verbannen naar Engeland. Het produceren van beschermde lakensoorten is taboe. De detailverkoop van laken, die aan de basis lag van het conflict, wordt ten strengste verboden.

Elk jaar zullen de Poperingse schepenen moet zweren om de verbintenissen na te leven op straffe van een aanzienlijke boete in geval van een eedbreuk. De kleine steden binden wat in als ze zien welke brutale overmacht de grootsteden gebruiken om hun posities te handhaven. Maar nog voor de zomer van 1344 is er sprake van geschillen in Kortrijk, ‘Dixmude ande int Westlant’. Ook Brugge en Damme beleven in juli turbulente dagen.

In augustus wordt te Gent eerste schepen Parijs vervangen door Jan van der Vloet. Het nieuw aangestelde stadsbestuur oogt zwak. Cliëntilisme is de norm. Het zijn de ambachten die regeren. Elk voor zich en tegen elkaar. De magistraat kijkt machteloos toe. Alsof dat op zich al niet voldoende is, ontstaan er nu nog nieuwe wrijvingen met Frankrijk en begint de graaf zich weer te roeren. Het botert niet tussen Brabant en Vlaanderen en ook Henegouwen heeft zo zijn bezorgdheden ‘omme vele bederven van beede den landen’. Van de veelbelovende coalitie blijft niet veel meer over.

Wanneer de steden van Henegouwen in het voorjaar van 1345 door Gent, Ieper en Brugge zullen verzocht worden om hun bondgenootschap opnieuw te beëdigen, antwoorden die niet eens. Jacoppe weegt met zijn rijke ervaring wel nog steeds op het buitenlands beleid van Vlaanderen. In het najaar van 1344 ‘voer Jacops wijf van Aertevelde in Ygeland omme te spreken omme dachterstelle dat hij de stede sculdich is’. Maar in Gent wordt zijn leiderschap nu al openlijk in twijfel getrokken. In november vermelden de bronnen een bode ‘uten Westlande aan Jacoppe ende an der Gherarde’.

Het is blijkbaar al geweten in de Westhoek dat er rekening moet gehouden worden met Geeraard Denijs, de deken van de Gentse wevers, die zich op het niveau van Artevelde heeft opgewerkt. Geeraard Denijs is een man van de stad. Leider van en vergroeid met zijn wevers. Ongetwijfeld een impulsieve volksmens. Maar niet opgewassen om het land te besturen. Als het ware een tegenpool van Jacoppe Artevelde. Maar de diepe zin van het tijdsgebeuren ontgaat hem volkomen.

Frankrijk, Engeland, Brabant ontwikkelen zich tot naties. En ook in Vlaanderen is dat proces al begonnen. Maar wat Denijs ziet, is enkel zijn stad. De tijd van de feodale versnipperende Europese mozaïek is voorbij. De rol van de zelfstandige heerschappij van de steden is uitgespeeld. En dat beseft hij niet eens.

De komst van Geeraard Denijs is van goudwaarde voor de graaf en zijn Franse opperleenheer. In de plaats van de gehaaide en geschoolde Artevelde, komt een bekrompen en enkel op zijn eigen clan gefocuste en bijzonder rancuneuze partijman. In Gent hebben ze ongewild al de rode loper klaargelegd voor de herintrede van de Franse monarchie in Vlaanderen. Als begin 1345 blijkt dat het niet meer vlot tussen Denijs en Artevelde, wordt de loper nu helemaal open gerold.

De Mont vraagt zich terecht af of Jacoppe en zijn vrouw Katelijne in deze periode pogingen ondernemen om zich terug te trekken uit hun ondankbare en onbestuurbare thuisstad en proberen te verhuizen naar Engeland. Edward III beloont hem in elk geval met een koninklijke gift, een pensioen uit dankbaarheid om wat hij gedaan heeft voor de overzeese belangen van Engeland. En misschien wil Artevelde zich voortaan enkel nog focussen op de nationale belangen van Vlaanderen.

Door fysiek afstand te nemen van Gent, kan mij misschien een grotere rol spelen voor alle Vlaamse steden. Met het accepteren van het koninklijk pensioen, begaat Artevelde een politieke blunder. Hij verliest op slag zijn aureool van onafhankelijk leider van Vlaanderen door openlijk toe te geven dat hij nu uit de handen van de Engelsen eet. Jacoppe is niet langer verknocht aan Engeland. Nu is hij ook verkocht aan de Angelsaksen!

De strenge beteugeling van het verzet in Poperinge, blijft niet zonder gevolgen. In het voorjaar van 1345 borrelt de sociale onrust onbedwingbaar op. De Gentenaars dwingen Dendermonde om in te binden na een maandenlang dispuut ‘omme de vout van den lakene’. Er breken onlusten uit in Oudenaarde. Aalst en Geraardsbergen worden onder Gentse voogdij geplaatst in afwachting van de aanstelling van een nieuwe baljuw. En ook in Kortrijk is het volop koekenbak wanneer de pointingen worden opgeëist.

Hoe meer onrust er heerst in de Vlaamse steden, hoe liever graaf Lodewijk het heeft. In maart acht hij zijn tijd aangebroken om een hernieuwde poging te ondernemen om het land binnen te komen. Op 20 april beraadslagen gezanten van Vlaanderen en van Gent over zijn verzoek. De vergadering gaat door in Menen. Lodewijk van Nevers wil terugkeren naar Vlaanderen op voorwaarde dat de alliantie met Engeland wordt opgezegd. Zijn eis wordt niet ingewilligd. De graaf heeft een alibi gezocht en gevonden. Kort daarop neemt hij sinds lang opnieuw zijn toevlucht tot geweld.

De onderhandelingen te Menen betekenen een brug te ver voor Jacoppe die zich al sinds 1342 hardnekkig heeft verzet tegen diens terugkeer. ‘De graaf laten terugkeren, was als het inviteren van de duivel in Vlaanderen’. Maar Geeraard Denijs wil wel onderhandelen over zijn terugkeer. En dat is zeer tegen de zin van Jacoppe. De Gentse stadsarchieven maken duidelijk dat de boden van de graaf zich plots niet langer wenden tot Jacoppe maar ‘an den heere Gheeraerde Denijs’. Het wordt duidelijk: Denijs heeft Artevelde niet alleen verdrongen van het stadsbeleid, maar wil nu ook zijn zeg op het buitenlands beleid.

Alles valt samen met de onderhandelingen te Menen. Zijn vroegere medewerkers blijven op post tijdens de onderhandelingen. Dat laatste betekent voor Jacoppe Artevelde het ultieme sein dat hij voortaan een aanvoerder is zonder troepen. Als politieker is hij tot op de draad versleten. Hij laat de eer aan zichzelf en stapt op. De vaststelling dat de geschiedenisboeken het amper hebben over dat ontslag, bewijst dat hij al minstens een jaar een schim van zichzelf was, en dat hij psychologisch al in 1344 van het beleid was verdwenen.

Koestert hij nog ambities om door de grote poort opnieuw binnen te komen in Vlaanderen? Dan mag hij die ambities waarschijnlijk opbergen op ‘kwade maandag’ 2 mei 1345. Gentse volders en ambachtslieden geraken op de Vrijdagmarkt slaags met de wevers. ‘Slaags’ is eigenlijk een understatement: honderden volders worden afgeslacht en in de Leie gegooid. Onder hen hun deken Jan de Bake. Een loongeschil lijkt op het eerste zicht aan de basis te liggen. De volders worden schabouwelijk betaald en proberen kost wat kost hun lonen omhoog te krijgen.

De aan de gang zijnde recessie heeft het stadsproletariaat tot op het bot gepijnigd. Die zorgt voor een opflakkering van de intense wrok tussen de wevers en de volders die er al was in 1326 en die latent aanwezig gebleven is tijdens het bewind van Artevelde. De gulden middenweg die Artevelde voortdurend probeerde te volgen, is verleden tijd. Kwade maandag is zeker een kwade dag voor Jacoppe. Nu is er zeker geen plaats meer voor een beleid van verzoening. De kolkende hartstochten van de Gentenaars sleuren Geeraard Denijs gewoonweg naar de macht.

Wat de komende jaren zal volgen, is een dictatuur van de wevers. Het delicate machtsevenwicht dat Artevelde zo koesterde, is brutaal doorbroken. De tegenreactie van grafelijke zijde zal snel volgen. Op 13 januari 1349, ‘Goede Disendach’, zullen Denijs en zijn wevers op hun beurt verpletterd worden en hun leven eindigen in het water van de Leie. Maar laat ons terugkeren naar de gebeurtenissen van mei 1345.

De Gentse broedermoorden zijn als koren op de molen van de graaf. Na het afspringen van de onderhandelingen in Menen, voert hij in Henegouwen onderhandelingen met misnoegde Dendermondenaars. Het gaapt als een oven: hij belooft hen bijstand en zij zweren hem trouw en beloven zich voortaan te distantiëren van die van Gent. Een regelrechte oorlogsverklaring tegen Gent! Lodewijk van Nevers en zijn naaste medewerkers nestelen zich in Brabant. De geslepen, doortrapte en oorlogszuchtige Jan van Brabant heeft zo zijn eigen agenda. Hij laat de graaf gedijen, paait de Vlamingen, maar is stilaan zijn kar aan het keren.

Zijn toekomst ligt in een alliantie met Filips van Valois en niet langer bij die Engelse ‘loser’ Edward III. Op 12 mei 1345 worden de Gentenaars zich bewust van het gevaar dat aan het oprukken is vanuit het oosten. De waakzaamheid stijgt. De grens ter hoogte van Aalst, Waasmunster en Hulst, wordt met de hulp van de Bruggelingen versterkt. De jongste Zeger van Kortrijk wordt tot ruwaard benoemd. Verrassend genoeg lijkt Artevelde opnieuw mee te spelen. Hij zetelt niet meer als hoofdman, maar zijn persoonlijke aanwezigheid blijft indrukwekkend en essentieel voor de Gentenaars die wars staan van al dat geweld.

Het bloedbad van kwade maandag heeft veel gematigden wakker gemaakt en er komen verschuivingen in het schepencollege om dergelijke uitspattingen in de toekomst te voorkomen. Denijs en zijn extremisten geraken er alleen maar meer verbitterd om! Voorlopig kan Geeraard Denijs niets anders doen dan de teruggekeerde Artevelde te gedogen. Jacoppe en zijn echtgenote Katelijne vertrekken in juli 1345 ‘tIngenlandwaard om te spreke van den ghelde dat hij der stede tachter es ende van andere bederven van der stede’.

Het komt er op neer dat de Arteveldes hulp gaan vragen in Engeland om in Vlaanderen de puntjes op de ‘i’ te komen zetten. Het is nu nog alleen een kwestie van tijd vooraleer de bom zal barsten. De Engelse koning heeft Vlaanderen de voorbije jaren zwaar verwaarloosd en de stilzwijgende Jacoppe aan zijn lot overgelaten. Zelfs het aftreden van de hoofdman begin mei, kon zijn interesse niet opwekken. Maar nu de hertog van Brabant een alliantie dreigt aan te gaan met zijn Franse aartsvijand, wordt hij plots wakker. Hij moet dringend de oversteek maken naar Vlaanderen om te verhinderen dat dit land hem zal ontglippen.

Jacoppe is plots weer de allerbeste vriend van de Engelsen als hij hen komt informeren over het dreigende gevaar. Op 5 juli 1345 ontscheept een indrukwekkende Engelse vloot in Sluis. Artevelde trekt naar de Zwinstreek om zijn bevrijder te verwelkomen. De voorbije jaren werden de Engelsen niet meer ernstig genomen en een verwaarloosbare factor in Europa. En zie: nu duikt de Engelsman plots weer op: geharnast en dreigender dan ooit. Jan van Brabant doet het in zijn broek en duikt onder. In Gent stijgt de onrust.

Het verraad van Jan van Brabant heeft gezorgd voor een complete ontnuchtering bij Edward III. Gedaan met de onbetrouwbare vorsten van Henegouwen en Brabant. Voortaan zal hij enkel en alleen nog aanleunen bij de Vlaamse volksmacht. De tijd is aangebroken om schoon schip te maken en zijn trouwe medestanders flink in het zadel te zetten. Zijn toon is kordaat en gebiedender dat ooit voorheen. Hij wil een vernieuwing van het Vlaams-Engelse verdrag op de meest zuivere manier. Artevelde wijkt niet meer van zijn zijde daar in Sluis.

Voorlopig heeft hij niets te zoeken in Gent. Zijn plaats is naast die van Edward. Ondanks de verwoede pogingen van Geeraard Denijs om Jacoppe weer te laten terugkeren. Denijs beseft dat Artevelde zal terugkeren uit Sluis als de machtigste man van Vlaanderen en als de virtuele stadhouder van Edward te Gent. Sinds zijn machtsovername in mei heeft hij alleen maar terrein verloren. De koning negeert hem volkomen. Er zit niets anders op dan zich schrap te zetten en zich af te zetten tegen de nieuwe situatie. Hij trommelt het volk op met roddels en verdachtmakingen ten aanzien van Artevelde.

De hertog van Brabant doet er nog een schepje bij. ‘Jacoppe heeft Gent verkocht aan de Engelsen.’ Het kan en het zal niet waar zijn. Er breekt een algemene staking van de ‘weverie’ uit. De heetgebakerde wevers zijn er al helemaal van overtuigd dat Jacoppe bezig is met land en zijn stad daar in Sluis aan het versjacheren is. Denijs doet niets om die lasterpraat te weerleggen. Waarom zou hij? Er wordt in Sluis koortsachtig gewerkt aan de terugkeer en de comeback van Artevelde en aan een vernieuwde alliantie met Engeland.

In Gent mobiliseert Denijs de straat. Jacoppe wil, voor alles, zijn levenswerk veilig stellen en leeft in het veilige besef dat Geraard Denijs geen partij is voor de koning. In de nabijheid van de koning, durft zelfs Denijs hem niet aanvechten. De graaf doet nog een ultieme poging om zich in de onderhandelingen te mengen, maar hij vist achter het net. De Vlaamse steden hebben de ‘bezeghelinge’ opnieuw gezworen. Artevelde heeft zijn slag thuisgehaald.

Op 17 juli komt Jacoppe Artevelde eindelijk terug ‘Ghentwaard’. Samen met een handvol reisgezellen, waagt hij zich binnen Gent. Hij die altijd zo voorzichtig en omzichtig is, moet geweten hebben dat het levensgevaarlijk is om dat te doen. Een reeks van ijlboden hebben hem de voorbije maanden bericht over het gepor van Denijs. Weet hij dan niet dat zijn eigen volk opgezweept is en hem niet meer wil en kan luchten?

Vreemd toch dat Artevelde willens nillens in de muil van de wolf binnenstapt. Jacoppe komt oog in oog te staan met een aanzienlijke meute met een briesende Denijs aan het hoofd. Hij slaagt er nog in om in zijn woning te raken, maar al gauw wordt zijn huis belegerd door het ‘gruis’. Hij doet wat hij kan om de menigte te kalmeren en te overreden maar zijn stem gaat verloren in het geraas. Er zit maar één iets op, en dat is om te vluchten. Maar daarvoor is het al te laat. Zijn deur wordt door het gepeupel ingestampt. De briesende wevers achtervolgen Artevelde en tien van zijn trouwe medewerkers tot in de stallingen. Ze worden allemaal genadeloos afgemaakt. Jacoppe en de zijnen hebben hun leven gelaten voor hun idealen.

Het zou natuurlijk wat gemakkelijk zijn om Geeraard Denijs zomaar de schuld te geven van deze moorden. Mogelijk overdrijven de kroniekschrijvers als ze hem betichten van voorbedachtheid en moord. Dat Artevelde vermoord is door het opgehitste volk, staat als een paal boven het water. Denijs was de aanstoker, maar wilde hij Jacoppe effectief dood? Geeraard Denijs zit kort na de feiten met een probleem. De moord op Artevelde en de zijnen werd door hem persoonlijk betaald.

Het volk mag dan wel briesend en boos geweest zijn, maar in wezen gaat het hier om een ordinaire afrekening. Een huurmoord. Het probleem van Denijs is dat de stadsrekeningen melding maken van de terugbetaling van het bloedgeld aan hem persoonlijk. De lieden ‘die met hem ledich ghinghen in den orbore van der stede’ worden vergoed ‘van hare pijne ende verliese van verjare’. Ze worden vergoed voor hun moeite en hun werkverlet. Tijdens zijn leven komt hij weg met die wetenschap door de bewuste passage in de stadsrekeningen te laten schrappen en te laten overschrijven.

Enkele eeuwen later zullen scheikundige middelen zijn bedrog aan het licht brengen en het bewijs van zijn troebele activiteiten leveren. Als een koelbloedige moordenaar heeft hij dus ook alle sporen willen uitwissen die in zijn richting wezen. Hij en hij alleen is aansprakelijk voor het tragische einde van Vlaanderens eerste staatsman. Met die schrapping heeft Geeraard Denijs eigenhandig zijn schuldbekentenis ondertekend.

Welke overeenkomst heeft Artevelde eigenlijk afgesloten net voor zijn dood daar op het grote Koninklijke schip ‘De Christophe’ in Sluis? Een Vlaamse kroniek, althans een 15de eeuwse kopie ervan, nog altijd goed en wel bewaard in Brugge, geeft de details van de afspraak van juli 1345: ‘Dies zeyde de coninc van Ingheland tot Jacoppe van Aertvelde, dat hij wilde dat hem alle steden van Vlaendren zouden gezeghelen tland van Vlaendren eeuwelicken voor hem ende voor zinnen naercommers, en dat hij wilde dat de grave Lodewijk hem manscip doen zoude van den graefscepe Vlaendren.

Hierin consenteirde Jacop van Aertevelde ende beloofde hierin zijn beste te doen’. Edward en Jacoppe waren dus van plan om de grafelijke rechten van Lodewijk van Nevers vervallen te laten verklaren en deze toe te wijzen aan de prins van Wales. Wie precies de initiatiefnemer was van deze coup is niet helemaal duidelijk.

Geschiedschrijver Froissart argumenteert dat het voorstel van de introductie van de prins van Wales, van Jacoppe zelf komt. Het voorstel verbijstert de Vlaamse gezanten die hem vergezellen en die hier niet op zijn voorbereid. ‘Ze keken naar elkaar en wisten niet wat te zeggen’. Ze trekken zich even terug om te beraadslagen om dan ietwat onrustig mee te gaan in de denkpiste van hun leider. Maar ze vrezen de ‘damages, blames en traïson trop grande’ van de voorstellen. Sommige onderhandelaars geven de voorkeur aan Lodewijk van Male, de jonge zoon van Lodewijk van Nevers, die misschien deze keer zelf zijn Vlaams erfgoed zal begrijpen. ‘Lodewijk van Nevers als officiële graaf van Vlaanderen dus vervangen door de prins van Wales’.

Dat is de stelling die lang behouden blijft. Tot dat de geschiedenisschrijvers van de 19de eeuw zich er mee gaan bemoeien en er een authentiek stuk uit de Britse ‘Record Office’ opduikt. In dit archiefstuk staat te lezen dat Edward, twee dagen na de dood van Jacoppe, op 19 juli 1345, een schrijven richt aan de Bruggelingen waarin hij uitdrukkelijk verklaart Lodewijk van Nevers en zijn nakomelingen verder als de wettige graven van Vlaanderen te erkennen op voorwaarde dat zij hem persoonlijk als soeverein huldigen. Zo ze dit weigeren, zullen ze uit het land verbannen blijven en zal Vlaanderen verder geregeerd worden ‘par ceux qui sont nos foialx habitanz’, dus door de steden die daarbij hulp beloofd worden indien iemand hen zou verontrusten.

Staat die Britse tekst haaks op de Vlaamse kronieken van die tijd? In Sluis zal er beslist zijn om de Dampierres niet onmiddellijk van de troon te stoten. Dat lijkt duidelijk. Er wordt veel over heen en weer gepalaverd, maar het lijkt er toch wel heel sterk op dat de Vlaamse kronieken het hebben over de verborgen agenda van de deal te Sluis, waar de brief aan de Bruggelingen een logisch voortvloeisel van is. In theorie worden de rechten van de graaf gevrijwaard. Hij en zijn nakomelingen behouden hun grafelijke status in Vlaanderen. Maar ze weten heel goed dat de voorwaarden, de erkenning van Edward als opperleenheer, een conditio sine qua non zijn. Onaanvaardbaar.

In de verdragen van Esplechin en Malestroit waren het alleen de steden die een voetje voor konden steken tegenover de terugkeer van de graaf. Met de deal van Sluis eist de Engelse koning nu plots ook medezeggenschap in diens terugkeer. Na het ingrijpen van Edward te Sluis, staan de zaken nu totaal anders. De koning plaatst de graaf voor een onmogelijke keuze: onderwerping of verbanning. Het is kiezen of delen voor graaf Lodewijk. Kiezen voor zijn Engelse opperleenheer of de verbeuring van het leen van de Dampierres.

Het niet kiezen, zal de Engelse monarch legitimeren om nu definitief af te rekenen met zijn weerspannige leenman en om in één beweging de prins van Wales in zijn plaats te positioneren. Voor Jacoppe moet dit als muziek in de oren geklonken hebben. Vlaanderen zonder vorst laten was onhaalbaar. Kijk maar naar de anarchie die zich ontwikkeld had in Gent en zowat overal doorheen Vlaanderen. Met Lodewijk van Nevers had hij het al jaren gehad. Het perspectief van de nieuwe graaf van Wales was nieuw en aantrekkelijk en bood een gedroomde oplossing. Het is dus zeker mogelijk dat het voorstel van de hand van Jacoppe zelf is geweest. Het klinkt paradoxaal. Maar toch is het zo.

Jacoppe sterft meerdere keren. Na zijn dood in zijn huis aan de Kalandeberg, in het hartje van Gent, wordt hij nu volledig afgemaakt door de kroniekschrijvers. Het begint al in de 15de eeuw wanneer een Franse schrijver beweert dat het stoffelijk overschot van Artevelde eerst in een nonnenklooster werd begraven en daarna ‘désenterré par le peuple et gectié aux champs, qui depuis fut dévouré par les bestes et oyseaulx’. Het officiële Vlaanderen doet alsof hij nooit bestaan heeft. Geen enkele kroniekschrijver van zijn tijd acht het nodig om hem te vermelden. Zijn hinderend lijk wordt weggemoffeld in de gordijnen van de tijd.

Alleen in het volksgemoed wordt de nagedachtenis van Jacoppe bewaard en geëerd. Als de nieuwe graaf zal aantreden, zal hij het zevenjarig bewind van Artevelde rangschikken onder de tijd van ‘des esmeutes de Jake de Hartevelde et de ses adherans’, maar wordt hij op zijn minst erkend als ‘notable capitaine’. Na een tijdje zal Lodewijk van Male zich zelf niet langer verzetten tegen de terugkeer van Arteveldes vrouw, kinderen en familie. Jean Froissart uit Valenciennes is acht jaar als Jacoppe vermoord wordt. Hij zit nog op de schoolbanken. Hij ontpopt zich enkele decennia later tot de meest bekende kroniekschrijver van de 14de eeuw.

Hij is het die aanvangt met een eerste levensschets van Artevelde. Een kluwen van werkelijkheid en verzinsels verraden de Franse invalshoek maar hebben het hoe dan ook al over de ‘beleeder’ met al zijn grootheid en zijn staatsmanschap. Zijn werk is boeiend om te lezen. Historici noemen het niet echt nauwkeurig. Maar is geschiedenis ooit wel nauwkeurig? Bij Froissart lijkt het er althans op dat Artevelde dan toch zijn terecht plekje in de geschiedenis zal krijgen. Op welke bronnen baseert Froissart zich? Het blijkt een zekere Jehan le Bel te zijn, een Luikse priester, adept van de Franstalige adel, tijdgenoot van Jacoppe en goed bevriend met Jan van Henegouwen.

Hij schrijft dat Artevelde een erg nors, wijs en intelligent man was, die zo machtig was dat heel de stad Gent aan hem en aan zijn wil was onderworpen. In Gent werd hij steeds begeleid door zestig of tachtig gewapende lijfwachten waarvan er amper twee of drie zijn geheimen kenden. Jean le Bel vertelt verder. Als Artevelde iemand tegenkwam die hem niet aan stond of die hij van iets verdacht, dan was die persoon zo goed als dood, want hij had zijn aanhangers, de Witte Kaproenen, het volgend bevel gegeven: ‘Als ik iemand ontmoet en ik geef een bepaald teken, doodt hem dan terstond, hoe belangrijk of hooggeplaatst hij ook mag zijn, zonder op enig verder gebod te wachten.’

Jacoppe zou zo erg gevreesd zijn geweest dat niemand het aandurfde om hem aan te kijken, laat staan hem aan te spreken. Jehan le Bel schildert hem af als een argwanend en bloeddorstig despoot. Schrijver De Mont onderzoekt in zijn boek wat er waar is van die beweringen. Hij ontwart de feiten waaruit deze legende is geboren. Artevelde beschikt over een lijfwacht van 21 man. Hij is waakzaam. Dat blijkt uit de scherpe politiemaatregelen die getroffen worden wanneer hij aan de macht komt. Hij heeft minstens enkele manslagen op zijn kerfstok.

En er zijn inderdaad van die rumoerige dagen geweest dat zijn persoonlijke escorte noodgedwongen moest uitgebreid worden met de in totaal 134 lijfwachten van de andere 4 hoofdmannen. Zijn lijfwachten bewaakten zijn woning als een ultra-beveiligd bastion. Het zal in die dagen zeker veiliger geweest zijn om hem uit de weg te gaan. De beweringen van le Bel zijn dus waar, maar geven een fragmentarisch en een uit de brede context gerukte episode weer waarbij Jacoppe zich als een duivel in een wijwatervat moet zien te redden in het kolkende Gent tussen 1343 en 1345.

Froissart nuanceert inderdaad zelf al de persoon die Jacoppe was. Hij schrijft over hem als een onweerstaanbare spreker; ‘si bien en la grasce des Flamens que i les menoit ou il le voloit’. Zo geliefd bij de Vlamingen, dat hij kon doen wat hij maar wilde. Hij werd waardig bevonden om Vlaanderen te regeren, want ‘il avait grant sens et belle parleure’ volgens zijn toehoorders.

Noch Froissart, noch le Bel verstoren de levenswandel en de serene grafrust van Jacoppe Artevelde zo erg zoals diens eigen zoon Filips Artevelde dat doet in het jaar 1382. De tweede Artevelde is beter opgeleid en geschoold dan zijn vader. Hij is veel meer de zoon van zijn moeder Katelijne die na de dood van Jacoppe hertrouwd is met de heer van Baronaige. Filips heeft zijn vader amper gekend, groeit op in Engeland en komt pas later aan in Gent.

Hij heeft het forse temperament van zijn vader, maar zijn hersenen functioneren fanatieker. De temperende rust van zijn vader ontbreekt. Hij is een vechter en totaal geen staatsman. Hij koestert een sacrale verering voor zijn overleden vader. Wraak om wat ze in Gent met hem hebben gedaan, is zowat zijn enige drijfveer. Zijn kortstondig bewind wordt een bloedig en ruw plagiaat van zijn vaders bestuur. Een karikatuur van de politiek van vader Jacoppe.

Na zijn dood tijdens de veldslag te Westrozebeke van 1382, blijft de naam ‘Artevelde’ onherroepelijk gekoppeld met de gedoemde zaak van de rebellie. Filips is onbezonnen opgestaan tegen het vorstelijk absolutisme. Het uitgewiste en vervaagde grafschrift van zijn vader, wordt nu vervangen door de term ‘rebel’. De naam ‘Artevelde’ zal de volgende eeuwen verder vervagen tot een vluchtige schim uit te verleden.

Het zal duren tot 27 juli 1812, vooraleer de Franse prefect van Gent in omfloerste woorden zal toegeven dat Artevelde geen avonturier was, maar een man van aanzien. Een staatsman. Het hek is nu voorgoed van de dam. Enkele jaren wordt hij definitief gepromoveerd tot een echte seigneur: ‘le Courtisan le plus adroit et le premier Homme d’Etat que l’on connoissoit.’ In 1859, meer dan 500 jaar na zijn dood, bestelt de Belgische staat een kolossaal standbeeld voor de illustere staatsman.

Het kan eindelijk geen kwaad meer om hem te negeren en hem als Vlaamse leider te erkennen. In 1869 wordt het massieve bronzen beeld feestelijk onthuld. Maar op de keper beschouwd, lijkt het beeld niet erg op de man van geest, vlees en bloed die Jacoppe ooit geweest is.

Wat Jacoppe Artevelde gerealiseerd heeft in zijn leven is fabuleus. Hij verdient de onsterfelijke roem. Zonder hem en met die verraderlijke Fransman Lodewijk van Nevers, zou het graafschap Vlaanderen onherroepelijk de weg opgegaan zijn van Frans-Vlaanderen. Artevelde is er niet in geslaagd om een westerse grootmacht te stichten met Gent als hoofdstad en Vlaanderen als kern. Maar dank zij zijn droom, heeft hij zijn land behoed voor ontaarding en inlijving bij Frankrijk. Dat wij op vandaag nog Vlamingen en Belgen zijn, hebben we vooral te danken aan Jacoppe Artevelde.