Magdalena Ledau, alias ‘Scheve Leene’

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     372 Views     Leave your thoughts  

Scheeve Leene, bekende Brugse toveres

Ondanks Magdalena Ledau ‘gheboren van Roeselaere’, reeds op 27 februari 1589 wegens haar ‘superstitiën ende ceremoniën’ in conflict gekomen was en haar het streng verbod werd opgelegd voortaan ‘haer te behelpen met tooverie ofte onttooveren’, werd ze opnieuw drie jaren nadien, op 14 augustus 1592 ‘uuten huuse ghehaelt’ en voor een tweede maal voor de Brugse magistraat gebracht.

De verbalen van informatie lopen tot 29 mei 1596 zodat het onderzoek minstens zeven jaar aanliep. Jammer dat verscheidene stukken uit het dossier teloor gingen, zodat niet kon uitgewezen worden welk lot Magdalena Ledau beschoren werd.

Het geval levert desondanks zulke precieze details en werpt bovendien een zo helder licht op de onvoorstelbare creduliteit die onder onze voorouders heerste, dat het de moeite wel loont het geval beknopt te behandelen.

Voor de ‘Heeren vander Wedt’ beweert Magdalena Ledau, algemeen in de wandeling alhier onder de lapnaam van Scheeve Leene bekend, hoe het op aanzetten van haar patiënten is, dat ze opnieuw in haar verboden praktijken verzeilde.

‘…tsydert ghequollen gheweest te zine van diveersche lyeden om hemlieden te ghenesen ende ooc omme coyen ende peerden te onttooveren.’

Scheeve Leene genas niet alleen mensen en dieren, maar af en toe, deed ook aan waarzeggerij, zoals we verder vernemen. Op de vraag of ze onderricht genoten heeft, ‘zeght niet te cunnen lesen ende scrijven, maer nu drie zoo vier jaren van de baljuw van Meenen eenighe papieren ontvangen te hebben ende van een soldaat een boucxken’.

Enige papieren? Bedoelde papieren golden wat men toenmaals noemde ‘biljetten van hauiznoms’ waarvan de ordonnantie van de Raad van Vlaanderen dato 20 juli 1592 betreffende de toverij, gewag maakt.

Een soort briefjes of biljetten waarop alle slag cabalistische woorden en namen voorkwamen, ‘hoge of stadhuiswoorden’, waar niemand uit wijs kon, maar waaraan onze lichtgelovige voorzaten, hoe geleerd ook een bovennatuurlijke kracht toeschreven.

In een ander geval ten laste van Pieter Troch in 1634 eveneens van toverij verdacht, lezen we, betreffende bedoelde biljetten: ‘…ghevraegt nopende de hautznoms onder hem bevonden, zegt die ghehadt thebben van een boere jonckman ghenaemt Gregorius Lantsoght drinckende tot sevecote die zeyde dat zulcx goet was voor de ghome die op den viant ghynghen om niet ghequest te worden.’

Volgens de bewaarde notulen werd Scheeve Leene tweemaal verhoord, ‘buten alle banden van ijzere ende pijne’ en op 21 november 1592 in de pijnkelder. Hoe ze met de duivel in betrekking kwam? Doodeenvoudig!

‘…zeght tguene dat zij doet gheleert thebben bij een man die bij haer bij nachte is ghecommen staen aan haer rechterzijde ende heeft also de zake begrepen….’

‘…ghevraegt of huere duere open was, zeght dat zij uut ghync om huer ghevouch te maken ende quam aldaer bij haer ende was wit…..’

‘….haer ghezeyt zijnde dat de witten man was een duivel, zeght dat al dat wit es, es goet ende dat zij hem houd voor een inghel Gods…’

Hoe zij onttovert?

De weduwe Pierine Boddens die een bordeel hield in de Vizierstraat rechtover de ‘Graenschure’; ‘zeght op eedt dat alzoo zij deposante inde eerste weke van laastleden vaesten, bevanghen wierdt met zeer groote pyne int hooft ende verstellinghe van haere zinnen, zoo dat zij eenen gheheelen nacht zeer ontstelt ligghende haer dochter voor de schauwe te zien loopen eeneghe swarte beesten, beduchtende van iemand betoovert te wesen, duerdien de voorsyede pyne haer zoo subitelick anne quam ende niet en wiste wat soort van ziecte dat het was!’

‘s Anderendaags liet getuigde Scheeve Leenen ontbieden. De toveres beloofde dat zij ‘haer helpen zoude indient Godt ende Maria zoo beliefde, belastende de deposante haer te leveren van hare urine, dewelcke zij minghelende met ontrent een halve schotel speesewaetere ofte ghebenedijt waetere heeft tzelve saemen ghezoden (=gekookt) daerinne doende drie nieuwe naghelen, legghende de dezive indien grondt cruyswijs sprekende deze woorden, inde naeme des vaeders, des zoons ende de heilighens gheest, ooc innewerpende eeneghe nieuwe spellen… zeght dat alzoo tvoorseyde waetere ontrent een quartier huers ghezoden hadde, de voorseyde Magdalena tzelve heeft weggestelt ende de deposante bevolen te laeten staene, belovende dat haer ziecte zoude beteren, zoo die ooc bin derden dach ghebetert is; zegt dat de voorseyde Magdaleene haer zeyde dat goet was dat het vrijdach was…’

‘…. zeght dat haer man terstont daernaer zieck wierdt ghelijck of hij van een gheest beseten gheweest hadde, vreesende zij deposante dat het zoude mueghen gheweest hebben duer toedoen van de voorseyde Leene.’

Op 20 mei 1596 bevestigde Laureinsekin Tulpen, ‘huysvrauwe’ van Jacques le Maire, ‘cipier ten steene’ onder eed, hoe ghisteren de vrauwe daer Leene woont, commende ter steene verkende dat Leene haer gheholpen hadde van een gheest die haer quelde die ze zeyde dattet haer mans gheest was die haer quam quellen. Zeght voorts dat de zelve vrauwe zegt, dat Leene ordeinairlic upstaet ter middernacht ende gaet ligghen in de veinster altijts alst schoon weder is, ende dat ze zeght dat ze daer alle dinghen ziet, ende dat ze ziet al de stadt over, ende dat ze dat al weet ende dat ze datte al in de lucht ziet…’

Maeyken Marob, ‘huysvrauwe’ van Franchois Reingout, verklaarde onder eed hoe haar echtgenoot voornoemd uit Brugge vertrokken is, ‘nu gheleden zijnde neghen jaren zonder dat ze tsydert oyt van hem taele ofte teecken ghehadt nochte ghehoort heeft, ter welcke occasie, ze zeere verlanghende naer haeren man voornoemd (de vrouw telde amper 38 jaren) ende wel willende weten of hij noch in levende lyfve es ofte niet, heeft haer over vier jaeren gheadresseert an zeker vrauwe ghenaemt Leene zijnde bij haer ghegaen met noch een ander vrauwe ghenaemt Livyngken wyens man ooc vertrocken es over neghen jaeren.’

‘Naer dat ze wat up sdeponsantes aenzichte ghezien hadde’, ging getuige voort, verklaarde Scheeve Leene ‘dat haer man noch leefde ende dat dander vrauwens am nnoc noch leefde, zegghende totte deposante dattet beter was dat hij bleve daer hij is, zegghende; ‘ghy hebt met hem drouve daeghen ghehadt ende indien ghy met hem in onpaeyse gheleeft hebt, ghy zoudt in noch meerder onpaeys met hem leven indien hij thuys quame; al stont ghy up onze vrauwe torre, ghy en zoudt niet kunnen overzien de droufheyt die ghy met hem hebben zoudt, zegghende dat hij verre van hier was ende dat hij over een groot waeter was, ende dat hij daer met eene andere vrauwe huys hielt….’

A. Strubbe in ‘Brugs Handelsblad’ van 11 januari 1964

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>