Malegijs’ paardje

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       11 months ago     401 Views     Leave your thoughts  

Het was maandag na kleinen tuindag (kermis) van het jaar 1521. Drie jonge dochters, Magdalena Ghijselin, Lucia Larmeson en Maxima Vanden Driessche, als buurmeisjes verenigd, en door de koelte van de vallende avond uitgelokt, wandelden langzaam door de stad.

In de Tempelstraat gekomen zijnde, ontmoetten zij aldaar een klein paard, dat zonder leidsman was en scheen te dwalen. Dit beest was zo wonderlijk schoon, aardig en bevallig van gedaante, dat de drie maagden bleven stilstaan om het te bezichtigen.

Het vel van dit paard was wit, zonder haar en zeer glad; op elke bil vertoonde zich, als of ‘t borduursel ware geweest , een groene papegaai, en om de buik zag men verscheidene ranken met bloemen hangen; de benen waren zo rond als gedraaide pilaren, gouden kwispels vormden de maan, en de staart was van bontkleurige zijden linten samengesteld. Op de rug lag een zadel van rooskleurige damast.

Terwijl de drie maagden zich zo door de ongemene schoonheid van dit paardje lieten vervoeren, kwam er van ver een postknecht toegelopen, die de meester van het verloren beest scheen te zijn. Hij stuurde zich tot die opgetogen vrouwen en vroeg hen of zij wel ooit zulk een welgemaakt paardje hadden gezien.

‘Neen’, antwoordden zij met verrukking. ‘Ik geloof het wel’, ging hij op een beleefde toon voort, ‘want dit paardje komt van Japan. Ik ben er vandaag eerst mee in de stad Ieper gekomen, zijne hoedanigheden maken het nog meer bewonderenswaardig dan zijn uitgelezen gedaante. Het wil zich van geen manspersonen laten berijden, en werpt degenen er af, die zulks durven proberen; maar het is er bijzonder op gericht om juffrouwen te vervoeren, zoals je dat aan zijn schitterend zadel bemerken kan.’

‘Wanneer deze het willen beklimmen, laat het paardje zich direct op zijn kniëen vallen om haar op zijn rug te ontvangen. En indien het u lustte, juffrouwen, eene kleine wandeling er mee te doen, zet er u maar alle drie eens op, en zegt waar je woont of waar je gaan wil, het zal er u met alle genoegen heen voeren, als of het zich gevleid voelt, tot de dienst van de schoonheden te kunnen gebruikt worden.’

‘Wat denk je?’ zei Magdalena die de stoutste was, tot haar twee vriendinnen. ‘Ik heb nog wel eens te paard gezeten en indien je het wagen durft, zal ik mij van voor zetten om te besturen. Jij zet u van achter en kan je aan mij vasthouden.’

‘We zijn tevreden’, antwoordden de twee andere.
‘Sa, heb moed, mijn Malegijspaardje’, sprak de postknecht, terwijl hij het beest streelde, buig je kniëen voor die juffrouwen, zodat ze u kunnen beklimmen.’ Aanstonds viel het paardje op zijn kniëen, en de drie maagden sprongen er op.

‘Ja maar,’ zei Maxima Vanden Driessche tot de postknecht, ‘je mag het paard niet doen lopen of springen, want ik ben bang om er af te vallen.’

‘Vrees niet’, antwoordde de postknecht, het zal niet springen. Zeg maar waar jullie willen zijn!
‘Naar huis’, spraken de drie maagden tegelijk. ‘We wonen nevens elkanders deur in de Recollettestraat.’

‘Sa, je hebt het gehoord, mijn Malegijspaardje, wees gehoorzaam, en rijd met die juffrouwen voort’, zei de postknecht tot het wonderbare beest. Magdalena hield zich bij de toom vast, die een gevlocht zijden koord was, om het te besturen en het fiere beest trad zo zachtjes voort, dat men ternauwernood zijn voetstappen hoorde.

Maar allengskens-allengskens versnelde de loop van het paard, en het scheen eindelijk dat het als een pijl langs de baan vloog. Men was reeds de poort uit eer de drie maagden gewaar werden dat ze misleid waren.

De avond was gevallen en het werd onmogelijk den tocht af te meten die het paard aflegde. Maar opeens hield het stil, en men bevond zich voor een wonderlijk groot kasteel, waarvan de talloze vensters als zo vele vuurovens voorkwamen; zodanig joeg het licht dat binnen in het kasteel was aangestoken zijn stralen er door.

De welluidende tonen van duizenden muziekinstrumenten bekoorden het luisterend oor van de maagden. ‘t Scheen ook alsof men er lustig danste en sprong. Opeens ging de poort van het kasteel open, en het Malegijspaardje met onze drie maagden er op, reed naar binnen.

De postknecht, die niet achter gebleven was, trad ook binnen, en de poort sloot zich vanzelf achter hen, zodat er niemand meer uit kon. Een ogenblik daarna opende zich een zijdeur en menigvuldige kostelijk geklede hof- of jonkvrouwen vertoonden zich aan het oog van de Ieperse maagden.

In het midden van de kamer stond een welopgediste kermistafel, waar aan het hoofdeinde een groot heer zat, die de meester des huize scheen te zijn. Enkele van deze jonkvrouwen stonden op, benaderden de drie maagden en hielpen hen van het Malegijspaardje te stappen, dat andermaal de kniëen boog, en deden ze binnen komen.

Maar de Ieperse maagden van hun verbaasdheid nog niet teruggekomen, baden om verschoning voor de ontijdige verschijning op de kasteel en wilden het verhaal van hun ongeval beginnen. Maar men gaf aan die verschoningen geen gehoor en de maagden waren verplicht het verzoek van de jonkvrouwen in te willigen.

Zij traden binnen. Hun gezicht was nog niet verzadigd van de uitgelezen kleding van al die jonkvrouwen, wanneer hun aandacht reeds op de groten heer was getrokken, uit wiens ogen zulke blinkende klaarte straalde. Zijn kleding bestond in eenen grote tabbaard van damast, die hem het hele lichaam bedekte, en op zijn hoofd had hij een soort van Turkse muts, waar vooraan een klein spiegeltje uitstak en waar van beide zijden diamanten en ander kostelijk gesteenten vastgehecht waren.

Deze heer was niet minder heus dan al die jonkvrouwen en wist door zijn vleiende taal de drie maagden zo vriendelijk aan te halen, dat zij uit beleefdheid een plaatsje aan zijne tafel aanvaardden en een kermisbrokje mede aten. De drie maagden hadden tot na het avondmaal gewacht, om de uitleg van hun ervaring te geven, en wanneer ze de mond gingen openen om naar eeneleidsman te vragen, die hen terug bij hun ouders zou brengen, welke zich reeds over die langdurige afwezigheid moesten bekommeren, richtte de grote heer zich op van zijn zetel op en sprak;

‘Rustig beminden! Nu Malegijspaardje ons het geluk heeft verschaft, die edele juffrouwen van Ieper op dit kasteel te ontvangen, mogen wij niets nalaten om hen deze avond op een aangename en vrolijke wijze te laten doorbrengen.’

‘Laat ons een spelletje spelen, pand. En alsof al de hofjuffers het gedacht van hun heer konden raden, hadden ze zich al in eene ronde geschaard nog voor hij die laatste woorden had uilgesproken.

Zij lieten een plaatsje open voor de Ieperse maagden en praamden hen om zich bij hen te vervoegen. Maar Magdalena Ghijselin sprak; ‘Ik speel niet mee want mijn ouders zouden ongerust zijn, als ik me nog langer zou ophouden.’

‘Ik ook niet’, zei Lucia Larmeson. ‘Ik wil zeker thuis zijn van avondt’, zei Maxima Vanden Driessche, die de jongste was en vreesde bekeven te worden. Maar op die weigering kregen de ogen van den grote heer zulk eene helse uitdrukking, en zijn gelaatstrekken betrokken zich met zulk eene wrede somberheid, dat zij zich weldra in de ronde zetten om zich aan de akelige begoocheling van dit gezicht te onttrekken.

De drie maagden meenden eerst dat hun weigering een onbetamelijkheid geweest was, en verontschuldigden zich reeds van de ongunstige verandering, die zij in de manieren van dit personnage bemerkten. Men speelde pand. Als de beurt aan de drie maagden kwam om de woorden te herhalen, die de grote heer voorsprak, bleef ongelukkiglijk hun gewone behendigheid in het pandspelen in gebreke, en zij waren door zijn gezicht zodanig onthutst, dat zij telkens misten en pand moesten geven.

Dit duurde zolang dat de drie maagden alles moesten afgeven, wat ze bij zich hadden, zo dat ze uiteindelijk al hun goudwerk, zoals oorringen, kettingen, ringen en armbanden, zelfs hun kleren kwijt waren. De maagden wachtten met benepen harten, en in hun hemdsmouwen het einde van dit spel af.

‘Nu’, zei de grote heer, ‘vooraleer we tot de uitdeling van de panden overgaan, moeten wij eens op de gezondheid van het Malegijspaardje drinken, dat die juffrouwen zo wonderbaarlijk op ons kasteel gebracht heeft. Op de uitspraak van die woorden, werden de ogen van al die hofjuffers helderder, en schoten vlammetjes, die onze drie maagden bijna verblindden.

De postknecht trad binnen, schonk de glazen vol, en het schenkbord ging plechtig rond. Het scheen dat de lippen van de groten heer enige geheimzinnige woorden mompelden, en hij, die met onverschilligheid dit toneel had kunnen bijwonen, zou gezien hebben dat zijne Turkse muts veel hoger stond dan te voren, alsof er op zijn hoofd iets verborgen opgroeide, dat haar in de lucht verhief.

Men hefte de glazen op en bracht ze aan de mond; maar wanneer de eerste druppel nat over de lippen van de maagden had gelopen, schenen zij ineens uit een droom te ontwaken en bevonden ze zich onder de blauwe hemel in het bedauwde gras, dat op den bodem van een groote diepte groeide. De begoocheling was verdwenen.

De drie maagden zaten in een put op de Kemmelberg, twee uren van de stad gelegen, alhoewel zij tot nu toe niet wisten op welke plaats ze zich bevonden. Men oordele met welke verslagenheid de drie maagden elkander bekeken. In het midden van den nacht, half naakt en op een onbekende plaats in ene grote diepte gestort, van waar men niets kon ontdekken dan de sterren die aan de hemel glinsterden. Die stomme verbaasdheid maakte weldra plaats aan een wederzijds beklag over hun jammerlijk lot.

Uiteindelijk zoeken ze naar middelen om uit die put te klimmen, dwalen hoofd- en blootsvoets enige stonden op de berg rond en ontwaren een boerenhut, waar zij hun stappen naar toe wenden. Ze kloppen aan de deur; de boer staat op en vraagt wat men begeert. De drie maagden vertellen over hun ongeval en vragen naar de naam van de plaats, waar ze zich bevinden.

‘Op de Kemmelberg’, was het antwoord, ‘en zo ik hoor’, sprak de boer, ‘zijt gij in de bende van de toveressen geweest, die hier alle nachten op de berg een schromelijk gerucht maken; over een uur zelfs ben ik nog opgestaan, en heb mijn hoofd uit het venster gestoken, maar heb niet meer gezien dan een groot licht, alhoewel ik gedurig hoorde spelen, zingen en dansen.

De drie maagden smeekten hem om kleren en om hulp; maar de boerin, die van in haar bed alles gehoord had, riep, ‘Neen, Klaas, help ze niet! Ik heb in het gedacht dat die vrouwen, welke zich zo naakt aan onze deur durven vertonen, wel drie toverheksen zouden kunnen zijn, die komen om ons te bedriegen en ons kind te betoveren, want ik hoor het al schreien; laat ze ons liever vastgrijpen en verbranden.’

‘Ik geloof dat je gelijk hebt vrouw’, zei de man, ‘want het is onmogelijk dat drie Ieperse juffrouwen, dochters van treffelijke ouders, op zulk een ongevoeglijk uur, en zonder kleren op den Kemmelberg komen. En hij greep Magdalena, die zich het dichtste bij hem bevond, bij haar blauwe onderrok vast. Lucia en Maxima vluchtten liepen de berg af. Magdalena schreeuwde en worstelde met wanhopige moed; maar er bleef haar weinig kans om te kunnen ontsnappen over, wanneer bij alle geluk de haak van haar rok lossprong.

Dit toeval kwam haar van pas. Zij sprong uit de rok dien ze in de handen van de boer liet en liep weg. Na lang door onbekende wegen gedoold te hebben, kwamen onze schamel geklede maagden met de ogen vol tranen, beschaamde wangen en kloppende harten eindelijk aan een herberg en klopten daar ook.

Zij durfden aan de waard , die weldra opstond, niet meer vertellen hoe zij in deze ellendige staat geraakt waren, uit vrees van niet beter dan de eerste maal behandeld te worden, en verzonnen een leugen. Zij deden de waard geloven dat ze door struikrovers overvallen en uitgestroopt waren geweest.

Dit ongeval boezemde medelijden in. De drie maagden werden binnen geleid en van kleren verzorgd. ‘Maar wie zijn jullie’, vroeg de waard. ‘Ik’, sprak Magdalena, ‘ben de dochter van Boudewijn Ghijselin, en deze twee meisjes wonen naast mijn deur. ‘

‘Hoe, de dochter van mijnheer Ghijselin, mijn vriend uit de Recollettestraat te Ieper!’, riep de waard uit; indien dat zo is, ga ik direct mijn wagen inspannen, waarmee ik verleden week een vracht hout naar zijn huis gevoerd heb, en u nog van deze nacht naar jullie huis zal leiden, waar men zeker ongerust zijn moet.’

‘O doe dit, doe dit brave man’, spraken de drie maagden tegelijk, onze ouders zullen u rijkelijk belonen voor deze daad.’ In minder dan een half uur tijd stond de wagen met een koppel paarden voorgespannen voor de deur van de herberg. De drie maagden, met de kleren van de waardin gekleed, sprongen erop en men vertrok. Men was reeds een uur ver gereden als de waard opmerkte dat hij van de rechte baan was afgeweken.

‘Dat is vreemd’, sprak hij, ‘ik weet de weg van Kemmel naar Ieper zo goed, zoals mijn vader oins dat geleerd heeft en nochtans ben ik een verkeerde straat ingereden. Men kan zich inbeelden hoe bang de drie maagden het kregen wanneer zij aan het Malegijspaardje dachten, dat hen zo bovennatuurlijk over hek en over haag had gevoerd.

‘Dat is toch wel vreemd’, sprak de waard opnieuw, ‘ik kan mijn paarden blijkbaar niet bedwingen. Wij zijn hier nu in het midden van een weide en ik kan niet begrijpen hoe het mogelijk is dat mijne paarden er deze wagen kunnen doortrekken.

En de wagen ging sneller om sneller voort en werd met kracht over grachten, door bossen, over akkers en door beken getrokken. Een schim vloog gedurig voor de paarden heen.

‘Het is de schaduw van Malegijs’, lispelden de drie maagden met de nodige angst. Men kwam eindelijk aan een brede baan, en de wagen stond stil. De paarden dampten van het zweet, dat van hen afliep. De schim was verdwenen, en de dageraad kwam op.

‘De toverheksen van de Kemmelberg zullen ons misleid hebben’, sprak de waard, die zo bleek geworden was als de dood; maar hun rijk is ten einde, want ginds in het oosten verschijnt al het morgenrood. Op dit ogenblik kwam er een landsman voorbij die naar het veld trok.

‘Vriendschap, op welke weg zijn wij hier’, sprak de waard hem toe. ‘Op wat voor weg?’ ‘Ja, ik moet het u vragen, alhoewel het wel erg belachelijk klinkt, want ik zou de weg van Kemmel naar Ieper blindelings doen, zo goed ken ik hem, en nochtans herken ik me hier niet.

De landman glimlachte. ‘Ik geloof u waarachtig wel mijn vriend, ge spreekt van Ieper en je bent er meer dan tien uur vandaan, want je bevindt je hier op de weg van Steenvoorde naar Kassel. Zie je de stad daar in de lucht niet uitblauwen?’

‘O Hemel!’, verzuchtten de drie maagden, ‘hoe konden wij toch zo onnozel zijn van ons op dit Malegijspaardje te zetten; en hun hoofden door te veel ontsteltenis geschokt, zonken ze op hun hijgende boezem neer. Wie weet, waar het einde van die ontvoering zoude geweest zijn, indien het Magelijspaardje niet door het daglicht verrast zou zijn geworden.

Het was met veel moeite dat ze die dag de stad van Ieper bereikten. Men kan zich indenken hoe hun thuiskomst verging in het ouderlijke huis. Blijdschap en verwondering volgden op kommer en droefheid, bij het verhaal van hetgeen ze doorstaan hadden.

Drie jaaren later trouwde Magdalena Ghijselin met Remaclus, en de ongelukkige gebeurtenis, die haar en haar twee vriendinnen ervaren hadden, werd op de wanden van de beste kamer geschilderd met de juiste dagtekening. Magdalena legde het onderwerp van al die taferelen aan haar kinderen uit, die dan weer later hetzelfde aan hun eigen kinderen deden, en zo is allengskens die geschiedenis tot ons gekomen, met de overtuiging, dat er in vorige tijden nijdige toverheksen hun verblijf op de Kemmelberg hielden, in de buurt van een put, die ter vereeuwiging van het verhaalde, de naam van ‘Kinderput’ heeft verkregen.

Jaak Vandevelde – op basis van handgeschreven bronnen – Uit ‘Wodana’ van 1843 – Volkssagen –