Meloenen voor de Polders

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      2 weeks ago     152 Views     Leave your thoughts  

Vanmorgen weer gebiologeerd verder geschreven aan de geschiedenis van Oostende, mijn volgende kroniek. Nu en dan toch weer het voorhoofd gefronst en de bedenking gemaakt dat wij Vlamingen (mezelf inbegrepen) er toch geen flauw idee van hebben wat zich hier op diezelfde grond waar we nu ons leven slijten allemaal heeft afgespeeld. Voor wie een vakantie of dagtrip in Oostende in petto heeft, is onderstaande tekst echt een aanrader. Want zo zag het verleden van onze stad aan zee er uit in 1603. Het schrijven van mijn nieuwe kroniek verloopt tussen haakjes erg vlot. Onderstaande tekst is allemaal het werk van één ochtendje vroeg opstaan. Ik wens jullie alvast een prettig weekend!

De Hollandse staten zijn dus wel verplicht om op tijd en stond nieuwe troepen aan te brengen zolang de mannen vallen als de vliegen in Oostende. Op 23 juni 1603 verschijnt er aan de horizon een talrijke vloot met aan boord onder andere de commissaris-generaal van de Hollanders, een zekere heer Volbergen. Hij heeft de nodige sommen bij om de manschappen in de belegerde stad voor hun prestaties te vergoeden. Jan de Bie, de kapitein van het schip waarmee Volbergen de overtocht maakt, werd belast om de commissaris en de staatspenningen veilig en wel aan wal te brengen in Oostende. Die avond stelt hij voor om over te stappen op een goed bewapend en bezet fregat met veertig roeiers en tachtig gewapende soldaten bij zich want dat zal nodig zijn om zich te verdedigen tegen mogelijke aanvallen van vijandelijke fregatten.

Het wordt een hoogste problematische ontscheping: ‘het bewuste fregat werd door het gewoel van zijn krijgsvolk en door het slaan van de riemen ontdekt door de wachters van de batterij aan de zijkant van de geul. Volbergen en co werden zo geweldig met kanon- en musketvuur begroet dat er aan boord negen bootsgezellen en negenentwintig soldaten gedood of gekwetst werden. Zodat de commissaris niet zonder het grootste gevaar aan land kon komen. Zijn kleren en die van zijn bewaarders waren bedekt met bloed en met de hersenen van de doden. De andere schepen konden ook binnenvaren maar velen waren grotendeels beschadigd. Om nog verder onheil te voorkomen lieten ze in Zeeland een goed uitgerust en bewapend fregat uitrusten om voortaan de binnen- en buitenvarende schepen te begeleiden. Korte tijd later kwam het fregat binnen in Oostende met in zijn zog nog zestien andere transportschepen.’

Tijdens diezelfde junimaand is er een conflict ontstaan tussen gouverneur van Dorp en stadsbaljuw Mailliard Martens waarbij ook enkele bevelhebbers in betrokken worden. De baljuw heeft een aantal valse berichten laten doorsijpelen tot bij de heren van de calvinistische staten. Hij zou het allemaal anders aanpakken en zus en zo. De manieren van een heuse betweter en zijn manipulatie zorgt voor een algemeen ongenoegen zowel bij de bezetters als bij de burgers zelf. De klachten worden onderzicht en leveren alleen maar de vaststelling op dat Martens en van Dorp elkaar niet kunnen uitstaan. Enkele vredelievende personen komen noodgedwongen tussenbeide en kunnen voorlopig verdere wrijvingen voorkomen.

De focus komt weer terecht bij de het groot platform van de ‘Polders’, de gouverneur wil die absoluut terug in zijn bezit krijgen. ‘Met de woede van het kanon’, staat er geschreven. Twee dagen onophoudelijk vuren ze hun projectielen af. Zonder resultaat evenwel waarop van Dorp nu weer zijn toevlucht zoekt om vuurwerk en gloeiende ballen af te schieten en de boel in brand te steken. Iets wat hem eerder goed bevallen is bij het fort van Sinte-Eugenia. Dit keer komt het Sint-Philippus-fort in het oog van de vuurstorm terecht. Een behendige graaf De Frefin kan verder onheil voorkomen voor de koningsgezinden en blust de uitgebroken brand met weinig verlies van mannen. Bij het aanbreken van de julimaand is er na al dit geharrewar dan ook helemaal niets veranderd aan de posities en de stand van zaken bij het beleg.

‘Het was pas in juli dat men door een overloper te weten was gekomen dat gouverneur van Dorp de opdracht gekregen had van Maurits van Nassau om binnen Oostende een plechtige biddag te houden, natuurlijk op calvinistische wijze, om God te bedanken omdat hij de stad tot op vandaag nog altijd beschermd had tegen de Spaanse wapens. Rybas zag er een prima mogelijkheid in om van die biddag gebruik te maken een lanceerde een aanval op een redoute die door de belegerden omschreven werd als de ‘zuidelijke halve maan’. De aanval gebeurde tussen het donderen van de kanonnen en juist op het moment dat de klokken van Oostende de broeders opriepen om te komen bidden. Zo moest iedereen dringend in de wapens lopen in plaats van te bidden, de stad moest wel verraden zijn. De belegeraars die een tikje te vroeg geweest waren met hun aanval zagen dat hun aanslag mislukt was en keerden op hun stappen terug. Maar ze hadden met hun kanon toch wel veel volk gedood in de stad.’

Half juli wordt van Dorp vervangen door Carel vander Noot die deze uitdaging al voor de tweede keer aanvaardt. Van Dorp wordt per direct overgeplaatst. Vandernoot heeft het imago om erg bekwaam te zijn en zijn eerste acties bevestigen in elk geval deze positieve reputatie. Het groot platform dat sinds kort nog een meter of drie is opgetrokken heeft er voor gezorgd dat er geen mens zich nog kan roeren in de stad zonder dat die gezien is. De nieuwe gouverneur trakteert het bastion alvast met een eerste lading hagelbui van kanonballen. Hij wil deze verschrikkelijke redoute te allen prijze vernietigen. Vander Noot laat zich bijstaan door een ervaren vuurwerkmaker, een zekere Philippus Rottegatter die zich sterk maakt dat hij de redoute kan vernielen.

Dit voornemen concretiseert zich in een versterking van de vesten tussen de westelijke poort tot aan Zanthil, zodat de musketschieters er zich zullen beschutten en er kan worden overgegaan tot het plaatsen van enkele artilleriestukken. Tussen half en eind juli heeft het niet geregend, een grote hitte en droogte van twaalf dagen typisch voor een ware zomer, zodat Rottegatter het moment aangebroken ziet om zijn plannen uit te voeren. De aanval begint op 31 juli terwijl de zon al flink aan het klimmen is.

‘Om 9u werden de vermelde kanonnen geladen. Niet met de gebruikelijke ballen, maar met projectielen in de vorm van een meloen. Een eigen uitvinding van onze vuurwerkmaker. Aan het uiteinde van elke meloen was een koperen weerhaak gemonteerd zodat die beter aan het rijshout zouden blijven hangen en niet zo gemakkelijk zou kunnen worden verwijderd. En, inderdaad: de eerste schoten beantwoordden perfect aan de verwachtingen, want nauwelijks had men deze kunstige vuurballen tussen het droog rijshout geschoten of men zag er een roestachtige en stinkende rook uit verschijnen die korte tijd later veranderde in een blauwe vlam zoals men die ziet wegschieten uit een vuuroven. Dit zeldzaam en onverwacht vuur zorgt direct voor grote ongerustheid bij de belegeraars die zich verwacht had aan de gebruikelijke kogels en ballen.’

‘Kolonel Alvaro Suarez die de leiding over de Spaanse loopgraven had, ging ter plekke en gaf orders om het vuur onmiddellijk te blussen. Maar het platform was zo hoog dat men geen ladders vond die groot genoeg waren om tot bij de brandhaarden te geraken. Toen kwam er natuurlijk een koortsig overleg tussen de aanvoerders. Hoe konden ze het vuur blussen en naarmate de belegerden meer en meer van hun geniale ballen in het rijshout katapulteerden, hoe zenuwachtiger de koningsgezinde troepen werden. Een Spaanse soldaat maakte zich behoorlijk kwaad: de mannen konden toch niet met gekruiste armen toekijken hoe hun platformen zouden afbranden, het leek wel of dit het vuur van de hel was en dergelijke schande kon Spanje toch onmogelijk accepteren. Of wel soms?’

‘Dit gezegd zijnde klom hij met een ongelooflijke snelheid langs het rijswerk tot aan de plaats waar de ballen bleven steken, gevolgd door veel andere kompanen die als katten langs het platform klauterden en met haken de vele vuurballen verwijderden. Dat gebeurde natuurlijk terwijl de belegerden er met hun musketten en kanonnen op los schoten om deze bluspogingen te verijdelen. Alvaro Suarez liet kabels en koorden van bovenaan het platform tot aan de grond zinken zodat de klimmers er nog vlotter konden opklimmen en afdalen. ‘Het moet absoluut een hels werk geweest zijn, deze dappere mannen die hun levens wagen in dit inferno van vuur. Jacobus Bowens zou het zelf allemaal erg overdreven en opgeklopt vinden maar de reeks geloofwaardige ooggetuigen overtuigen hem dat niets van wat hij schrijft overdreven is. Ik ga er direct weer naartoe.

‘Angst en vrees voor de dood schenen wel uit de wereld verbannen te zijn. In het Spaans leger vond men zo veel vrijwilligers van alle nationaliteiten, officieren en gewone soldaten die zich met grote vlijt aan de gevaren van een bijna onvermijdelijke dood blootstelden. Probeer u maar eens de ijselijke schrik voor te stellen bij de duizelingwekkende hoogte van het 60 meter hoge platform gecombineerd met het voortdurend gedonder van het kanon en de musketten.’ En ondanks die schrik in hun harten stelden die edelmoedige krijgsmannen hun lichamen bloot aan tweeduizend musketschieters, musketiers die in hen een doelwit zagen. Ze keken toe hoe ze met ongelooflijke behendigheid langs de kabels opklommen tot aan de plaatsen waar de ballen waren blijven steken die ze dan met hun haken zo goed mogelijk verwijderden terwijl de ene na de andere projectielen maar langs hun oren bleven vliegen. Als er een kanonbal tegen een kabel vloog was de dood voor wie er aan vast hing onvermijdelijk. En toch: van zodra er een kabel vrij was, waren er honderden handen bereid om zich er onmiddellijk meester van te maken.’

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>