Mijmeringen over Karel en Ivo

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     192 Views     Leave your thoughts  

Deze week botste ik toevallig op onderstaande tekst van Stijn Streuvels, geboren in Heule in het jaar 1871. De verhalen over zijn kindertijd moeten dus herinneringen zijn aan de tijd voor het jaar 1900. Mijn pet af voor de stijl en de warme nostalgie die hij in onderstaande tekst neerschrijft. Werkelijk ontroerend, vooral nadat ik er zelf wat de oude spelling aangepast heb naar de taal van het heden en zijn oude tekst weer geopend heb. Ik maak een diepe buiging voor een meester die zo’n schone kroniek op papier heeft gezet. Lees zelf maar even, neem even de tijd en geniet van de goede oude tijd. En hoe het leven er toen uitzag. Adembenemend!


De kostelijkste herinneringen uit mijn verre kindertijd, zijn vast aan de winteravonden. (De zomeravonden ook, maar dat is voor een andere keer). Gewoonlijk kwamen we in smodderweer, koud of nat, thuis van school, vroed van den honger aten wij ons vesperei, in de behaaglijke atmosfeer van warme koffie en vers brood, met het niet minder behaaglijke gevoel van de volbrachte dagtaak.

Toen dekte de duisternis heel de wereld onder haar mantel. De lamp werd aangestoken en de luiken dicht gedaan. Met die luiken was dit een hele karwei, waar we bij te pas kwamen: één moest buiten gaan duwen op den bout, de ander langs binnen het scheers insteken, en roepen als het gedaan was.

Van toen voort was het avond, voelden wij ons ingesloten, veilig in de koesterende warmte, afgezonderd van de buitenwereld, waar het nu mocht waaien en tempeesten, regenen, sneeuwen of vriezen, kwadiet, moordenaars, toverheksen wareren in de donkere verten van den nacht. Met er aan te denken liep een krijzeling van wellust ons overhet lijf: we zaten bij moeder thuis!

Toen was de plaag van huiswerk voor schoolkinderen nog niet uitgevonden: we hadden onze avond vrij. Van boeken of lezen moest ik niets hebben, maar met de schilderdoos werd de onbewuste drang van landelijke poëzie, onder vorm van negerkunst, in felle kleuren en stevige lijnen op papier gepenseeld. Tekenen en schilderen is voor het kind zoveel en meer dan de spraak, waarin het zijne gevoelens tracht uit te drukken. Bij mij was het de uiting van het romantisme dat den mens van kindsbeen af ingeboren is: de drang om innerlijke visioenen gestalte te geven en voor mij zelf uit te beelden.

Hetgeen mij te dien tijde als het ideaal voor den geest stond, waren de idyllische zomerlandschappen, waarvan de atmosfeer mij duidelijker was dan het beeld zelf – dingen die ik nooit met de ogen gezien had, maar bekend waren uit de droom, of gesuggereerd door vertelsels en sprookjes. Dat ideale zomerlandschap beeldde ik altijd opnieuw weer uit, met een donkerblauwe vijver op het voorplan, waarop een bootje dobberde, achteraan den oever een lage hutte, met breed overhangend strodak, waarop een schouw en dakvenster, en heel de diepwand gevuld met vlierstruiken en loofboomen, waar het donker lommer de geheimzinnig-bekoorlijke poëzie verscholen hield.

Met onverstoorbaar geduld en taaie moed heb ik dat onderwerp in alle mogelijke varianten bewerkt, zonder er ooit genoeg van te krijgen; het was de blinde drang naar het onbereikbare, om het wazig vervlietende vast te zetten, vorm te geven, dat mij voor den geest stond als het oorbeeld van het geluk… Ik zou veel van mijn bezit afstaan, kon ik die schilderijen nu eens terugzien!

Schilderen en tekenen hoorde bij de individuele vermaken, waarbij elk op zijn eentje aan de bezigheid was en moest gerustgelaten worden. Daarnaast hadden wij de vermaken in het gemene, want we waren met ons vieren thuis. Dan ging het er luidruchtiger toe. Er was de ark van Noë, waarvan de dieren twee en twee naar buiten trokken, of weer binnen gegooid werden; er was het ganzen- en het lotospel, waarvan de kaarten en cijferbolletjes voor bouwkundige constructies dienst deden. Wij speelden op den vloer, onder tafel, met bijeengeraapt materiaal, dat een trein of schip verbeelden moest en waarmede avontuurlijke reizen ondernomen werden. Het gebeurde dat we torens optimmerden die tot aan de zoldering reikten en met geraas instortten, – daarop volgde dan gewoonlijk onweer, slagen, verdriet, ruzie en stilte, die echter niets dan verandering van spektakel voor gevolg had, want de keus liep in het oneindige en aan onze fantasie waren geen grenzen…

Dat gold eigenlijk maar als voorspel van het avondverzet. Het laatste bedrijf speelde in de atmosfeer van gebraden vet met ajuin en de warmen damp van den kokende pappot. Te zes ure was het avondeten. Alleman rond de tafel, en daarna het avondgebed.

Nu brak voor mij het kritiek ogenblik aan: de kwestie van ‘opblijven’. Slapengaan is voor mij altijd een schrikmare geweest: het afbreken van dat vreemd-bekoorlijke gevoel van de huiselijke gezelligheid, waarvan het lamplicht, de warmte van de kachel, binnen de omsloten ruimte der vier wanden, aandeed als een oase midden de uitgestrekte donkerte van de wereld, – die geheimzinnige welligheid, die ik niet bepalen kon, maar het opperste geluk inhield.

Dat opblijven lag bij ons thuis aan vaste wetten, in verband met den leeftijd. De jongste zuster werd voor het avondeten reeds in de wieg gestopt; de oudste was aan den leeftijd dat zij meehelpen moest – die was dan natuurlijk den evenaar over, en had het standpunt van opblijven verkregen. Ik en mijn broer echter hoorden tot het tussenslag, verkeerden in de periode van het twijfelachtige.

Het gebeurde wel eens, als grote uitzondering, dat we onopgemerkt of verscholen, met de nachtkerel aan, nog geduld werden, maar het duurde nooit lang: vader en moeder waren gesteld op rust en stilte na het eten, en met knechtjongens was dit onmogelijk. Ik was twee jaar de oudste, en had dus eenigszins aanspraak mogen maken op de prerogatieve gunst, maar het ongeluk wilde dat die jongere broer al zozeer gesteld bleek om op te blijven als ik zelf, en daarbij afgunstig was. We sliepen immers in één bed, en die snotvent wilde er niet in zonder mij, gaf als voorwendsel op dat hij bang was alleen, zette zijn keel open en viel aan het huilen, zodat ik, om de lieve vrede, met hem mee moest. Er bestond echter een geheime afspraak: eens dat hij in slaap was, mocht ik er weer uitbijzen en mijn plaats opnieuw innemen bij de gezellige huiskring. Met zulk vooruitzicht stribbelde ik nooit tegen om op tijd te gaan slapen, ik was eerder gehaast, om zo gauw de nachtkerel aan, op te trekken.

het Was onze gewoonte te liggen vertellen in bed, maar nu zweeg ik verstokt en viel maar aanstonds aan het snurken. Hoe heb ik dan met angst en ongeduld liggen afwachten, nijdig geworden toen, na lange duur, mijn hoop verijdeld werd, en die sloeber te neuriën lag als ik meende dat hij reeds aan het dromen was. Want de kostelijke tijd verliep, – het waren zoveel minuten ten ondomme, en de angst bekroop mij dat het te laat zou worden… Eindelijk kwam er stilte, nog even wachten, voor alle zekerheid een lichte stoot, hoesten, en als uiterste proefneming zachtjes zijn naam fluisteren… En nu met kloppend hart, voorzichtig, stil er uit gebeend en weg!

Nu kwam de keuken mij voor als een heiligdom, met het verhoogde genot omdat ik de bevoorrechte was en dat genot voor mij alleen had. Met prentjes kijken, kasteelen bouwen met speelkaarten, ging mijn kinderfantasie de hoogten in van het toverland. Mijn geluk was echter al te kort van duur en werd op akelige wijze verstoord. Er verscheen een spook!

Eene onvoorzichtige uitlating – want, wie kan zijn geluk verzwegen houden? – te stout geworden, te nalatig met mijne voorzorgen, te ongeduldig? Wie zal het zeggen? Had mijn broer lont geroken? Ik had het moeten raden, want die avond was hij zo subiet in slaap dat het me opgevallen was, – reageerde niet op den elleboogstoot noch op het fluisteren van zijn naam, – hij snurkte buitengewoon sterk, alles was perfect in orde en ik zat al een tijdlang in de gelukzalige vrede van de huiselijke kring bij de grote mensen, toen er opeens kreveling ontstond en het spook verscheen, onder de gedaante van mijn broer, met als gevolg, dat we, gelijk Adam en Eva uit het paradijs verjaagd werden, en zonder genade, beiden naar bed moesten. Voor de volgende dagen was mijn spel verbrod. Ik had er niets tegen in te brengen: het was de onverbiddelijke wet; ik moest mijn ergernis en mijn wrok verbijten in stilte, maar toen heb ik mijn broer hartgrondig gehaat, gelijk kinders haten kunnen al wat hen in den weg staat of hun geluk ontneemt. Gehaat, met lust hem te wurgen, te verwensen. Ik benijdde de jongens die geen broer hadden – die waren de gelukkigen!

Daarbij dacht ik geen ogenblik aan zijn afgunst, omdat ik wilde gebruik maken van mijn verworven rechten. Kinderen zijn ideale egoïsten.

‘s Avonds lag ik dan in bed, te denken aan de ronde tafel, aan het lamplicht, waar elk aan zijn stille bezigheid was en het tikken van de hangklok alleen de gang van de tijd aftelde, – het scheen me dààr een ruimte als in een hoge toren, ergens midden de zee, duizend uren van alle levende wezens verwijderd, op een wereld die door het donker heelal wentelde… en ik zelf, veroordeeld in die donkerte om te dolen.

Eindelijk hebben wij dan later de periode bereikt dat we toegelaten werden in het avondgezelschap en mochten opblijven met de grote mensen. Dat heeft de rust gebracht in mijn gemoed, maar die opperste behagelijkheid was er niet meer gelijk toen het gestolen was en ik er alleen mocht van genieten.

Onze hulpmiddelen van verzet waren uiterst primitief, maar het lag niet zozeer aan het spel of de bezigheid, het ‘opblijven’ was de voornaamste aantrekkelijkheid, de atmosfeer van het ingesloten, beveiligd avondleven in de kring van licht en warmte, gaf alleen al de nodige genotshuiver.

De winteravonden vergingen in één reeks, de winter door, die mij toen een oneindigheid scheen.

Als het toppunt van genot echter staat me voor, de avonden dat er bezoek was. Wij hadden twee buren die deur en deur in ons eind woonden en soms ‘s avonds na het eten een pijp kwamen ontsteken. Op dat bezoek waren we bijzonder gesteld. Ik herinner mij een soort angstige verwachting en verlangen bij de onderstelling of de mogelijkheid, de stap te horen van kloefen op het plankier, of gerucht van de klink aan de achterdeur, want als buren, kwamen ze langs achter binnen. Die bezoeken kwamen met onregelmatige tussenpozen, maar als ze te lang wegbleven, was het een jubel als we er op uitgezonden werden de buren te ontbieden een pijp te komen roken.

Zonder van elkaar te weten, kwamen ze soms alle twee dezelfden avond: Ivo en Karel. Het waren om het even bejaarde, gedaagde mannen, zwijgers die gezapig konden vertellen en droogscheren.

Zulke avonden hielden wij ons gesloten, koest, ineengedrongen om niet opgemerkt te worden, en vooral geen woord te verliezen. Onze ogen gingen van Karel naar Ivo, die aan weerszijden bij de kachel hun pijp rookten. Ik zie nu nog hun gelaat, hun kleding, gebaren; ik hoor nog de klank van hun stem. Naar wezen en gedaante hoorden ze bij de oude mensen. Toentertijd kende ik geen onderscheid of overgang, en deelde het mensengeslacht in twee soorten: oude en jonge; de oude waren altijd oud geweest, en de jonge zouden altijd jong blijven – tussenslag bestond niet. Hetgeen ze vertelden immers hoorde voor ons tot het ver verleden – zowel de dingen uit hun eigen tijd als deze die zij ophaalden en wisten van horen zeggen, uit hun jeugd.

Ivo was grafdelver en kerkbaljuw; Karel was dorpsbarbier. Uit de gevaren van hun bedrijf was hun vertelschat alleen al onuitputtelijk, en het geen de aantrek voor ons nog verhoogde, waren de macabere gebeurtenissen uit hun bedrijf: in hun omgang met dode mensen, – Ivo als grafdelver en Karel die de dode mensen voor het laatst de baard afschoor.

Zij kenden niet alleen al de personen van het dorp, van vader tot zoon, maar ook van al de omliggende dorpen, met al de verwikkelingen, toestanden en verhoudingen onder de families, die ze als een kroniek uit het ver verleden in hun hoofd hadden zitten. De naam van een persoon gaf veelal aanleiding om een hele stamboom op te diepen en een hele avond te vertellen. Speciale onderwerpen worden nooit uitgelokt, – het gesprek was aan het toeval overgelaten. De aanzet begon gewoonlijk over de dagelijkse gebeurtenissen of nieuws van het dorp, – met droogleuke beschouwingen, – waar het nodig bleek, met een bedekte toespeling aangeduid, voor de verstaanders – dingen die buiten ons kinderbegrip vielen, en waarvan wij veel later eerst de zin en de betekenis hebben kunnen vatten.

Omdat Ivo en Karel om het even zwijgers waren, ontstonden er soms lange stiltepozen in het gesprek; nooit bleef een van hen lang aan het woord, tenzij het een doorlopende vertelling gold, maar ze losten elkaar af, met een enkele bemerking, of om een bijzonderheid aan te vullen. Zulk eene stiltepoos bracht het gesprek dan ook gewoonlijk op een heel ander onderwerp: een ding waarop zij hadden zitten rumineren…

Het liefst en het meest gesteld waren wij op den oude tijd. Hetgeen Ivo en Karel daarover wisten te vertellen, kreeg voor ons de schijn alsof ze het zelf beleefd hadden: de zonderlinge personen, de zotten die indertijd op ieder dorp rondliepen, de kluchten en guitenstreken uit hun jeugd, de rare tegenkomsten, dat alles werd met naam en toenaam, in plaats en tijd verduidelijkt, zodat het op onze verbeelding insloeg, niet als vertelling, maar als echt en werkelijk gebeurd, want elk verhaal, elke gebeurtenis konden wij situeren omdat plaatsen en namen ons bekend waren.

De vertellingen uit het verleden waren nooit uitgeput; men keerde er als vanzelf altijd op weer, werden altijd door nieuwe bijzonderheden aangevuld.

Alzo kwam de hongersnood van de jaren 40 regelmatig aan de beurt. het Geen op onze verbeelding het meest indruk maakte, waren de twee soorten mensen van die tijd: de vrekken en de milddadigaards; de uitgehongerde benden die over het land liepen, vervroren rapen verslonden en het eten stalen van honden en varkens; mensen die doodvielen langs de straat.

Het joeg ons de gruwelijke huiver op het lijf als er verteld werd over cholera, pokken, pest of zwarte ziekte uit die jaren: toen Ivo, met zijn vader en twee helpers, den hele dag graven moesten delven, en drie timmermannen niet gauw genoeg doodkisten konden maken; ze wisten de namen te noemen van degenen die in een laken gewikkeld begraven werden, zonder in de kerk te gaan, zonder bedeklok, om de mensen niet te vergruwen, omdat er velen stierven van schrik, zot werden, of gedreven door waanzin, op de vlucht sloegen en nooit meer terug gekomen zijn. Hele huisgezinnen waren uitgestorven – te Cannaerts stierf de boerin, de zes zonen en drie dochters, en toen de laatste begraven was, nam Cannaert zijn stok, liet heel het hof in de brand en is naar den vreemde vertrokken.

Het dorp was op de helft gedund, de mensen meenden dat de wereld verging, ze gaven hun goed weg, deden niets meer dan bidden en bedevaarten. Tot in de bijzonderheden wisten Ivo en Karel de gevolgen aan te halen van die schromelijke beroering: hoe sommigen aan hun bezit gekomen waren, en anderen alles verloren hadden. Zij kenden gevallen waar een huis, een stuk land, koeien of paarden verkocht werden voor een zak koren, – de woeker had bij de ene fortuinen doen verliezen die door de anderen gewonnen werden. Zodat rijk en arm op enkele jaren omgekeerd en verwisseld was.

Een helen avond werd het gesprek dan gevoerd op kalme, gelijke toon, waar de zware stem om beurten elk het zijne inbracht, met stilte pozzen terwijl de vertellers bleven uitstaren op de grond, alsof hun blik dààr bij stukken en brokken de herinnering uit het verre verleden weer oproepen moest.

Die peinzende blik haalde soms de onderwerpen nog veel verder uit vervlogen tijden weer op. Dat waren de gebeurtenissen die zij in hun jeugd van de ouderen hadden horen vertellen.

Hoe verder in het verleden, hoe aantrekkelijker voor ons, en hoe meer wij de oren spitsten. Dat waren de legenden en sproken uit den tijd der tovermeten, waarzeggers, wonderdokters, mannen of wijven die de naam hadden dat zij iets meer wisten of konden dan gewone mensen.

De huizen werden ons aangewezen waar het in de ouden tijd gespookt had of verkeersels wareerden. Dat alles werd uitgesponnen in echte verhalen, met spannend gewichtige, tragische of grappige uitval. Sommige bijzonderheden moeten vreselijk op mijn verbeelding ingewerkt hebben, zodat ik er jaren nadien nog door bereden werd met angst telkens ik langs die kant uit, bedoelde plaatsen voorbij moest; jaren lang heb ik den wellustige huiver gekend in bed met die dingen voor mijn geest te laten gebeuren. Ik ken nu nog de hofstede waar ‘s nachts de tang en de schup in de heerd omvielen, ketens gesleept werden over de trap en de zolder, en een spook verscheen met ogen gelijk theepotten.

Er waren ook gebeurtenissen die bestonden uit louter aangejaagde vrees, zonder reden, maar die beroerden ons daarom niet minder: van de man die ‘s morgens voor de dag, met zijn mand groenten op de rug naar de markt trok, en door de meers achtervolgd werd door een spook met zware stap, en toen hij ter plaatse kwam, gewaar werd dat een loslopend paard in de meers zijn mand had uitgegeten; van mensen die op doolkruid gestampt hadden en in het water verongelukt; anderen die gemeend hadden iets te zien, te horen, dat later bleek iets heel gewoons te zijn, en er voor de vrees aan toe waren. Mensen die een rare roep hadden, kwaad konden manen of wegnemen, zulke waren er geweest, dat bevestigden Ivo zowel als Karel… omdat zij het wisten.

Niet minder spannend verlangden we te luisteren als het liep over de oorlog. Ivo was soldaat geweest, maar zijn wapendaden, daarover hebben wij hem nooit aan de klap kunnen krijgen. Hij was kok bij het leger, en het enige dat hij er van te vertellen wist: dat hij om de vijf dagen een zakje peper kreeg om in de ratatouille, dat hij regelmatig vergat die peper te gebruiken, en eindelijk besloot, om de vijf dagen het hele zakje ineens in de ketel te roeren.

De oorlog, dat was: de Franse revolutie, de Brigands, de kerkvervolging, de refractairen, de verdoken priesters… Dit alles belangde ons te meer omdat onze eigen voorouders in die kronieken betrokken waren. Grootvader en overgrootvader Gezelle waren immers van ons dorp afkomstig, en Karel wist te vertellen hoe overgrootvader met zijn hele gezin op de vlucht, in een holle wilg moest schuilen om de soldaten te ontgaan, en hoe grootvader, toen een onmondig kind nog, boven de wilg uitkeek en luid riep: ‘Sakkelbeu’e soldatele!’ met gevaar heel het gezelschap te verraden.

Hoe grootvader, Petrus Gezelle, zelf later opgeroepen als soldaat, in den vreemde gediend had, en gedeserteerd toen Napoleon door de paus veroordeeld was, naar zijn dorp teruggekeerd, te Kyvers, bij Zale-Moeie, in wijf verkleed, maanden lang had zitten spinnen, elke nacht in de strooimijt ging slapen en menige keer haar na ontdekt en aan den dood ontsnapt was. Waaruit mijn broer het besluit trok, tegen mij, met de gewichtige bedenking: ‘dan zouden wij er niet geweest zijn!’

Daar waren ook nog de vertellingen van Baekelantsbende en Jan de Lichte met dieften en moorden… Over een hele reeks vroegere pastoors – die indertijd op hun kloefen naar de kerk kwamen en zonderlinge manieren hadden; over hun meiden niet minder, wist Ivo, als kerkbaljuw, uit zijn jonge jaren, sappige histories te vertellen.

Klokslag tien uur werd de zitting geheven, de pijp uitgeklopt en het avondgesprek besloten met een algemene beschouwing, eene wijsheidsspreuk, met een beetje spot en ironie over de menselijke ijdelheid, het nietige van de aardse goederen, of over de eeuwigen wentel en weerkeer van degenen die vertrokken waren of gekomen – de wisselgang van al wat leeft…

Met kalme, afgemeten stap – die in een klank was met hun stem en heel hun bedaard gemoed – verlieten zij de keuken en trokken naar het geen zij noemden: hun vlooibak. Na een laatste goede avond, viel de stilte in van de nacht. En nu haastig, holderdebolder diep onder de dekens om in het donker te herkauwen en te genieten van de huiver van de dingen die met den ronk van de vertelstem in ons hoofd nog nadreunde en in onze verbeelding overeind stond.

Hoeveel zulke winteravonden hebben wij beleefd? Hoeveel jaren heeft het geduurd?… Kinderspel en kinderfantasie zijn voorbij.

Karel en Ivo zijn allang bij de doden waarvan ze verteld hebben. Een andere barbier heeft zijn scheers botgeschreept op hun reeuwstoppels; een andere grafmaker heeft een kuil gedolven voor hun lijk op het kerkhof, waar zij liggen te wachten op het laatst oordeel…

Met hen zijn twee vertegenwoordigers verdwenen van het oude geslacht. Het verleden, met zijn atmosfeer, gebruiken, aardigheden, droegen zij in hun herinnering, in hun wezen, in hun persoon, in hun stem, in hun gebaren, maar vooral in hun rechtschapen gemoed.

Als ik er nu aan denk, komen zij mij voor als kerels uit het Oud Testament, die het verleden in een visioen doorschouwd hebben, en het in hun eigen wezen weer levend maken met hun stem.

Karel en Ivo, ze hebben mijn belangstelling gewekt naar dat verleden, die wondere bekoring welke uitgaat van alles wat vroeger bestaan heeft en voorbij is. Ze hebben mij dat verleden geopenbaard, de atmosfeer laten voelen en begrijpen van die wereld waarin het vorige geslacht geleefd, gedacht, gewerkt en genoten heeft. Zij zelf waren de twee laatst overgebleven figuren, getuigen van die oude tijd, welke ik persoonlijk heb mogen kennen.

Als ik er nu aan denk hoe die mensen geleefd hebben!

Zij hebben nooit een fiets gezien of een auto, misschien nooit met de trein gereisd, want ze hebben meer dan eens de spreuk van mijn grootvader aangehaald, die wantrouwig was van nieuwigheden en van stoomtuigen: ‘Ge zult dat ding nog zien de poten breken, er is kwaad mede gemoeid!’ Het enig voertuig dat hen bekend was, zal wel de kordewagen geweest zijn.

Van cinema of filmsterren, van radio, hebben ze zelfs nooit de naam gehoord. Zij hebben nooit elektrisch licht gezien; ze waren uit de tijd van het vuurslag en den tondel, liepen met de baanstdoos op zak en korven hun tabak effenaan op de kap van hun kloef. Nooit hebben zij van telefoon of telegraaf geweten en nog minder van vliegtuigen. Ik geloof niet dat ze lezen of schrijven konden – hadden dus nooit een dagblad in handen gehad – wisten dus niet van de beroering in de grote wereld… Waren ze er te slechter, te armer, te ongelukkiger om?

Gezond verstand echter, recht inzicht hadden ze, beter dan veel geleerden van vandaag. Ze waren tevreden, nooit verbitterd; hun blik was achteruit gekeerd, niet vooruit. Het verleden, de traditie gaf hun de wet en de richting van hun handelingen. Zij vroegen niet naar meer of naar beter, berustten in hun stand van werkman, en achtten zich gelukkig met hetgeen ze bezaten, – dat was: kost, kleren, woonst en enige stuivers drinkgeld. Hun week telde zes strange werkdagen, met het deugdelijk gevoel elke avond, dat de taak volbracht is – het peil af, zeggen de landse lieden – dat betekent zoveel als rijkdom en gemoedsrust.

Jacht naar geld of bezit, drang om hoger te komen, was hun onbekend. De rijken hoorden tot een ander geslacht, bleven buiten beschouwing, maar werden niet benijd. Hun enige weelde bestond in de zondagsrust – zalig nietsdoen, rusten; een wandeling naar een landse herberg met bolspel, en ‘s avonds een pint bier op staminee, met kaart- of kegelspel en praten onder geburen. Stil verzet, genoeglijke kout, juist zoveel om op ure, welgezind naar huis te keren en ‘s anderen daags opnieuw de week in te zetten voor de zes werkdagen.

Dàt is uw bestaan geweest, Karel en Ivo, zeventig jaren lang en er over; jullie zijn heengegaan, gelijk al de anderen uit die tijd, zonder iets achter te laten, geen beeltenis bestaat er van u, geen grafteken; uw naam zal reeds vergeten zijn bij uw dorpsgenoten, – er blijft alleen nog de herinnering bij degenen die u gekend hebben: de vererende herinnering die gaat naar de rechtschapen mensen, die gelijk gij, in alle eenvoud hun wegen bewandeld hebben, met het gevoel van plicht en eer, als ding dat vanzelf spreekt.

Uw leven nochtans is geen idylle geweest, geen waterig romantisme. Zonderling, gij hebt in het zelfde geval verkeerd: geen van beiden hebt ge de genoegens gekend van den huwelijksstaat, en er toch al de last moeten van dragen. Beiden oude jonkmans, uit een talrijk gezin, met één zuster overgebleven – gelaten van trouwen de een voor de andere. Ivo met Barbara beschoren, die een lastige kwezel was! Ze leefden genoeglijk een profijtig, huns getweeën in een proper, nette woonst, als geruste, bejaarde mensen, toen hun getrouwde zuster haar man verloor en zonder middelen van bestaan, met haar vier schaapjes van kinders zitten bleef. Ivo en Barbara hebben geen ogenblik gedubd of getreuzeld, maar de weduwe met de kleintjes in hun nette woning opgenomen… en daarmee was hun genoeglijke, profijtig leventje van bejaarde broer en zuster uit!

Karel was omtrent hetzelfde lot beschoren: die verloor zijn zuster waarmee hij samen huisde en liet, uit loutere goedhartigheid, zijn broer met wijf en zes knechtebrokken van jongens bij hem komen inwonen, waar hij na korte tijd, in de hoek geduwd was en niets meer te poeren had.

Ik heb Karel noch Ivo nooit horen klagen over hun lot, of spijt weten uiten over hetgeen ze gedaan hadden, nooit enig ongeduld kunnen merken tegenover de rustverstoorders in hun huis. Ze namen de toestand gelaten op, als iets dat zo hoort, en niet anders kan – berustten in het onvermijdelijke en namen er het beste uit – ter ere van God.

Karel en Ivo, uw naam, uw persoon, uw wezen, uw gemoed, uw hart en ziel blijft verbonden met de behaaglijke herinnering aan die winteravonden; gij hebt er die atmosfeer geschapen uit de gelukstijd van mijn kinderjaren, – dit kostelijk aandenken moet ik u dank wijten. Kon ik u maar, voor één dag weer levend maken – diezelfde tijden doen terugkeren, – u maar één enkele keer aan het vertellen krijgen, – één enkele van die winteravonden naar u mogen luisteren!

Stijn Streuvels.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>