Mijnheere Papepratus en zijn triene

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       6 months ago     236 Views     Leave your thoughts  

Daar was ‘ne keer ‘nen oude pastoor die een maarte huurde; en als ze bij hem inkwam, zei heur de pastoor: ‘Gaat ge ’t hier kunnen gewone worden, peist ge, Triene?’

– ,,’k Hope van ja, Mijnheer de Pastoor’, zei Triene.

– ‘Ja, maar’, zei de pastoor, ‘dat gaat hier nog al aardig; ’t gaat al op zijn Latijns; ik, vooreerst, ik en worde geen Mijnheer de Pastoor genoemd, maar wel Mijnheere Papepratus. Gaat ge dat onthouden?’

– ‘En hoe zoudt ge dat daar noemen?’, vroeg de pastoor, en hij wees naar ’t vier.
– ‘Hee hee, ’t vier zeker, Mijnheere?’

– ‘Neen dat heet hier ’t hels karnaat. – En daar, hoe noemt ge die beeste?’ zei de pastoor, naar zijnen hond wijzende.

– ,’Hee, Mijnheere, dat is uwen hond; ‘k heb ik dat toch altijd alzo gehoord.’

– ‘Dat is Mijnheer Hollegebas – En daar nu die ander beeste?’

– ‘Dat is de katte, Mijnheere.’

– ‘Hier niet; dat is juffrouwe Toortelbus.’

– ‘Maar komt ‘ne keer meê, dat ik u mijn huis tooge’ zei de pastoor. En als ze aan den trap kwamen, waar dat de kelder onder was, vroeg hij, naar dien trap wijzende: ‘Hoe noemt ge dit hier, Triene?’

– ‘De voutetrap Mijnheere, of misschien de kelderdeure.’

– ‘Wel neen, dat is de wenteltou. -En nu hier?’, vroeg de pastoor, den trap opgaande en in zijn slaapkamer naar zijn bedde wijzende.

– ‘Dat is uw bedde, zeker?’

– ‘Neen, dat is mijn servatus; servatus, hoort ge wel? Maar komaan nog ‘ne keer alhier, ‘k heb nog een beeste, waar dat ge wel moet voeren zorgen; ze zit in een kot t’einden mijnen hof; wij zullen ze gaan bezien.’

En de pastoor en Triene gingen naar den hof, en als de pastoor de deure van ’t kot open deed, zag Triene daar een vet zwijn liggen, en ze zei: ‘Ha! ’t is een zwijn dat hier zit!’

– ,, ’t En doet’, zei de pastoor, ‘dat is ’t knuffelgetuit. – En gaat ge gij al die aardige namen kunnen onthouden, Triene, peist ge?’

– ‘Ja, ja ‘k, Mijnheere, ‘k ben nog al goed van onthoud; dat zal wel gaan.’

– ‘Hewel, we zullen ’t ondervinden.’

Dat was de lesse voor den eersten dag; ’t was daarmee genoeg.

’s Anderendaags stond Triene vroeg op, en deed heur een potje koffie gereed. Binst dat ze aan ’t werk was, gerochte den hond aan het twisten met de katte, die de warmste plaatse van den heerd wilde hebben. Ze vochten dat het haar stoof en ze liepen alzo naar buiten, rechte naar ’t zwijnskot.

Triene, die benauwd was, liep haastig naar de deure van den pastoor zijn slaapkamer, en riep: ‘Mijnheere Papepratus, komt uit uw servatus, komt langs de wenteltou: mijnheer Hollegebas en Juffrouwe Toortelbus zaten bij ’t hels karnaat en kwamen in een dispuit, en loopen te gare naar ’t knuffelgetuit.’

– ‘Ha, ’t is goed’, zei de pastoor, ‘k hoore dat ge goed van onthoud zijt, ‘k zal seffens gaan komen.’

Mijnheer de pastoor stond op, en scheidde de vechters. Hij was geheel tevreden over zijn Triene: dat beloofde voor de naaste lesse.

Uit en t’uit, ’t vertelselke is uit.

Uit ‘Oude Westvlaamsche volksvertelsels’, verteld door A.J. Witteryck in 1889

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>