Mislukte aanslag in Brugge

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 week ago     88 Views     Leave your thoughts  

Ondertussen leef ik in de zomer van 1579. Willem van Oranje heeft heel wat moeite gedaan om de Gentse bevelhebbers en opper-calvinisten Jan van Hembyze en François van Ryhove tot maar meer gematigdheid te dwingen en zich te laten aansluiten bij de unie van Utrecht, de voorloper van de Nederlanden als zelfstandige staat. Daarmee volgt Gent het voorbeeld van Antwerpen die al eerder in alliantie ging met de noordelijke provincies. Brugge dat overwegend katholiek gebleven is weet het zo niet. Ik mag niet vergeten om er bij te vertellen dat hier een minderheid van nieuwgezinden de politieke plak zwaait over een mistevreden katholieke bevolking die dat calvinisme helemaal niet ziet zitten.

Willem van Oranje popelt vol ongeduld om voluit te regeren over Vlaanderen en Brabant. Zijn medestanders Noël De Caron en Jacobus Broucsaulx wachten om hun functies op te nemen. Er is echter nog heel wat overtuigingskracht nodig om het zo ver te krijgen. ‘Ze hadden geprobeerd om de gemeente van Brugge ertoe te bewegen om net zoals Gent en Ieper de vereniging te omhelzen’. Brugge vreest om met deze unie zijn grip op het Brugse Vrije te verliezen en staat weigerachtig ten opzichte van een deelname. De bedoelingen van Willem van Oranje zijn volgens de Bruggelingen vals en geveinsd en er alleen maar voor bedoeld om de katholieken te verstrikken. Ik moet daarbij ook nog meegeven dat het stadsbestuur deze unie, in tegenstelling tot zijn bevolking, goedgezind is omdat de meerderheid van de schepenen van calvinistische strekking is na hun machtsgreep van 19 maart 1578.

‘Kijk maar naar Utrecht zelf’, roepen de Brugse ingezetenen. ‘Ze hadden gezworen om de katholieken met rust te laten en met de hoogdag van Pinksteren hebben ze als gekken de kerken aangevallen en vernield. We willen niet dat dergelijke toestanden zich nog eens bij ons zullen voordoen.’ De Bruggelingen kunnen het niet meer verdragen. Na al die droeve verwoestingen van hun schone landgouwen waar hun kerken geplunderd, de huizen en de stallen verbrand, het vee geroofd en de ingezetenen vermoord of verjaagd zijn.

De Brugse burgers voelen zich nauw verwant met de zuidelijke provincies Artesië en Henegouwen waar de oude en vertrouwde kerk nog gerespecteerd is gebleven. Ze delen hun standpunt om goed overeen te komen met de Spaanse koning. Die is vast en zeker van plan om binnenkort die unie van Utrecht aan te pakken. Hij zal er alles aan doen om de hele Nederlanden weer in zijn bezit te krijgen. Nee. In Brugge wilden ze zich liever geen nieuwe zware belegering op de hals halen.

‘Ze dachten in Brugge om heel voorzichtig te zijn. Te kiezen voor het minste kwaad en overeen te komen met de malcontenten uit het zuiden, ook wel de paternosterknechten genoemd.’ Op 2 juli 1579 stapt een uitgebreide delegatie met onder andere de heren Caron, de Gryse, Nans, Broucsaulx en Casembroot naar het stadhuis om er hun eisen hard te maken. Burgemeester Joris Van Braekele moet enkele figuren van katholieke strekking opnemen in de beveiliging en het bestuur van Brugge om de stad van verdere malheuren te vrijwaren. Ze eisen de aanstelling van een zekere Hieronimus De Mol als kolonel over de beveiliging van de stad.

De burgemeester stelt voor om hun voorstellen te bespreken en wil hiermee vooral tijd winnen. Hij weet goed genoeg dat de Oranjegezinde leden van zijn college het daar niet meer eens zullen zijn. De Brugse delegatieleden moeten niets van weten van uitstel en de volgende dag staan ze al opnieuw aan de Burg om hun kolonel aan boord te krijgen. De Mol heeft zelfs zo lang niet kunnen wachten. ‘Nog voor de confirmatie ontsloeg hij de stadscompagnies van Vleys, Aoulterman, Aerdyke en Reyvaert en met hen de hele krijgsraad. En daarna begon hij direct met het vervolgen van de gereformeerden. Hij viel binnen in het huis van de Waalse minister Jan Haren met de bedoeling om die te doden. Maar die was niet thuis en dus stortte hij zijn gramschap uit over zijn vrouw die hij sloeg en stampte.’

Erg slim is deze voorbarige en impulsieve houding van de katholieken niet. ‘Ze hadden zich beter eerst meester gemaakt van de poorten van de stad want dan zouden ze hun medestanders hebben kunnen binnenlaten. Maar dit verzuim heeft hen in grote verlegenheid gebracht.’ Ik geef ten behoeve van mijn lezers nog even aan dat alles wat tussen aanhalingstekens staat (door mij wat aangepaste) citaten zijn van schrijver van Male zelf. Geschreven in de verleden tijd, net zoals heel zijn boek trouwens.

Kolonel De Mol heeft inderdaad het vel van de beer willen verkopen voor die geschoten was. Het magistraat wil van geen wijken weten en zwaait met volmachten van de prins van Oranje. De man die zijn nek heeft uitgestoken voor de kolonel is Noël de Caron en die is nu zelf kop van jut. ‘Men nam Caron gevangen, als zijnde dat hij met die van Gent samenspande om het Vrije te vernietigen.’ Iets wat achteraf pertinent onwaar zal blijken. Het schepencollege haast zich om de afgedankte stadscompagnies weer in functie te stellen en vooral de Ezelspoort extra te gaan bewaken.

‘Sergeant-majoor Wynckelman bezette de Ezelsbrug, Resneeuws van Aerdyke het Westvleeshuis met de Steenstraat en Antonius Aoulterman plaatste zich aan de Eeckhoutbrug en in de Wollestraat.’ Aan de Burg zelf lopen de gemoederen hoog op. Er wordt zelfs naar de wapens gegrepen. Met groot gedruis valt het volk binnen in de raadzaal waar de schepenen vergaderd zitten. De autoriteiten kunnen zich echter tijdig uit de voeten maken en blijven in de wapenen. Samen met hun officieren en procureurs. Zowel binnen het landhuis van het Brugse Vrije als in de Burg. De katholieken hebben met hun ongeduld de hele situatie verkeerd ingeschat en zien zich nu geconfronteerd met een nest verschanste schepenen en kapiteins. In de vroege morgen van de volgende dag klaart de situatie echter uit en komen de partijen er onderling dan toch uit.

Maar van dat laatste ben ik toch niet zeker als ik het zo allemaal verder lees. Veel katholieken en calvinisten blijven op hun stellingen wachten. Ook de kolonel verschanst zich in zijn huis aan de Gruuthusebrug terwijl zijn volk de Mariabrug bezet. De burgerij houdt zich angstvallig gedeisd. Ze hebben wel vertrouwen in het magistraat, maar men kan nooit weten hoe het hier zal uitdraaien. Beide partijen gaan op zoek naar hulp van buitenaf. Kolonel De Mol vraagt de assistentie van de heer De la Motte die al met zijn krijgsvolk te Roeselare aangekomen is. De nieuwgezinden roepen de heer De la Noue ter hulp. Die staat aan het hoofd van het leger van de Staten zelf.

Om middernacht bereikt dit laatste leger de stadspoorten. De Schotse kolonel Balfour wordt door Ingelbrecht Reyvaert, de hoofdman van de Ezelspoort binnen gelaten samen met zijn regiment van acht vendels. ‘Dit volk, met honderdvijftig paarden, bezette direct de Burg waar de burgerlijke wacht het op een lopen had gezet, en positioneerde zich eveneens op de grote markt en andere plaatsen.’

Jonkheer De Mol probeert in paniek te vluchten. Via de stadsvesten, ‘maar hij werd achterhaald en gevangen genomen. Jan Haren, hierboven nog vermeld, schoot dan de wapenen aan, met een roudasse aan de arm voor de Walen, en de andere soldaten kwamen erbij om het huis van de nieuwe kolonel te plunderen. De magistraat deed met de hulp van de nieuwgezinde burgers veel aanzienlijke heren vangen. Onder andere de meeste schepenen van het Vrije die de dag voordien nog de wapens hadden opgenomen. Enkelen werden in de gevangenis gelegd en anderen in het landhuis van het Vrije bewaard. Er werden er ook belast om in hun huizen gevangen te blijven. Achteraf werd een gezelschap onder de Waterhalle in schuiten weggebracht naar het kasteel van Sluis waar ze gevangen bleven tot dat de prins van Oranje de zaken te Brugge zou bijleggen.’

Die regeling komt er inderdaad. De mannen komen vrij mits het betalen van een ferme som losgeld. De vrijgelaten schepenen worden voor vier jaar uit elke bestuursfunctie geweerd. Zo wordt een punt gezet achter deze amateuristische aanslag van de katholieken in Brugge. Allemaal zonder bloedstorting, vertelt de schrijver erbij, met uitzondering van de aanstichter Cornelis Arremarre die op 18 augustus onthoofd wordt. Er wordt even gedacht aan de vernietiging van het Brugse Vrije. Omdat Ieper en Gent hiervan veel te veel zouden profiteren wordt dit snel vergeten.

De katholieken in Brugge krijgen natuurlijk nog hun weerbots. Actie zorgt altijd voor reactie. De nieuwgezinden spuwen hun gal uit over de katholieken. De kerken gaan weer op slot en de geestelijken die al een tijd met burgerkleren rondlopen, verlaten de stad uit vrees voor erger. Het kapittel van Sint-Donaas verhuist naar Sint-Omer waar de geestelijken zullen verblijven tot in het jaar 1584. Veel prominente katholieken slaan eveneens op de vlucht of worden verbannen.

‘Vele van deze vluchtelingen en ballingen voegden zich, zoals al zo dikwijls gebeurd was in het verleden bij de vijanden, met dewelke zij om zich te wreken dagelijks rond de stadspoorten rondzwierven en niet nalieten om bedenkelijke schade en hinder toe te brengen aan hun ongelukkige en onschuldige medeburgers. Die burgers werden sowieso al genoeg gepluimd door de nieuwgezinde overheid want die verzon wel elke dag iets nieuws om hen te verdrukken en onder de voet te houden.’

Rond deze tijd speelt jonkheer Jan van Hembyze nog altijd de hoofdrol in Gent. Zijn krijgsvolk blijft maar doorgaan met het beroven en het plunderen van kloosters en kerken. Hembyzes mannen steken het vuur aan de kastelen en de lusthoven van katholieke heren in hun buitengebieden te Zottegem, Herzele, Oosterzele, Hooidonk, Gavere en op andere plaatsen. ‘Al die soldaten waren zeer bekwaam tot dergelijke boosheden maar als het op een treffen aankwam, waren ze de eersten om weg te spurten. Zoals in Maria-Lierde bijvoorbeeld.’

‘Hembyze probeerde vooral de vaste huizen, woningen en kastelen rondom de stad Gent te vernielen zodat die onbruikbaar zouden worden voor de vijand. Hij verpatste de landerijen, pachthoven en bossen van de kloosters en kapittels en joeg allen die hem niet aanstonden uit de stad, hoewel ze net zo gereformeerd waren als hijzelf. En om zich volkomen meester te maken van de situatie heeft hij op 28 juli met een hoop ruiters en voetvolk de boeren van Merelbeke aangevallen. Zonder dat zijn medestanders hiervan op de hoogte waren Hij heeft hun huizen beroofd en de onrijpe vruchten op hun akkers bedorven.’

Hembyze kondigt aan om het stadsbestuur te herschikken. Zijn vertrouwelingen zullen nog meer te zeggen krijgen. Willem van Oranje wordt op de hoogte gesteld van deze vermetele plannen en deelt mee dat hij voordien zeker nog persoonlijk naar Gent zal afzakken. Jan van Hembyze ziet dat uiteraard niet zitten en probeert de prins buiten te houden. Maar op aandringen van Ryhove bij de drie leden van Vlaanderen wordt Oranje dan toch in Gent binnengelaten om bepaalde gesprekken te voeren betreffende die aanpassing van het Gentse magistraat.

Willem van Oranje arriveert er op 18 augustus 1579. Hij is erg verwonderd dat Gent zo zwaar versterkt is. Nieuwe borstweringen, grote nieuwe bolwerken, diepe grachten voorzien van opendraaiende bruggen. Bij sommige stadspoorten waren de spitsen van de torens weggehaald en vervangen door stukken geschut. ‘Er waren ook veel bedekte wegen, onderaardse loopgrachten, moordgaten en nieuwe sluizen om het water in de vesten te houden, bastions en redouten om aan elke mogelijke aanval te kunnen weerstaan.’

Van Oranje toont zich helemaal niet opgezet met wat hij hier ziet. De stad klaagt altijd maar dat het zijn aandeel in de gemene lasten van het land niet kan betalen terwijl ze dat geld allemaal spenderen aan hun eigen versterkingen. Hembyze ontkent dat. ‘Weet de prins wel hoeveel het kost om al dat krijgsvolk in dienst te houden? Allemaal mensen aangetrokken om zich te beveiligen tegen de malcontenten.’ De prins moet hoe dan ook niet weten van die Gentse buitensporigheden. Er komt op 20 augustus een nieuw schepencollege, maar dan zonder Jan van Hembyze. Die wordt afgezet.

Er is een eind gemaakt aan de wurgende dominantie van de nieuwgezinden. Nogal wat burgers hebben er geen vertrouwen in en vertrekken. Pieter Dathenus wordt ervan verdacht om een lastercampagne te hebben gevoerd tegen de prins van Oranje en zijn Staten. Hij kuist voorzichtig zijn schup af. Jan van Hembyze, de stichter van al deze rampen hier, wil via het Sas van Gent inschepen voor Zeeland maar hij wordt opgehouden door een vrome man die ermee dreigt om hem dood te schieten. Hij raakt achteraf toch nog buiten en slaat op de vlucht naar het graafschap van Palts aan de Rijn.

De malcontenten proberen handig gebruik te maken van de aanwezigheid van Willem van Oranje te Gent. ‘Ze verzochten om logement voor wat Vlaams paardenvolk. Maar terwijl dit van het magistraat al was toegestaan en men klaar was om de poorten te openen, werd daar geen ruiterij opgemerkt en zag men het bedrog. Oranje zond – bijna te laat – het bevel om de poorten absoluut gesloten te houden, waardoor de malcontenten stillekens vertrokken.’

Nu de zaken hier wat gekalmeerd zijn, besluit de prins om de stad op 1 september 1579 te verlaten. Hij vertrekt met de graaf van Büren, de hoogbaljuw van Brugge en met Gillis Borluut met een koets naar Brugge. Hier wordt hij zonder veel enthousiasme ontvangen. Zijn krijgsvolk blijft buiten de stad. Alleen enkele vendels Schotten en een paar edellieden te paard worden onder het afschieten van de stadsafweer binnengehaald en naar hun herberg gebracht. Hier is er in elk geval geen sprake van uitbundige vreugdetekens zoals in Antwerpen, Brussel en Gent.

De voornamelijk katholieke stedelingen hebben weinig vertrouwen in zijn komst. Hij is en blijft een grote voorstander van de ketterij die hij in Holland en Zeeland heeft doen opbloeien en dit nu in Brugge zou willen herhalen. Wat de prins hier komt doen vertelt van Male er niet bij. Ik kom alleen te weten dat hij vrij snel naar Gent terugkeert voor een vergadering van de Staten-Generaal. Die behandelt een vredevoorstel van de koning van Spanje. De vierentwintig artikelen van het document worden één na één voorgelezen. Maar een deal ziet de calvinistische fractie binnen Gent niet zitten. Filips II wil alleen maar de katholieke godsdienst hersteld zien en al de andere religies weren. Het koninklijk voorstel wordt dat ook begrijpelijkerwijze afgewimpeld op 25 september 1579.

….

Dit is een fragment uit het pas verschenen deel 7 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>