Mobilisatie op de Kezelberg

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     485 Views     Leave your thoughts  

Maximiliaan van Oostenrijk komt op de proppen
De hele julimaand van 1477 staat in het teken van oproer en dissidentie. Jan van Dadizele wijkt nu niet meer van de zijde van zijn gravin. In Leuven wordt een zekere Pauwels opgepakt en in Brussel is dat het geval voor Filips van Huerne, de heer van Gaasbeke, en nog andere edelen omdat ze het hebben gewaagd om de kant van de Fransen te kiezen. De 17de augustus verschijnt hertog Maximiliaan voor het eerst op het toneel. Jan van Dadizele die hoogbaljuw is van Gent, trekt met de gedeputeerden op weg om de nieuwe machtshebber welkom te heten. Om de man ‘reverencie’ te doen, lees ik. De verwelkoming gebeurt ‘up de pale van den lande van Vlaendre’, ergens tussen ‘Dendermonde en Assche’.

Maximiliaan en het gezelschap besluiten de nacht door te brengen in Dendermonde om zich dan de volgende dag naar Gent te verplaatsen. Het verleden in kleur. ‘Sanderdaechs, de heere van Dadiselle, hoogbailliu, ende een groot ghetal van lieden te peerde uut der stede ende casselrie van Ghendt, elc eenen witten keerle, zwarten hoet ende rode cappe, trocken jeghen den hertoghe Maximiliaen, eene halve mile, met hem keerende binnen der zelver stede.’ Het huwelijk wordt ingezegend de 19de augustus in de kapel van Walle. De heer van Dadizele is er aanwezig en hij is trouwens te gast bij het somptueus banket later op de avond. De 28ste augustus komt het nieuwe gravenkoppel naar Gent en de volgende dag maken ze hun opwachting in Brugge waar ‘hertoghe Maximiliaen zyn eerste incommen dede’ en er dure eden van trouw worden afgelegd.

Ergens in september worden de Fransen weer vervelend en vallen ze Menen en de Leiestreek lastig met allerhande brandstichtingen. En dat is voldoende reden voor Jan van Dadizele om zijn ‘ghebuers in grooten ghetale’ op te trommelen. De 8ste september rukt er een konvooi op naar Menen om er te beletten dat de Fransen de Leie verder zullen oversteken. Menen, Wervik en Komen moeten absoluut beschermd worden. Het is een succesvolle actie die een maand later afgerond wordt met een bestand. In januari van 1478 moet de nieuwe graaf zich concentreren op Rijsel waar hij plechtig ontvangen wordt.

Geweldplegingen aan de frontiere van Vlaendre
Maar waar hij zich weer geconfronteerd ziet met Franse agressie in de streek van Doornik. De lijst van steden die hij aandoet, schept een exact beeld van de gebieden die sinds zijn huwelijk met Maria van Bourgondië onder zijn heerschappij staan. Rijsel dus. Maar ook Douai, Valenciennes, Ath en Geraardsbergen. De samenwerking met de drie leden van Vlaanderen, Gent, Brugge en Ieper dus, verloopt voor een zeldzame keer op een positieve manier. Het is ooit anders geweest. Vijfduizend soldaten krijgt hij toegewezen met daarbovenop een financiële steun van 127.000 kronen per jaar. Het leger wordt onder het bevel van Jan van Dadizele geplaatst.

Hij krijgt de volledige bevoegdheid over de keuze en de locaties waar de soldaten naar toe moeten. In maart 1478 kan hij zijn mannen al een eerste keer in actie doen schieten wanneer de Fransen Ronse ‘verbernen en pillieren’. Jan de Gheest wordt er met een deel soldaten naar toe gestuurd. Allemaal in wit en paars gekleed. De agressie van de Fransen beperkt zich niet enkel tot Ronse. Oudenaarde, Opbrakel, Leupegem en Schorisse delen mee in de brokken. Het hele voorjaar van 1478 wordt gekruid door geweldplegingen aan ‘de frontiere van Vlaendre’. Jan van Dadizele en de Engelse kapitein Thomas van Everinghem hebben er hun handen mee vol en het komt tot een heuse veldslag ter hoogte van Anzegem.

We lezen het toch zo: ‘de heere van Dadiselle, mer Thomas Everinghem met huerlieder gheselscepe spronghen ute te voet duer de Merschporte ende ghinghen ghemoeten de Francoysen tAnseghem ende wierpense af, eenige doot slaende, vele ghevanghene nemende, en dandere vloden binnen Doornicke; Vlaminghen en Inghelschen hadden boven de ghevanghene vele peerden ende wapenen.’ Binnen diezelfde nacht van de 18de mei krijgt van Dadizele bericht dat Belle nu in brand gestoken is door de Fransen. Hij besluit om er met een eigen peloton en met 40 Engelsen naar toe te trekken. Zijn kapitein blijft ondertussen in Oudenaarde.

Er komt versterking in Poperinge
In Poperinge krijgt hij versterking van 100 man die gehoorzamen aan Jan, de bastaard van Sint-Pol, de heer van Haubordin en van 800 man van het Brugse Vrije onder leiding van Jacob van Huele. Van daar rukken ze op tot ‘ontrent Nieukerc, Steenwerc, en van daer naer Lesmont ende Kesenette. Daer quam myn heere van Romont ende trocken alle met hem voir de stede der Bassee.’ Het wordt stilaan duidelijk wat er aan de hand is.

Tussen Valenciennes en Douai smelten ze samen met de troepen van Maximiliaan zelf. Ik moet onbewust denken aan de ‘Historie van Belgis’ en aan de oorlogstaferelen die zich hier 2000 jaar geleden ook hebben afgespeeld. Romont krijgt nu trouwens de opdracht om het Vlaamse leger dat gepositioneerd is rond Gent op te trommelen en naar Rijsel te zenden. Het voltallige leger verhuist wat later naar Pont-à-Vendin zowat 25 km ten zuiden van Rijsel waar zich een confrontatie met het voltallige Franse leger aanbiedt, daar aan de andere kant van de rivier. De stedelijke milities van Brugge en Gent laten zich hierbij niet onbetuigd.

Het leest eerst alsof ze onderling in de clinch zijn geraakt, maar de logica van de gebeurtenissen spreekt dat dan weer tegen. Het achterhalen van de waarheid is ook hier weer niet zo evident. Ik ruik het toch zo in de memoires van Jan van Dadizele: ‘daer rees een groot ghevecht tusschen die van Ghendt over een zyde ende die van Brugge die daer waren omtrent 800 ende die van den Ghendschen waren omtrent 5000, daer bleven eeneghe doot ende eeneghe ghequets, de heere van Dadiselle ghincker tusschen, hilpse sceeden ende een tractiet tusschen hemlieden maken.’

De baby van Maria en Maximiliaan
Die zin wordt onmiddellijk gevolgd door het nieuws dat de koning van Frankrijk bereid is om een bestand voor een jaar af te sluiten. ‘De coninc was in persoone tAtrecht, daer was een bestand ghemaect van eenen jare, beghinnende den 11de van de hooimaand anno 1478. De Franse opmars is gestopt. St.-Omer, Rijsel, Douai en Valenciennes zijn in Vlaamse handen gebleven. Vreemd genoeg zwijgt Jan van Dadizele als vermoord over de geboorte van het zoontje van Maximiliaan en Maria. Een immens belangrijke gebeurtenis terwijl die van Gent en Brugge al dan niet met elkaar in de clinch gaan.

De geboorte van de nieuwe graaf. De erfopvolger. En deze keer geen immigrant. Een kind geboren op Vlaamse bodem. Bij mijn research stuit ik op de hele ‘story’ van de geboorte. Vooral de link met Pont-à-Vendin vind ik geniaal. Bronnen die elkaar ontmoeten zowat 500 jaar geleden. Ze lezen als ‘De Standaard’ en ‘De Morgen’ van de middeleeuwen. Met de journalisten als de kroniekschrijvers van die dagen. Ik probeer ze te citeren in hun woorden van nu, met inbegrip van de nodige overdrijvingen en ophemeling. Ik denk bij mezelf: ‘wat kan dat de gewone mensen van die vervlogen dagen eigenlijk gestolen worden?’

De kop is duidelijk: ‘vreugdebedrijven bij de geboorte van Filips de Schone binnen Brugge’. ‘De 22ste juni van het jaar 1478, werd Filips de Schone, omtrent de middag in het Prinsenhof te Brugge, dat Maria van Bourgondië, echtgenote van Maximiliaan van Oostenrijk, toen betrokken had, ter wereld gebracht. In al de steden en dorpen der staten van Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Artois, Namen, Holland, Zeeland, Limburg, Luxemburg, enz, welke aan het machtig huis van Bourgondië onderhorig waren, werd de geboorte op het prachtichste begroet.’ Het is overduidelijk dat de Bourgondische rangen gesloten zijn. De pracht en de praal en de exotische taferelen illustreren het prima.

Het bombastische doopfeest van de nieuwe prins
‘Overal juicht men met de eervolste vreugdebedrijven, het gelukkig voorval, welk Maximiliaan een erfgenaam zond, toe. Met ongehoorde pracht en rijkdom wedijvert men in alle plaatsen. Elkeen wil in sierlijkheid te boven stijgen. De heer Adolf van Ravestein, ruwaard van Vlaanderen, vaardigt op staande voet een bode af tot hertog Maximiliaan die op dat moment in Pont-à-Vendin gelegerd is. De vorst wordt levendig getroffen door de tijding. Aanstonds wordt het nieuws door geheel de legerplaats, bij het geschal van de bazuinen, verkondigd, en vreugdevieringen worden ter ere van de nieuwgeborene aanbevolen.’

Vooral de uitspattingen van vreugde in Brugge zijn ongezien, schrijven de commentatoren. We gaan er even naartoe. ‘Het zwaar gebrom van de klokken kondigt omtrent de middag de intrede van de prins aan. Tonelen en praalschavotten staan op de bijzonderste plaatsen opgericht. Overal in de straten zijn de vreugdevuren aangestoken. Met het vallen van de avond is de hele stad met toortsen en fakkels verlicht. De volgende dag wordt er door het magistraat, in het bijzijn van Lodewijk van Brugge, heer van Gruuthuze, en Martyn Lem, de burgemeester, een verbod van alle slavelijke werken uitgevaardigd.

Voor de halle, het stadhuis en het Prinsenhof wordt er geld aan de ingezetenen uitgereikt, die allen de grootste geestdrift betuigen en de stad onder het geroep van ‘Heil Heil’ deden weergalmen.’ Ik besef het. Dit is bombastisch. Maar de teksten puilen uit van de details en ze creëren meteen ook een impressie hoe het er in 1477 aan toe is gegaan. ‘Een houten gaanderij, acht voeten breed en vijf voeten boven de grond verheven, strekt zich uit van ’s Hertogen hof, lopende door de St.-Amandsstraat over de Markt, de Breydelstraat, tot aan de zuidelijke deur van de St.-Donaaskerk.

De stoet is op weg naar de Sint-Donaaskerk
Deze verheven zoldering is rijkelijk bedekt met tapijten en behangen met gouden laken.’ De schrijvers van de Chronyke van Vlaenderen zitten er met open mond naar te kijken. ‘Maer geen monden en konnen uytspreken, geene pennen en konnen beschryven de praght, de konst, de kostelykheyd en uytgesogte cieringen, soo van tapyten als andere stoffen, met de welcke dezen nieuwen wegh is bedekt ende behangen.’ ‘Aan beide zijden staan de schutters van de voet- en handbooggilden. Samen met de 52 dekens en meer dan 1400 ambachtslieden die elk een flambeeuw in de hand houden.’

Die flambeeuw is een houten stok met daarbovenop een klein glazen lantaarn, vertelt Google, maar ik keer onmiddellijk terug naar een tijd waar er van internet nog geen sprake is. ‘De afgevaardigden van de onderhorige steden zijn ook tot het feest geroepen. Om vier uur in de namiddag schiet de stoet in gang en beginnen de hoogwaardigheidsbekleders onder het luiden van de klokken hun tocht naar de kerk.’ ‘Met vooraan de afgevaardigden van de steden die zeggenschap moeten afleggen aan Brugge. Vier van Sluis, Damme, Aardenburg, Blankenberge en twee van Oostende. Ze dragen allemaal een toorts van een kilo of drie. Vijf pond om precies te zijn. Ze worden gevolgd door 150 in het zwart geklede edelen van de poorterie. Met daarachter twee schepenen en een pensionaris van Gent, de heren van de wet van Brugge en meer dan 100 heren van het hof.

Ze dragen allemaal brandende waslichten in de hand.’ De geestelijken mogen natuurlijk niet ontbreken. ‘Hier na komen de geestelijken statig aangestapt. Zeven gemijterde abten en acht andere prelaten worden gevolgd door die van het kapittel van St.-Donaas, de bijzonderste kapelanen van het hof, de bisschoppen van Sarepten en Doornik. Allemaal getooid in hun prachtigste gewaad. De stoet wordt afgesloten met nog verscheidene helden en edelen van het land.’ ‘De hertogin Margaretha van York, de weduwe van Karel de Stoute, draagt de kleine in haar armen. Adolf van Ravestein is er en ook de heer van St.-Pol.’ Bizar genoeg is er van Jan van Dadizele geen sprake.

Zie maar, het is een jongentje!
Ook de Sint-Donaaskerk is rijkelijk versierd met de exclusieve doopvont centraal in het hoofdkoor. ‘De belangrijkste edelen heffen het kind de hoogte in. De bisschop van Doornik doopt het kind en geeft het, op verzoek van de hertogin, de naam van Filips, net zoals zijn overleden grootvader Filips de Goede.’ De kleine krijgt goud, zilver, geld en juwelen van de hoge gasten en dan vertrekt de stoet terug naar het Prinsenhof. ‘Langs de straten waar de stoet voorbij moet, staan er duizenden mensen verzameld.

Vooral op de grote markt staat er een menigte van volk. Iedereen wil het kind zien, want, zo vertelt een oude kroniek, staan er onder de mensen van Brugge nogal wat aanhangers van Lodewijk de 11de, de koning van Frankrijk, die sinds de geboorte van de kleine overal rond bazuint dat het kind geen zoon is, maar eigenlijk een schone dochter. Wanneer de stoet eindelijk op de markt aankomt en er halt houdt, toont hertogin Margaretha het naakte kind aan het volk.’ Gelukkig is het zomer. ‘Bekijk hier uw jonge heer Filips, voortgesproten uit het bloed van de Romeinse keizers’, roept ze zonder enige gêne. Uit de duizenden monden weerklinkt nu opnieuw ‘Heil Heil’ en Adolf van Ravestein strooit gul in het rond met gouden en zilveren penningen.’ De feestelijke dag wordt afgesloten met een plechtig avondmaal, waarbij alle gasten die hebben deelgenomen aan de doopplechtigheid mogen aanschuiven.

De huizen worden opnieuw verlicht en op de bijzonderste plekken van de stad wordt er vuurwerk afgestoken.’ We keren terug naar het dagboek van Jan van Dadizele. De eerste donderdag van de vasten van 1478 bevindt hij zich in Gent waar de ambachtslieden de stedelijke jaarrekeningen moeten goedkeuren, een begroting moeten opstellen en de schepenen dienen te ontlasten van hun plichten van vorig jaar. Er is sprake van een taks van ‘twee miten up elcken stoop biers’. De meeste ambachten stemmen er mee in, maar omdat er enkele neringen ‘qualic te vreden waren’, wordt Jan van Dadizele opgeroepen om de knoop in deze kwestie door te hakken. Er is al geweld van gekomen en er zijn al enkele dodelijke slachtoffers gemaakt bij de onderlinge gilden.

Troebelen om de biertaksen in Gent
Vooral de wevers kunnen er zich niet in vinden dat de andere ambachten het eens zijn met de begroting. Jan van Dadizele probeert rustig te blijven en te bemiddelen. En dat terwijl de wevers tot opstand oproepen. ‘Eeneghe tycwevers trocken thuus van huerlieder neiringhe, luutden tcloxken te storm om huurlieder adherentie te vergaderen’. De stormklokken klingelen. Het is verzamelen geblazen. De tegenreactie van de andere gilden volgt onmiddellijk: ‘smeders, cordewaniers, legghewerkers en andere neeringhen vergaderden ghewapent in de huusen van huerlieder neeringhen.’

De wethouders smeken de dekens van de gilden om rustig te blijven en niet in te gaan op de provocaties van de wevers. De schepenen Joos van Wichhuus, Jan Heyman en meester Mathys de Quicke proberen op een gemoedelijke manier te beletten dat de verschillende ambachten zich zouden inlaten met het blok van de gewelddadige wevers. Wat een schril contrast betekenen deze gebeurtenissen toch tegenover de pracht en de praal van dat Bourgondische doopfeest in Brugge? Hun opzet lijkt aanvankelijk te lukken, maar als de mannen te horen krijgen dat de wevers zich, samen met de molenaars, gewapend in de stad aan het verspreiden zijn, stappen ze er onmiddellijk met zijn allen op af om de confrontatie met die vijandelijke gilden aan te gaan. De benden ontmoeten elkaar aan de Veebrug waar het tot hevige gevechten komt.

Bij de wevers en de molenaars vallen er doden en gewonden, waardoor de rest op de vlucht slaat. Voor Jan van Dadizele is het welletjes geweest. De hoogbaljuw komt er met zijn brigade bij het Sint-Veerleplein waar het gezelschap zich voegt bij de stadhouders. Het gaat nu richting de Vrijdagmarkt. Hier en daar sluiten enkele sympathisanten zich aan bij de groep. Van een leger kan je echter niet spreken. ‘De hooghbailliu merckende tcleene volc dat hy hadde omme die groote maerct te houdene hadde gheerne eenen ommeganc achter de stede ghedaen omme doot te slane die zy hadden vonden vergaderinghe jeghen hem makende.’ Jan van Dadizele heeft geen volk genoeg om weerstand te bieden aan de rebellerende stielmannen. Er worden kanonnen aangevoerd en de trompetten schallen om goed volk, ‘maer daer quamer lettel’.

In 1478 is er nog sprake van enkelbanden
Een massale confrontatie is uitgesloten en van Dadizele moet noodgedwongen zijn plannen wijzigen. Hij moet de gilden één voor één aanpakken. In de binnenstad houden de respectieve gilden hun afzonderlijke meetings en daar zal de wet noodgedwongen moeten toeslaan. Al het volk dat op de Vrijdagmarkt staat, verhuist nu naar het Sint-Veerleplein. Ondertussen is het middernacht geworden. ‘Jan van Dadiselle trac met onderbailliu, dienaers, scepenen, beede de dekenen, volc ende engienen dat up de Vrydag maerct was, omtrent der middernacht up sente Verle plaetse, tvolc daer stellende in ordonnancie ende met zom ende twee serpentinen trac voir smeders huus daer vele volcx van diversche neeringhen ghewapent binnen vergadert waren.’ De mannen worden onder bedwang naar het Sint-Veerleplein overgebracht.

Idem dito met de wevers die samengetroept zijn voor het gildehuis van de olieslagers en te ‘Begaerde’. En zo gaat het verder met de andere neringen. De wapens worden neergelegd en nog voor de ochtend heeft Jan van Dadizele de rust in de binnenstad van Gent hersteld. Met de oproerkraaiers onder controle, is het tijd om de aanstokers van de rebellie aan te pakken. Lievin van Leut is opgepakt nadat hij de hoogbaljuw kwade woorden naar het hoofd heeft geslingerd. Jan van Nieuwenweghe, een smid, werd betrapt toen hij heimelijk wapens aan het binnensmokkelen was in het gildehuis en ook hij is gevangen gezet.

De schepenen hebben ook informatie ontvangen dat de deken van de smeden, Cornelis van Belle, een van de belangrijkste opstokers is geweest. ‘Daeromme hadden zy ghelast dienaers dat zy hem vanghen zouden, maer zy en consten niet vinden’. Jan van Nieuwenweghe beweert bij hoog en bij laag dat hij onschuldig is en probeert zijn vel te redden door de deken van de smedengilde zelf te gaan zoeken. Dank zij die list wordt Cornelis van Belle dan toch opgepakt en tot bij de schepenen gebracht. In 1478 is er geen sprake van enkelbanden of van gevangenisstraffen die in onze moderne tijden zelfs niet dienen te worden uitgezeten. Laat staan dat er vergoedingen worden betaald aan gevangenen die zich slecht behandeld voelen. We proeven de scherpte van de middeleeuwse rechtspraak; ‘de drie principale upzetters werden ghevanghen, verwyst en onthooft binnen den zselven daghe.

Verkrachting, diefstal en geweld in de Westhoek
Corts daer naer omme tselve upstel worden vele onthooft te Ghendt, tAntwerpe en te Thienen ende zeer vele ghebannen te Ghendt.’ De afrekening van de stadsfinanciën en de taks op de stopen bier worden nu probleemloos goedgekeurd op twee maart. Het zuiden van West-Vlaanderen komt in beeld. De levensomstandigheden in de ruime Westhoek moeten in het voorjaar van 1478 abominabel zijn, schrijft Jan van Dadizele.

De mensen van de buitengebieden leven met de angst en de daarmee gepaard gaande daver op het lijf. Bovendien is de intense vrees dat de Fransen zullen binnenvallen nog niets vergeleken bij de terreur die al dat zogezegd bevriend wapenvolk overal te lande aanricht. ‘De heere van Dadiselle ansiende de nood ende last daer inne dat een groot deel van Vlaendre stont, zonderlinghe vele landslieden, van vreesen van den Francoysen en och meer van der grooter overdaet dat volc van wapene vrienden hetende, hemlieden deden met doot slane, quetsen, vercrachten, thuerlieder nemende wyn, wittebroot, vleesch, visch, dwynghen te doen halene huerlieder vruchten, graen, spise, dranc ende ander goed tontdomme, over te doene ende te bedervene, zonder yet af te ghevene dan slaghen ende quade woorden, twelcke zwaer was om verdraghen.’

Jan van Dadizele grijpt in. Zijn onderdanen in Dadizele krijgen de opdracht om zich zo goed en zo kwaad als mogelijk te wapenen en zich, gekleed in witte en paarse kleuren, bij hem aan te melden. Dezelfde opdracht komt er voor die van Meennine, Gheluwe, Beselare, Morslede, Ledeghem ende Morsele als rondsomme naerst Dadiselle gheleghen ende daer naer noch 29 prochien dat waren, 36 prochien daer rondsomme gheleghen.’ De lokale milities moeten zich melden op de Kezelberg, centraal tussen Menen, Moorsele, Dadizele en Ledegem. De inspectie, ‘deerste monstre’, van de troepen wordt voorzien voor het einde van maart 1478. We weten ook hoeveel mannen uit de Westhoek er opgeroepen worden.

Mobilisatie op de Kezelberg
Met 5.600 zijn ze afgekomen uit 36 verschillende parochies in het omliggende, ‘meerst deel, wit ende peersch, redelic ghewapent en ghestoet’. Enkele ridders, edelmannen, wethouders en de overdeken van Gent zijn er met paarden en wagens naar toe gereden om de mannen te monsteren. De mannen beloven plechtig dat ze alle kwaaddoeners zullen aanpakken en dat het er niet toe doet of dat vijanden zijn of niet.

Het nieuws van de volksmilitie van de Westhoekmannen verspreidt zich als een lopend vuurtje en heeft zo zijn impact op de veiligheid in de regio. ‘Van deser grooter vergaderinghe ende eendrachtichede wart zo groote dueghelyke mare dat altemet deene plecke vooren ende dander naer van ghelycken deden in zulker wys, dat corts ghesciet al Vlaendre duer, zonderlinghe te platten lande, sichtent hebben de Francoysen en volc van wapene cleene scade binnen den landre van Vlaendre ghedaen, want waer zy commen oft logieren wilden de Vlaminghen zo ghereedt zynde waren ter stont tieghen.’ Gent, Brugge en Ieper, beter bekend als de drie leden van Vlaanderen, verlenen de toelating aan het volksleger om alle misdadigers volgens eigen oordeel te berechten. De ‘malfaiteurs’ mogen zonder veel tralala en pardon gevangen en geëxecuteerd worden.

Maximiliaan van Oostenrijk gaat zelf nog een stukje verder. Zelfs de eigen militairen mogen gedood worden als ze zich tegenover het landvolk misdragen. Er komen trouwens nog meer grafelijke instructies. Die dateren van april 1479. De mobilisatie kan dus zeker niet als een eendagsvlieg beschouwd worden. Van de 5.600 dienen er 1.000 weerbare mannen af te zakken naar Gent en 1.000 naar Ieper. De toestand in de Westhoek wordt nu stevig onder controle gehouden door Jan van Dadizele en zijn mannen. In 1479 stelt hij voor aan Maximiliaan om met 3.000 à 4.000 van zijn artilleriesoldaten naar Ariën aan de Leie te trekken.

Van Molinmadame naar Meereghem aan de Leie
Er is trouwens nog meer wapenvolk dat zich aanmeldt bij de heer van Dadizele. 3.400 gezellen uit de kasselrijen van Kortrijk, Ieper en Belle aangevuld met een aantal soldaten ‘uten walsche lande ende andere’. De 9de juni van 1479 verplaatst het leger zich naar Armentières en de volgende dag verhuizen ze al naar een plek met de kleurige naam ‘Molinmadame’ en wat later naar Meereghem waar ze oog in oog komen te liggen ten opzichte van de Franse artillerie aan de zuidzijde van de Leie. Het kost me enige moeite om te ontdekken dat Meereghem eigenlijk de Franse stad Merville is, zuidelijk gelegen van Hazebrouck en Belle en dichtbij Calonne aan de Leie waar de geestelijken van Sint-Maartens van Ieper nogal wat eigendommen hebben.

Molinmadame blijkt synoniem te zijn van ‘Les Prés du Moulin Madame’ bij Sailly-sur-la-Lys, zowat 10 km dichter bij Armentières. De gevechten tussen de Fransen en de Vlamingen ontbranden zo goed als onmiddellijk. Het woord ‘ontbranden’ past trouwens in deze context, want er is sprake van ‘engienen’ die projectielen afvuren over de Leie. ‘De Vlaminghen met huerlieder gheselscepe stellen hemlieden zo ter weere met engienen van dweers der Leye ende met een ghedeel ghesellen die over de Leye trocken schermutsen jeghen de Francoysen, ‘twelke zeer langhe geduerde, dat de Francoysen moesten vertrecken zonder eere of prouffit.’

Daar komt de elite van het Vlaams leger van profiteren. De meneren van Bevers, Nassau, Chanteraine en nog veel andere lieden van oorlog maken gebruik van de Leie om Frankrijk binnen te dringen. Ariën, St.-Venant, Boeseghem, Thiennes. De verzamelde milities ontmoeten graaf Maximiliaan in St.-Omer en daarna mogen de Westhoekse landmannen wat rust nemen in Arques, ‘daer zy bleven tot dat zy orlof kregen ende trocken elc thuus’. Het is hoogzomer, verdraaid een prima weertje om oorlog te voeren. De sentimenten zijn sinds de komst van de nieuwe sterke man totaal omgeslagen. Onze heer van Dadizele heeft met zijn Maximiliaan ook de nodige steun in de rug en hij profileert zich als een volleerde kapitein-generaal van een Vlaams leger dat zich halfweg de hooimaand langs de oostelijke kant van de Nieuwendijk te velde begeeft.

7 augustus 1479: de slag om Guinegate
Een flink uit de kluiten gewassen leger is het. 11.000 man. Ze maken zich meester van plekken met de exotisch middeleeuwse namen als ‘Nuwenberch’ buiten Cassel, ‘ter Woestyne, tRudehout en van daer an tnoordhende vanden Arkevelde, daer zy bleven tot de 25e van der zelven maendt.’ Hertog Maximiliaan sluit zich aan bij het leger en samen verhuizen ze naar Terenburg, het magische Terwaan dat op vandaag Thérouanne wordt genoemd. Ze weten goed genoeg waarom ze er blijven tot aan de eerste week van augustus. De Fransen zijn op komst. Jan van Dadizele beschrijft het ook in zijn memoires: ‘de Francoysen quamen over de zuydzyde van der Leye, met machte, omme den hertoghe Maximiliaen te bevechtene.’

Als de hertog op de hoogte wordt gebracht van de komst van de Fransen, geeft hij opdracht om ‘alle zyne engienen, vellen, tenten ende pavilloenen, bagagen ende vitaillen’ te verhuizen ‘een half mile oost van der zelver stede.’ Er kan geen sprake van zijn dat ze de vijand zullen opwachten. De aanval is de beste verdediging. De 7de augustus van 1479 steekt het Vlaams paardenvolk de Leie over. Ze hebben tijdelijke bruggen over het water aangebracht en zo kunnen de karren en de artillerie aan de andere kant geraken. Het voetvolk moet zijn plan trekken, ‘ende de voetganghers Vlaminghen meerstdeel moesten duer twatre.’ Nu gaat het leger op zoek naar de Fransen die er blijkbaar in ‘grooten ghetalle waren’. ‘Te peerde ende te voet, tot by der Viefville, daer zy ze ghemoetten omtrent den 3 hueren naer de noene.’

Er wordt gevochten tot 8 uur in de avond. De Fransen hebben beduidend meer paardenvolk ter beschikking, maar dat wordt gecompenseerd door de massa van Vlaams voetvolk die prima geleid wordt door de heren van Romon en Nassau en nog veel andere ridders en edelmannen die ook al te voet aan hun zijde vechten. We beleven de fameuze veldslag van Guinegate van op de eerste rij. De Fransen krijgen er van langs. ‘Daer bleven zeer vele franc-archiers van den coninc doot, de hertoghe Maximiliaen behilt tvelt’. Nog diezelfde avond overrompelen de Vlamingen het achtergelaten kamp van de vijand. Artillerie, wagens en proviand liggen er voor het grijpen.

Afrekeningen in Boezeghem
Wat een schitterende buit treffen de Vlamingen hier aan. Er wacht nog een andere beloning voor een reeks Vlamingen die zich van hun beste zijde hebben laten zien tijdens de slag. Zeventien worden er tot ridder geslagen. Ook onze Jan van Dadizele zie ik op het lijstje van nieuwe ridders prijken. De 12de augustus mogen de mannen terug naar huis. Maximiliaan van Oostenrijk en zijn Mariaatje van Bourgondië gaan tijdens de augustusmaand op bezoek naar Ieper en achteraf besluiten ze om ook Dadizele aan te doen. ‘Huerlieder pelgrimaige doende, etende ende drinckende sheeren van Dadiselle’.

Ongetwijfeld allemaal op kosten van Jan van Dadizele om dan in de vooravond door te reizen naar Kortrijk. De volgende dag gaat het weer richting Gent waar hij van de Raad van Vlaanderen de goedkeuring krijgt om zijn 15.000 mannen van wapenen te betalen voor een volle maand van krijgsprestaties. Als ik de kronieken mag geloven, zijn er nogal wat officieren en ridders die geweigerd hebben om te vechten voor Maximiliaan. Ze hebben hun lot verbonden met dat van de Fransen en hun houding ligt duidelijk op de maag van de nieuwe graaf.

Er wordt een commissie opgericht waarbij Jan van Dadizele alle zeggingskracht krijgt om de dissidente officieren in gebreke te stellen. Zo vertrekt er een nieuw leger naar Boezinghem, meer bepaald naar het kasteel van Malaunoy, waar Cadet Ramonnet en enkele van zijn kompanen worden gevangen genomen en daarna hun leven hangend aan de lus van een touw beëindigen. De afrekeningen gaan het hele najaar verder. De wraakzuchtige zuiveringen bij de adel van ‘Peernes, Sint-Pol, Mont-sint-Eloy, Pont-à-Wendin, Berghe ende Ryssele’ slepen aan tot halfweg oktober.

Er worden 18.000 man up de frontieren gelegd
De winter kondigt zich aan. De raad van Vlaanderen stemt er mee in om geen risico’s te nemen en de grenzen grondig te bewaken. 18.000 mannen zullen ‘up de frontieren’ gelegd worden. 5.000 onder hen worden onder leiding van Jan van Dadizele naar het Westland gestuurd. Het is erg ongewoon dat de troepen tijdens de winterperiode in actie moeten schieten. De droge decembermaand zit er voor veel tussen dat de milities ‘omme de zo groote droochte’ gedurende drie weken moeten postvatten ter hoogte van Belle en Cassel. Met de nieuwe lente die er nu zit aan te komen, volgt er een nieuwe episode in de schermutselingen en de oorlog tussen Frankrijk en Vlaanderen.

De hertog verzoekt Jan van Dadizele om hulp die natuurlijk niet geweigerd wordt. Zijn mannen verhuizen nu naar de regio Kortrijk-Oudenaarde. Lang moeten ze niet wachten om oorlog te voeren. De Fransen zijn Seclin binnengevallen waar ze de kerk hebben veroverd en in brand gestoken. Een aantal lokale dorpsbewoners worden daarbij om het leven gebracht. Van Seclin zijn de vijandelijke soldaten nu in massa op komst naar de Westhoek in de veronderstelling dat de legers van Maximiliaan zich daar niet langer meer hebben opgesteld. Ze onderschatten toch wel de veerkracht van het Vlaamse leger.

‘Dat horende wederboot van Dadiselle al zyn lieden ende vergaderde vele meer ende trac met al tYpre ende van daer te Wervicke, omme te wederstane de zelve Francoysen.’ De hele zomer van 1480 staat in het teken van het beschermen van de grenzen. Veel details lees ik niet. Enkel dat de mobilisatie totaal is en dat er hulp komt van een leger dat ter beschikking wordt gesteld door de bevriende hertogin van Namen. De 21ste augustus wordt er in Douai een nieuw bestand gemaakt met de vijand. Een winterreces dat zal aanhouden tot maart van het volgend jaar. ‘De heere van Dadiselle, met redelicken gheselscepe, bleef te Cassele tot dat hy de tydinghe hadde van den bestande ghemaect buten Douay den 21ste van ougst anno 1480, gheduerende tot uutganghe van Maerte daer naer.’

Staminee in Den Payse
Er volgen nogal wat details rond de hoogwaardigheidsbekleders die deelnemen aan de ‘dagvaart’ om het vredesbestand te ondertekenen. De entourage rond Maximiliaan en Maria wordt in maart 1481 grondig herschikt. Vier ridders en hun kameniers zullen voortaan deel uitmaken van het hof en ze zullen hiervoor een wedde van 53 pond per dag ontvangen. Ik houd niet zo erg van lijstjes, maar de namen van de vertrouwelingen wil ik wel weten. ‘De grave van Joigny, de heere van Chanteraine, Mer Jan van Berghe en onze middeleeuwse vriend Mer Jan, de heere van Dadiselle.’

Die laatste krijgt trouwens de functie van hofmeester en zijn zoon, ook al Jan genaamd, mag als schildknaap in dienst treden van het grafelijk hof. Oorlog en rebellie zijn nooit ver weg. Voor een keer dat het nu rustig is in het zuiden, wordt Jan van Dadizele nu opgetrommeld om naar Holland een oorlog uit te vechten ‘ter cause van groote rebellichede’. April 1481. De Duitsers en de Engelsen zijn ook al betrokken partijen. Dordrecht en Leiden vormen het scenario van de baldadigheden die eindigen met het onthoofden van 7 man, een trits gevangenen en een boete. Maximiliaan is er bij als er een groot conflict rijst tussen de Duiters en de Engelsen die daar in Dordrecht in groten getale zijn aangespoeld.

‘Een groot ghevecht’, lees ik, ‘het gesciedde te diversche stonden, binnen dien daghe, daer blever doot an beede de zyden, maer niet vele: de heere van Dadiselle wasser.’ Onze man wordt nu wel prontig op zijn voetstuk geplaatst. De eerste mei van 1481 arriveert hij in ’s Hertogenbosch en na wat onderhandelingen in naam van zijn hertog, zetten de vechtende partijen een weekje later hun handtekening onder een vredesbestand. ‘Den Payse’, zoals dat ze dat in die tijd noemen. Het doet me denken aan de charmante kroeg langs de Grote Markt in Poperinge. Café De La Paix. ‘Staminee in Den Payse’.

De heerlijkheid van Dadizele
Onze nieuwbakken kanselier schrijft nu zelf mee aan de wetgeving. Zijn memoires geven de nodige details prijs. Veel brieven van en naar Maximiliaan. Vooral Franstalig met het gezwier en gezwaai van titels en van de nodige ‘très-chièr et bien amé’-frases die uiteindelijk door de secretaris van de hertog worden geadresseerd ‘à nostre amé et féal escuier, Jehan, seigneur de Dadiselle.’ De memoires hebben het nu gehad met de militaire verwezenlijkingen. Ze gaan nu volop aandacht besteden aan het thuisfront van de man. En zo voeren ze me terug in de tijd. Jan besteedt zijn leven in dienst van het Bourgondische hof en krijgt daar ook het nodige voor terug.

Eind 1465 kan zijn thuisdorp Dadizele daar een graantje van meepikken. Filips de Stoute leeft nog en hij vergunt Jan een ‘ottroy omme van zom van den bodem van den leene van Dadiselle erve te maken.’ Ik concentreer me op de akte. De heerlijkheid van Dadizele dankt zijn bestaan en belangrijkheid aan het feit dat er een grafelijk kasteel is in Kortrijk. De graaf is opperleenheer over Dadizele waar de familie van Veerdeghem, de echte naam dus van Jan van Dadizele, al sinds jaar en dag de scepter mag zwaaien in ruil voor hun ondersteuning van de graven van Vlaanderen. Het gaat dus over de ‘seignourie de Dadiselle, laquelle il tient de nous en fief et pairie à cause de nostre chastel de Courtray.’

Het kasteel en het landgoed ligt te midden een stuk grond van in totaal 25 hectare, in die tijd bunders genoemd. De meeste liggen rond de parochiekerk van Dadizele. Met de akte verleent de graaf de toelating aan meerdere mensen om te gaan bouwen en voortaan de heer van Dadizele als hun hoofdleenheer zullen beschouwen. Ik hou wel van die taal van toen. Vooral als die het heeft over de mensen die er mogen gaan bouwen; ‘plusieurs gens feroyent volentiers demoure et y feroyent bastir et construire maisons et édifices’. En zo gaat het verder.

Broishende, Broodseinde, Bruzzende, Brosende
Het komt er allemaal op neer dat de gronden een tegenprestatie zijn voor bewezen diensten en dat die nu in erfrecht komen van de van Veerdeghems die er voortaan ook hun eigen achterban kunnen laten wonen. We beleven een van de eerste verkavelingen van Dadizele. Het nieuwe volk mag er komen wonen en bouwen en leven maar ze worden ook afhankelijk van hun leenheer. De tienden, de belastingen van de middeleeuwen, zullen niet lang op zich laten wachten.

Er wacht mij een verrassing in een document van ‘junio in ’t jaer Ons-Heeren 1470’. Hij krijgt van Adolf van Kleef, de heer van Ravenstein en een topman van het Bourgondische hof, de toelating om de honneurs in het kasteel van Wijnendale over te nemen en dit in zijn functie van kamerheer van Joos van Lalaing. Dat nieuws op zich is natuurlijk niet de surprise, maar wel dat die Joos van Lalaing in deze brief omschreven staat als heere van ‘Broishende’. Dat die man de heer van heer van Montigny en van Santes is geweest, is geen geheim. Maar ‘Broishende’? Zou dit de vroegere naam van Broodseinde zijn die nu nog altijd bloemrijk ‘Bruzzende’ wordt genoemd in de volksmond?

De zoekmachine van Google helpt mij niet verder. Precies 6 km scheidt Dadizele van Broodseinde. De link tussen de heren van Dadiselle en Broishende kan hier wel zijn reden vinden: ze zijn buren van elkaar. Het enige wat ik uit het internet kan puren, is dat er wel degelijk een heerlijkheid van Broodseinde heeft bestaan waar een zekere Ferdinand Anchement, de heer van Broodseinde in 1665 ter ziele is gegaan. Joos van Lalaing wordt nog een keer vermeld in 1474. Ze nemen het in die dagen niet al te nauw met een correcte spelling. Deze keer heet hij Josse de Lalaing en is hij ‘seigneur de Brosende’.

De boosdoeners van dienst worden berecht
Eén van die interessante geschriften is zeker dat van de 13de maart van 1478. Afkomstig van ‘Maximiliaen ende Marie, byder gratie Godts’, die ze er ook bij betrekken. Het betreft een commissie die zal opgericht worden ‘jeghen ’t volc van wapene’. De misdaden die gepleegd werden op de buitenmensen van de Westhoek krijgt een staartje. De baljuws van de hele streek worden er meteen bij betrokken.

Ik maak kennis met de boosdoeners van dienst. ‘Mer Karle van Saveuses, Petit Salleszart, Cornelis van Berghe ende veel meer andere met huerlieder gheselscepe ende lieden van orloghen die in diversche plecken van onser voornoemden lande ende graefscepe van Vlaendre diversche fortsen, crachten, excessen ende violencien doen ende committeren, als van vrauwen te vercrachtenen, maechden te scoffierne, mannen ende wiven doot te slane ende te vermordene, haerlieden goet fotselinghe te nemene, te rovene ende wech te voerne.’ Er komt haast geen einde aan de reeks aanklachten tegen het gezelschap. Het moet erg geweest zijn in de Westhoek.

Het liep zo de spuigaten uit dat de mensen zich verplicht hebben gevoeld om hun huizen achter te laten en op de vlucht te slaan voor de dodelijke terreur. Maximiliaan slaat zelf een stukje mea culpa. Zulke moorddadige feiten mochten zich nooit hebben voorgedaan. Vlaanderen heeft hier niet snel genoeg op gereageerd. ‘Indien by ons den zelven onsen ondersaten niet voorzien en worden van remedien’. Dat betekent helemaal niet dat er geen vergelding zal komen. Er moet en er zal ‘vander culpablen pugnitie, correctie ende justicie ghedaen worden, in examplen van alle anderen.’ Er moeten voorbeelden gesteld worden. De daders moeten opgeruimd worden of ophoepelen. In het 15de eeuwse Vlaams wordt dat vertaald in ‘vertrecken ende rumen’. De baljuws van Vlaanderen krijgen vrij spel van de graaf. Ze mogen alle verdachten aanpakken op gelijk welke manier. Van hetzelfde laken een pak. Ze mogen ‘ghelycke fortsen, viloentien ende andere excessen’ toepassen. Wraak is dus volop gepermitteerd.

De toestand te Poperinge in het jaar 1479
Jan van Dadizele heeft al zijn brieven netjes bijgehouden. Zo bijvoorbeeld die van april 1479 wanneer hij aangesteld wordt als opperbevelhebber van een Vlaams leger. De oproep is gericht aan de raad van Vlaanderen die een algemene mobilisatie dienen aan te kondigen. ‘Also by corten tyde harwaert om de verzekerthede van onse landen heerlicheden ende ondersaten, ende te wederstane ons vianden die daghelycx poghen ons afsdeels te destruerene, gheadviseirt ende ghesloten es gheweest up te stellende ende ghereet te makene hondert ende vyftich duusent vechtende mannen lieden van orloghen, doende ende excercerende ’t capitainscip van Jan, heere van Dadiselle die ze neerstelic moeten obedieren ende verstaen.’ De opdrachten volgen elkaar in snel tempo op.

De ene keer worden ze verstuurd vanuit Ieper en vaak vanuit Brugge of Gent. Concrete opdrachten om bijvoorbeeld die brug te maken over de Leie in Merville. Op 3 december 1479 heeft Maximiliaan het uitdrukkelijk over de oorlogssituatie in de Westhoek en meer specifiek in Poperinge. Poperinge dat het moet stellen zonder stadsomvalling, een fout van de geschiedenis en van de geestelijken van St.-Bertinus, is zoals zo vaak een zwakke plek in de Vlaamse verdediging. De graaf zwaait met complimentjes naar Jan van Dadizele voor zijn succesvolle campagne die hij tegen de Fransen heeft gevoerd. ‘Doe zo voort’ schrijft hij in zijn taal van toen.

Hoewel de man zelf geen woord Vlaams spreekt. Jan van Dadizele moet zich op dat moment in Ieper bevinden en hij krijgt de formele opdracht om zich naar het platteland te begeven. ‘Wy wilen ende bevelen u dat ghy, wesende in onse stede van Yppre daerwaert dat ghy treckt by ’t volc vanden platte land te vergaderen ende te disenieren ende hulpe te verzouckende an die van Brugghe, van Yppre ende anderen smalen steden, in ’t voorseyde westland gheleghen, omme de voorseyde vianden te wederstane ende de plecken die gheheel zyn te behoudene ende beschermene, sonderlinghe de stede van Poperinghe, die als noch ghedeeld staet ende by den verliese van den welken wy onvercrighelycke scade ende groot hyndre hebben zouden.’

De 12 burggraafschappen van Kortrijk
Na de eindeloze reeks brieven en opdrachten, komen we aan een overzicht van de lenen die afhangen van het kasteel van Kortrijk dat volledig eigendom is van Maximiliaan ‘ter cause van mer vrauwe zyner gheselnede als erfactghe graefnede van Vlaendre’. Het kasteel van Kortrijk zwaait de scepter over 12 respectieve burggraafschappen. Het lijstje is onvolledig, maar Menen, Wervik, Tielt, Izegem, Heule, Dadizele, Pittem, Kooigem en Oostrozebeke staan er met hun oude Vlaamse namen; Meenine, Werwicke ghenaemt Briefvel, Thielt-ten-Hove en Thielt, Yseghem, Huele, Pitthem, Coeyeghem en Oost-Roosbeke.

Jan van Dadizele zwaait de scepter over de 12 burggraafschappen, zo veel wordt duidelijk als we een akte lezen die in opdracht van de graaf opgesteld werd door Jacob Scaec tijdens de hooimaand van 1456. Onze man is dan 24 jaar. We krijgen zicht op interessante details over de toestand in het Kortrijkse van de 15de eeuw. Eerst en vooral is er het landgoed in Dadizele. 25 hectare ‘Mersch, busch ende watre’. Ze leveren hem nogal wat opbrengsten op. De penningrente bedraagt 107 pond per jaar. Het eerste deel te betalen op ‘Baesmesse en de rest te Kersthavende’. Naast cash valt er nog veel meer af te dragen aan de leenheer. 144 rasieren graan, 6 ganzen, 16 kapoenen en 3 hoenderen. Dat geldt voor iedereen die een stuk grond in gebruik krijgt ‘binder voorseyde prochie van Dadiselle’.

De 20 lenen in Ledegem zijn in leen gegeven aan een zekere ‘heere vander Gracht’. Jan van Moorbeke baat de 17 lenen uit in Gits, dat hier omschreven staat als ‘in de prochie van Gheits’. Ook in Middelkerke zijn er eigendommen. Er volgt een lijst van leenhouders die hun leen al dan niet in volle leen hebben. Lenen vooral in Dadizele, maar ook in Ledegem: Jan Blomme, Roellandt de Valckenare, Olivier Cannaert, Lysbette Witinex de ‘wedewe Lauwers’, Jan de Conde, Tristam vander Woestine, Denys vander Meersch, Thomaes Bollin, Pieter Ghiselin, Daniel de bastaard van Dadizele, Jan Palster, en nog anderen.

De noordoosthoeve flankeert de Heulebeek
Baljuw Jan van Dadizele krijgt uitdrukkelijk de macht om recht te spreken over allen die op zijn landerijen wonen. ‘Te weitene: zweert, pit, galghe, den ban van 100 jaren ende eenen dach uut myner voorschrevene heerlichhede ende voort uuten lande van lande van Vlaendren up ’t lyf.’ ‘In desen staet es Dadiselle in meye in ’t jaer 1480.’ Het staat me erg aan dat ik nog meer details te lezen krijg. Dadizele is dus één van de 12 burggenootschappen die onder het kasteel van Kortrijk vallen. Waterpartijen, boomgaarden, meersen en landbouwgrond, ‘al liggende tsamen rondsomme der kercke, zonder datter eenich ander landt binnen es, uutgheleit ’t kerchof, de priestrage ende diversche plecken van erven.’ Er is nu al sprake van 46 hectare. De noordoosthoeve flankeert de Huelebeek.

En als ik het goed begrijp is dat de belangrijkste van allemaal want het land wordt er rechtstreeks uitgebaat door de horigen van Jan van Dadizele. Naast zijn hoeve bevindt zich het erf Ter Beke, bewoond door Willem Corte. Tegen de grens van Ieper-Ambacht woont Thomaes Bollin. ‘Ende van daer streckende dweers den steendam westwaert lancx den waterlope jeghem stroom ande zuudzyde van alle den meersschen tot in de Wervicstrate, noortoost van sheeren hofstede ende van daer lancx der oostzyde van Willems Corte leen voorseyd.’ De horigen die het land bewerken in opdracht van Jan Dadizele worden niet enkel verplicht om mee op oorlog te trekken als ze daartoe opgeroepen worden. Van alles wat ze produceren op zijn grond, moeten ze een stuk afstaan. En ze moeten ook werk gaan verrichten op het hoofdleen van Dadizele. Ter Huele dus.

De prochies Ghelue, Ledeghem en Gheyts
De mannen mogen gebruik maken van paarden om het land te bewerken. Het gras op de weide moet gemaaid worden. Die weide is zowat 2 hectare groot en wordt omschreven als de ‘latemeersch’, een naam die rechtstreeks verwijst naar de status van de sukkelaars die er moeten werken: de laten. Een van de belangrijkste lenen is deze van ‘Vleenderbeix’ en de uitbater hier is ook al cijnzen verschuldigd aan ‘Ter Huele’.

Vijf schellingen en 8 Parijse denieren, staat er te lezen. Er wonen drie soorten van laten op de hoofdmarke. ’t Leen heift upperhof, nederhof, behuust, beplant ende bewatert, wintmeulene, orsmuelene ende brauwerie.’ De heerlijkheid van Dadizele strekt zich uit ‘inne de prochie van Ghelue, Ledeghem, Gheyts ende Middelkercke’. De priester van Dadizele is de geestelijke baas over het hele gebied. Er heerst een ‘ghemeene kercghebot van deurgaende ende singuleerde waerhede van ban’. Ook op rechterlijk gebied heerst de vierschaar over dezelfde gebieden. De oude tekst van 1480 springt van de hak op de tak, via de jaarmarkt van Dadizele en de handbooggilde, jump ik nu naar de omgeving van de kerk.

Dat is het één en het ander hoor! ‘De kercke, priestrage, upperhof, nederhof met orsmeulene ende brauwerie, de plaetse, de maerct, veel ghebuers ende diversche boomgaerden zyn tsamen bevreit met poorten, vesten, haghe ende water; het es een scone pelgrimage, groot appoort, scoon kercke daer men doet alle daghen de 7 ghetyden, de hoogmesse met dyaken, subdyakene, ghegheurt, ende veil andere messen ende godlic dienst met 5 priesters, solastre, costre, organiste, ludere ende kinderen.’ De macht van Dadizele over de omliggende gebieden heeft ongetwijfeld veel te maken met zijn strategische ligging. Pal op het kruispunt van de wegen tussen Brugge en Rijsel en die tussen Ieper en Kortrijk. De memoires van Jan van Dadizele trekken verder weg naar het begin van de jaar 1400 waar ze weer gaan zwerven tussen de bewoners van die dagen. Hun wel en hun wee. Wie ze zijn, waar ze mogen wonen en vooral wat moeten afdragen aan vrauwe Alise, ervachteghe vrauwe van Dadiselle’.

Het onderhoud van de latemeersch
Een hele lijst van hofstedes met hun bewoners en met het aantal ‘capoenen’ die ze moeten afstaan aan de leendame. En opgepast: de jaarlijkse afstand van ‘capoenen’ is een plicht die overgaat van vader op zoon. De 22 boeren zijn goed voor zowat 50 kapoenen. Lise Arnouts vormt een uitzondering: zij dient een hoen te schenken. Ik leer wat nieuwe namen van landerijen kennen. ’t Landt Ter Strate, te Haghebarens, Yweins Hoghen-acker en Aeldingscip, Vlassiners landt, Smeiners landt, Onraedts lands en het gaat zo nog lang verder. Diepgang wil ik. Ik wil weten hoe het leven van de mensen er in die tijden aan toe gaat.

Het hoofdstuk over ‘de maniere omme de latemeersch te mayene, onderhouden in den tyd Jans, Heere van Dadiselle, Ruddere’, bedient me op mijn wenken. Het koren op de latemeersch wordt in elk geval gewoonlijk geoogst in de hooimand of in de oogstmaand. Dat gebeurt bij voorkeur op een dinsdag, woensdag of een donderdag. Blijkbaar zijn dat de dagen die best passen voor heer Jan. Werken op het veld op een zondag is taboe. Dan behoort iedereen naar de kerk te komen. En dat mag best ernstig genomen worden. De gronden van diegenen die niet naar de mis komen, zullen verbeurd verklaard worden. De kerkgang wordt net zo goed als een belasting beschouwd als elke andere leenrente. De 11 laten die de beschikking hebben over in totaal 66 bunders houtland leveren ‘elc dien dach’ een wagen hout die getrokken wordt door 2 paarden.

‘11 waghens also ghestoffeirt met eenen meynere ende eenen onthakere.’ De rest van de horige families moeten elk een werkman sturen om met een riek de mest te laden en te lossen. In ruil krijgen ze ‘broodt, ghesoden zoetemelc, buetere ende peinssen ghefruyt’, gebakken pensen dus en tijdens de middag krijgen ze ‘broodt, spec, aerweiten, vleesch, caes ende bier.’ Ze worden uiteraard niet betaald maar het valt toch op dat ze flink wat eten krijgen. De hele dag krijgen ze bier ter beschikking. En de paarden krijgen nieuw hooi. ’s Navens als zy werc laten, elc een cleen broodekin ende een sticke caes daer up, insghelycx elcken kinde datter comt.’

De voorouders van Jan van Veerdeghem
De voorouders van Jan van Dadizele komen nu op de proppen. Er ontbreekt heel wat informatie. De tekst is rijkelijk voorzien van ‘ik weet het niet’ stippellijnen. De eerste is Lambrecht en die wordt opgevolgd door Willem die nogal wat schenkingen doet aan de kerk. Willem van Dadizele trekt in 1300 met Gwijde van Dampierre naar Filips de Schone in Parijs waar het gezelschap prompt gevangen gezet wordt. Het voorspel van de Guldensporenslag. Zijn opvolgster moet dus ‘Vrauwe’ Adelise zijn. Die sterft in het jaar 1332 en dat leert me dat haar grootvader Lambrecht dus al in de jaren 1200 de eerste kasteelheer van Dadizele moet geweest zijn.

Adelise ligt begraven aan de noordzijde van het Sint-Pietersaltaar. Het marmer van haar zerk zal trouwens gebruikt worden om het altaar van de zuidkapel in de kerk van Dadizele te maken. Adelise wordt opgevolgd door haar zoon Jan die op zijn beurt ruimte maakt voor ‘Rogier, heere van Dadiselle en die hadde ghetraut Lisbette Vander Mersch, te Vurselare, in ’t landt van Nevele’. Zo komen we stilaan aanbeland bij onze Jan van Dadiselle.

Roger moet zijn overgrootvader geweest zijn. Zijn grootvader, ook al een Jan, ‘hadde 12 bastaerden, de 2 storven, metter 10 levende trauwede hy joncvrauwe Marie van der Gracht, zy hadden ’t samen 12 getraude kinderen.’ Een bende kinderen dus. Het koppel overlijdt tussen 1424 en 1426. Een kind uit dat nest, is de vader van de toekomstige kanselier van Vlaanderen. Jan en Katherine Patyns trouwen in de meimaand van 1428 en ze krijgen 9 kinderen. Vader overlijdt op zijn dertigste op 20 maart 1440. En allemaal liggen ze begraven ‘innen de hooge choor te Dadiselle voorseid.’

De Dadizeelse kerk in de jaren 1400
De familiehistorie van de van Dadizeles blijkt een onontwarbaar kluwen van familieverbanden en huwelijken en dito mengelingen met andere Vlaamse adellijke huizen. Ik zwijg dan nog over al die lijsten van al die bastaarden. Ik beperk me tot de vier kinderen van mijn hoofdpersonage. Jan en zijn echtgenote Katheline Breydel krijgen samen 4 kinderen: Katheline, Marie, Jan en Willimine. Drie meisjes en een jongen dus. De Dadizeelse kerk in de jaren 1400 is al enkele keren de revue gepasseerd. Een machtig bastion, ondersteund door het lokaal kasteel. De dominantie over de bevolking moet verpletterend zijn.

In 1484 heeft ze 12 mensen in dienst. Wat een verschil met onze dagen waarbij de kerk alle moeite van de wereld moet verrichten om nog één priester te houden voor soms wel 5 kerken. Het zal er wel mee te maken hebben dat de horigen en de kasteelheer er al lang niet meer zijn en dat de mensen helemaal niet meer willen gedomineerd en verpletterd worden door dat kerkelijk bastion. Maar dit terzijde, ik buig me over ‘de dienlinghen vander kercke van Dadiselle in hoymaent, in ’t jaer 1484’. Ik bespaar u de namen, maar de ronkende titels zijn echte beauty’s. De ‘prochiepape’ wordt geassisteerd door drie ‘capellanen vander kercke’, en door één ‘van der zuudcappelle’. Er is een ‘costre’, een ‘scolastre’, ‘organiste’ en ‘ludere’ en uiteindelijk zie ik ook dat er drie ‘kercmeesters’ zijn.

Zij zijn het die de Dadizelenaars in het gareel houden. Ze worden hierbij ondersteund door twee’ baillius’, zeven ‘scepenen’, een ‘sergant’ en twee ‘dischmeesters’. Het mag gezegd zijn. De memoires van Jan van Dadizele schenken aandacht aan de gewone dingen van het leven. Kanonnenvlees wordt zelden bij naam genoemd. Toch zeker niet in de middeleeuwen. De lijst van de gesneuvelden op de Casselberg in 1328 vormt daarbij een zelden geziene uitzondering.

Het Lobbekmol-leen in Langemark
Ik krijg nu een overzicht te zien van de Dadizelenaars die met hun heer mee opstapten en die in 1479 de confrontatie aangegaan zijn met de Fransen aan de Leie in Merville. Ik vind het weinig zinvol om de namen te noemen. Hun aantal oogt echter wel indrukwekkend. Drie ‘culleuvriniers’ en twee ‘crenquiniers’. 23 boogschutters, die in dagen ‘archiers’ heten, 22 ‘pyckenaers’. Ook de ‘Zale’ van Ieper bezit nogal wat eigendommen in Dadizele en omstreken. Jan Kelgeweel houdt een leengoed van 5 bunders land.

Er is het heerschip te Cauryns in ‘Guedeleghem, Wevelghem, Bisseghem, Yseghem ende Inghelmunstre, gehouden van mer Jacob van Halewyn, ruddere, van zynen heerscepe te Nieuwenhove in Roosbeke. Wat we nu de ‘Koelenberg’ noemen in Wervik, wordt 500 jaar geleden ‘Coelberghe’ genoemd. Zo staat het toch in mijn teksten te lezen. ’T Heerscip te Coelberghe in Wervicke ende in Ghelue, ghehouden van Wouter vander Stoc, van zinen heerscepte ten Elstlande in Ghelue.’ In Heule duikt het heerschip en het goed in ‘Steenackere’ op. Gehouden door de hertog van Cleve en van zijn madame.

Het goed hangt ook af van dat van Broekburg. In Gullegem, dat hier opnieuw met de schilderachtige naam ‘Guedelghem’ wordt beschreven, vinden we het heerschip van ‘Rumbeicx-Mote’ dat gehouden wordt door de graaf van Vlaanderen via zijn kasteel in Kortrijk. De Zale van Ieper is trouwens ook van hem. Via de Zale baat hij het heerschip van Terninx in Moorsele en Ledegem uit. Ook het heerschip ‘tSelercshof in Langhemaerckt, zuud van der capelle te Poele’ paradeert mee op de lijst eigendommen van de Zale. De heerlijkheid bevat ruim 15 gemeten grond. Een hectare of zes. In Langemark is er dan nog een ander bezit, ‘gheheeten de Hedene’. Het leen en het goed ’t Heedeghem in Cortemarc’ wordt gehouden door de heer van Winendale. Het goed wordt geflankeerd door het ‘Lobbekmol-leen en ’s Moors-Meersch’.

Café Den Helm in Menen
Een volgend hoofdstuk wordt volledig gewijd aan de eigendommen van Katheline Breydel. Man, die zit er ook warmpjes bij. Gronden en lenen in Dudzele, Brugge, Spermalie, Oostkamp, Lissewege, Varsenare, ‘Sinte-Cruus prochie buten Brugghen ende in Oedelem’. Samen bezitten ze ook een pak erven. De ‘Wael-Meersch’ in Dadizele. Veel van de oude leenbenamingen zijn ons nu al bekend, maar er komen voortdurend nieuwe eigendommen aan de oppervlakte.

‘Te Heerkins’ is de stede waar Jan Brickel woont. Veutevyn, Stenelaybusch, Huelpit, Larishove, Groenendael-meersch. In Geluwe; ‘twee bundere busch ghenaemt ’t heerscip Ter Taye, ligghende zuud op de Heerstrate, tusschen Ypre ende Curtrycke. Eene onthuusde hofstede ghenaemt Ten Mollegate.’ Zo gaan we weer naar Ledegem waar er sprake is van de ‘Heerstrate an de Waghen-Brugghe’ dat noordoostelijk ligt van de ‘Hiltgheware-Straet’ met daarnaast de ‘Roode-straete’. In Moorslede ontdekken we ’t Goed Te Bystiervelt, behuust, beplant ende bewatert’ en oostelijk van de molen.

’T Goet Ter Lucht, onbehuust, ligghende noordt van Bystiervelt’, 10 hectare grond, land, bos, vijvers en meersen. Er is sprake van de ‘Breede-meersch an Scelpins-heule’ een leen dat gehouden wordt door Willemine Slips van het heerschip met dezelfde naam. In Menen heeft nooit iemand gehoord over café ‘den Helm’. En toch heeft die ooit bestaan. Jan van Dadizele was er eigenaar van lees ik. ‘Eene herberghe ghenaemt den Helm, met zynen toebehoirten, commende vooren ter strate met eenen hoghe steenin huze, ghekarteelt ende ghedect met scaelgen, binnen den hove vele sconne cameren.’ De nauwkeurige omschrijving van dit grote stenen huis in de 15de eeuw biologeert me, ‘keukene, stallen steennin ghdect met teghelen, schuere, duvecot, poorte noortwaert uutgaende up ‘nienhof, lochtine achterwaert gaende tot op de Leye.’

Het heerschip te Cauweliers in Roncq
Ook in Halewyn en Roncq zijn er landerijen die toebehoren aan het echtpaar van Dadizele. In plaats van de Auchan is er toen nog sprake van ’T heerscip Te Cauweliers’ dat gehouden wordt door ‘mynen heere van Halewyn’. Ik sla een pak lenen over en hou halt aan de ‘Haze-weede’ in Langemark en Zonnebeke. Er komt weer een pak informatie uit het verleden naar me toegestapt. ’T Velde-goet en ’t Meusterhof in Paskendale en ’t Sclercshof in Zunnebeke’.

Ook de omschrijving van de huizen die gebouwd staan in Passendale, trekt mijn aandacht. ’T huus zuud-west an de kerke, t huskin west an de tresorie, dat aan den zuydwest-houe van den kerckhove en dat noort der an ghedect met teghelen.’ Deze vier woningen behoren toe aan de kerk van Dadizele en ze dienen om er het kerkpersoneel te huisvesten. De woning in de ‘Priestrage’ is een mote met een valbrug. Op het neerhof merken we een schuur op, en ook stallen met een voorpoort. Hier huist de parochiepriester. Het hof en het nederhof zijn eigendom van Jan van Dadizele. Ze bezitten een dubbele valbrug, diverse behuizingen, schuren, stallen, elk een molen en een brouwerij en de weg naar de toegangspoorten is met stenen geplaveid.

Rond het kerkhof staan ‘De Zwane’ en ’T Scaec’ gebouwd. En ook ‘den Enghele’ een woning die eigendom is van ‘Pietre van Dadiselle ende Maye Sanelaers, zyn wyf.’ De opsomming van de huizen in Dadizele gaat verder. Met pittoreske namen zoals ‘Den Hert, tSymynckel, de Valke, den Cardinael, de Croone, de Scole, de Smesse, de Halle’. Ik kom aan het indrukwekkende totaal van 53 huizen die met naam worden genoemd. De lokale heemkring ‘Dadingisla’ weet nog meer in dit verband. Binnen de stadswallen van Dadizele bevinden er zich 178 huizen en wonen er 900 inwoners. En dat zijn er meer dan het aantal inwoners van Moorsele, Gullegem, Geluwe en Menen samen.

De aanslag op Jan van Dadizele in 1481
Het einde van de memoires is in zicht. Ik wil als eindbeschouwing graag nog wat meer informatie vinden rond de aanslag op Jan van Dadizele. De tentakels van het verleden zijn me voor geweest. Het enige wat ik verder nog te weten kan komen, komt opnieuw via de lokale heemkring. De uitnodiging om naar Antwerpen te komen werd door Maximiliaan inderdaad opgesteld op de derde september van 1481.

De aanslag zelf vindt plaats op 7 oktober. ‘Myn Her van Dadiselle’ sterft 2 weken later aan de opgelopen verwondingen. Ik bekijk nog eens die bewuste brief van 3 september 1481. Jan van Dadizele moet ongetwijfeld ergens op broeden, want hij heeft eerder al een verzoek om zich naar het grafelijk hof te begeven, naast zich neer gelegd. Maar de ‘lieve ende wel gheminde, God zy met u, es onse gheliefte dat ghy by ons comt’ van Maximiliaan, verleiden Jan uiteindelijk dan toch om naar zijn hertog te reizen. Een fatale beslissing.

Afkomstig uit deel 5 van De Kronieken van de Westhoek

 

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>