Moord op de priesters van Reningelst

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     500 Views     Leave your thoughts  

13 september 2016. Een van mijn favoriete kronieken is zeker de ‘Chronike van Elverdinghe’. De tijd was eindelijk aangebroken om dit oud handschrift eens in een eigen kleedje te stoppen. Elverdingenaar Jacob Pladijs, alias Jacobus Espinoy, noteert de gebeurtenissen die de Westhoek teisteren tussen 1555 en 1579. De natuur wil niet mee. Regen, wind en vorst zorgen voor slechte oogsten en dramatische hongersnood. Veel erger nog is het protest dat ontstaat tegen het katholiek geloof. De aanvankelijk onschuldige sermoenen eindigen in brutale moorden en eindeloze vernielingen in zowat de hele streek. De Westhoek staat in brand. Je kan kroniek nummer 96 hier lezen. Meteen heb ik de toon gezet voor een hele reeks episodes over de godsdienstoorlogen in onze streek. Vanaf morgen begin ik nu aan ‘De Geuzentijd in Poperinghe en omstreken’ op basis van wat J. Opdedrinck de onderpastoor van Poperinge neerschreef in het jaar 1898.

Maar nu eerst eens uit fragment uit ‘Chronike van Elverdinge’. We stellen de knoppen van onze teletijdmachine in op het jaar 1567 en begeven ons naar een gevaarlijke Westhoek.

‘Op 5 april 1567 wordt er in Ieper een nieuwe verordening uitgeroepen. De geuzen mogen niet langer prediken of onderlinge gesprekken voeren over het nieuw geloof. Noch in het openbaar, noch in het verborgene. Het zingen van psalmen wordt verboden op straffe van de galg. De tempel wordt van overheidswege gesloten. Nu ja, gesloten, ik zou beter zeggen afgebroken, want ‘den 10 april trok het garnizoen uit Ieper naar de geuzenkerk en hebben die helemaal afgebroken en geruïneerd, de stenen en het hout en het ander materiaal hebben ze voor eigen profijt verkocht en ze hebben het gebouw in twee dagen tijd afgebroken, wat wel honderdvijftig grote Vlaamse ponden heeft gekost.’

In Poperinge staat er eveneens een geuzenkerk. Op 12 april vertrekt Simon Uyttenhove uit Ieper om ook dat bouwwerk met de grond gelijk te maken. De kerk is gemetst met rode bakstenen die door de handlangers gretig aan de man worden gebracht. Op zee wordt een schip met vluchtende geuzen aangeslagen. En het vaartuig is goed voor zeker vijfhonderd ponden. De gebeurtenissen volgen elkaar snel op. Geuzenpredikant Maliaert Onger die vorig jaar werd opgepakt in Elverdinge, wordt door de vierschaar op 16 april 1567 schuldig verklaard en zal zoals gebruikelijk opgeknoopt worden.

Tijdens de terechtstelling ontstaat er groot tumult bij de aanwezige menigte waardoor justitie hardhandig moet ingrijpen om de rust te herstellen. Op het plein voor de markt worden twaalf mensen doodgeschoten en zeventig burgers raken daarbij gekwetst, ‘hetgeen een groot jammer was.’ Het lijkt duidelijk dat de terechtstelling van Onger olie op het vuur heeft gegooid. Er breken op verscheidene plaatsen rellen uit waarbij Jacobus Heule en Joos Michiels zich in negatieve zin laten opmerken.

Deze Michiels staat bekend als ‘de predikant’. De man wilde een kwaadaardige en goddeloze aanslag uitvoeren in de buurt van Poperinge, op een plek genaamd ‘Spanjaardsdale’. Maar er is wat verkeerd gelopen en nu richt het heerschap zijn pijlen op nieuwe doelwitten. Met een bende van veertig man vertrekken ze nu naar Reningelst. Onderweg eten, drinken en overnachten ze in herberg ‘De Nachtegaal’ waar ze zich bij het vuur moeten drogen want blijkbaar zijn ze zeiknat van de regen die de hele dag is blijven neergutsen.

De volgende morgen sturen ze enkele verkenners naar Reningelst en die komen vrij snel terug met het nieuws dat de dorpspastoor in elk geval thuis is. Vijf of zes man van de bende haasten zich nu om de geestelijke een bezoek te brengen. Ze verschansen zich in de kerk. De rest gaat op zoek naar de kapelaan. De pastoor van Reningelst heeft de nacht doorgebracht in Voormezele en is teruggekeerd om de hoogmis voor te bereiden. Het is immers ‘verkoren maandag’, de feestdag van de vlassers welke valt op de eerste maandag na Driekoningen.

Het duurt niet lang voor de geuzen, zeg maar ordinaire landlopers, de arme man te pakken krijgen. Ook de kapelaan en de koster worden overmeesterd. Het sein slaat op groen om de schilderijen in de kerk, samen met de boeken, gewaden en de aanwezige kostbaarheden te vernielen en in brand te steken. ‘Dit gedaan zijnde hebben ze de pastoor, een man van grote deugdzaamheid en geleerdheid, welke ooit nog president geweest is van een Latijnse school in Ieper, samen met de twee andere geestelijken weggeleid, hun weg nemend naar Loker en van daar naar Dranouter, Kemmel, Nieuwkerke en Niepkerke. Onderweg kregen de mannen noch eten noch drinken en bedreven de geuzen even grote, ja zelf meer wreedheid in de kerken die ze voorbij gingen als diegene die ze gebruikt hadden tijdens de beeldenstormerij van augustus 1566.’

De pastoor van Dranouter is het niet eens met de vernielzucht van dat crapuul en biedt weerstand. Hij krijgt een slag tegen het hoofd en met een ferm gapende wonde wordt hij verplicht om zijn kerk te openen. Diezelfde nacht wordt de kerk van Niepkerke geplunderd. Met het vallen van de avond bereiken de schavuiten het bos van het Westhof, gelegen tussen Belle, Nieuwkerke en Niepkerke. Niet zo ver van de Zwarteberg. Een ideale plek om af te rekenen met de twee priesters en de koster van Reningelst.

Jacobus Heule, Joos Michiels en nog twee ‘raadsmannen’ vormen de jury van hun eigen rechtbank hier te velde. De katholieke dienaars van Reningelst verdienen de doodstraf. De ‘Heilige Schrifture’ maakt dat volgens hen maar al te duidelijk. Hun dood is een kwestie van rechtvaardigheid. ‘De inhoud van de sententie tegen hen uitgesproken door Jacobus Heule was; omdat zij zich door een wrede tirannie gesteld hadden tegen de belijders van de zuivere leer en omdat ze veel van hen bij de magistraten verraden hebben, worden ze nu ter dood gebracht. Daarenboven waren ze hardnekkige doopsgezinden, baptisten en als leraars van deze afgoderij zullen ze onthoofd worden.’

Eén van de drie geestelijken straalt wel meer gezag uit dan zijn collega’s en weigert fanatiek zijn geloof af te zweren in ruil voor zijn leven. Priester Judocus vertikt het inderdaad. Hij zou duizend keer liever sterven dan zijn geloof te verraden. ‘Na zijn antwoord heeft men hen van de berg weggeleid in een nabijgelegen bos en om 23u zeer wreed ter dood gebracht. En ondanks het feit dat de sententie voorzag dat hij onthoofd moest worden, zijn ze nog op een wredere manier omgebracht geworden. Zeker meester Judocus, veel slagen en dodelijke verwondingen ontvangen hebbende en uiteindelijk dodelijk gekwetst na de slag van het zwaard, heeft hij zijn geest aan God, zijn schepper gegeven en riep hij tot laatste ogenblik tot God of hij hem als zondaar genadig zou blijven.’

De kapelaan wordt eveneens fel mishandeld. Hij krijgt meerdere verwondingen, onder meer drie messteken in de keel waardoor hij stikt. Van de koster snijden de geuzen zijn onderste lip af en steken ze met hun mes in zijn buik. Kort daarna sterft de sukkelaar. De goddeloze rechtbank die beslist heeft over de terechtstelling van het drietal, oordeelt nu dat ook de pastoor van Dranouter hetzelfde lot zal moeten ondergaan. Voor de manschappen lijkt dat een brug te ver. Een aantal onder hen spreken voor hem ten beste waarop de priester de dood kan ontlopen.

De verminkte lijken van de drie priesters worden pas een week later gevonden. Om precies te zijn de 19de januari van 1568. De volgende dag worden ze volgens de gebruiken van de Roomse kerk met grote eerbied begraven in de kerk van Reningelst. Op de begrafenis volgt vijf dagen later nog een plechtige uitvaartmis. Dat heeft de deken van Poperinge voorzien. ‘Een solemnele uitvaart’ in aanwezigheid van zeker tweehonderd hoogwaardigheidsbekleders.

Na de moord op de priesters houden de geuzen van Michiels en Heule zich even gedeisd in een nabijgelegen woning, maar de volgende dag moet predikant Johannes Michiels een sermoen houden op de nabijgelegen Monteberg waar de geuzen van hun bende natuurlijk verwacht worden, samen met andere gewapende milities van Nieuwkerke en van Steenwerk, Mesen en andere plaatsen. Het sermoen wordt op het laatste moment afgelast als ze een bericht krijgen dat Ieperling Simon Ryhovius op komst is met een bende soldaten om de geuzen op te pakken. Alle bezoekers worden aan de voet van de Monteberg door schaapherders verwittigd van de dreigende aanval waarop iedereen maakt dat hij weg komt.

De moordenaars vertrekken op hun beurt naar Reningelst waar ze hun buit verdelen en zich opsplitsen. Jacobus Heule vertrekt naar Frankrijk. Joos Camerlinck rept zich naar Bergen-Ambacht. Simon Ryhovius vindt geen kat op de Monteberg. Er is daar niet het minste spoor van geuzen te bekennen.

Het grafschrift van de arme priesters luidt als volgt: ‘Meester Jacobus Heugesoone, pastoor van Reningelst, bisdom van Ieper, is in de bloei van zijn leven op wrede manier gedood geworden in het jaar 1568, op de 11de januari, volgens de Roomse almanak. Opdat de bitterheid omwille van hun dood ook voor onze nakomelingen bekend zal blijven, zijn volgende woorden op hun grafschrift gebeiteld in het jaar van onze heer 1569, de 15de januari;’

‘De woedende beeldenstormers, na een verschrikkelijke ontering van deze kerk en alles wat er heilig was, hebben door geweld de drie priesters van deze kerk gemolesteerd; zijnde meester Judocus Heugesoone, pastoor, mijnheer Robertus Ryspoort, kapelaan, mijnheer Jacobus Paneel, koster. Nadat ze hen zeer schandelijk de hele dag hebben rondgeleid, hebben ze hen de volgende nacht rond 11u, in de klare maneschijn, omwille van hun standvastigheid in het katholiek geloof, op de parochie van Nieuwkerke, op een lege en een weinig afgelegen plek langsc de weg op wrede manier gedood. Hun lichamen werden daar enkele dagen later gevonden, bevroren door de grote koude en ze zijn op deze plaats met zeer veel eer begraven geweest, aan dewelke onze gebeden niet zo nodig zijn als wij die van hen moeten verwachten. R.I.P.’

De wilde geuzen vertrekken met zowat vijftig manschappen naar Bambeke, Oktezele, Winnezele, Herzele, Wormhout en andere parochies waar ze overal de beelden en de kerkelijke goederen viseren. ‘Ze zouden de priesters van de voorzeide parochies ook vermoord hebben, hadden zij hen kunnen krijgen.’ Een pastoor van Soks in de buurt van Sint-Winoksbergen, Kwaadieper en Westcappel kan niet tijdig ontkomen en wordt gevangen genomen. Meer nieuws over het lot van deze priester kan ik niet vertellen, ik weet wel dat de kerk van Eeke beroofd en onteerd wordt. Daarna komen ze via het bos van Steenvoorde terug naar Hondschote en daarna melden ze zich bij het klooster van Roesbrugge waar ze de nonnen zeer kwalijk behandelen. Ze vreten en zuipen er alles wat ze vinden en slepen er de kostbaarheden weg, hetgeen verwerpelijk is.

De 11de januari werden er blijkbaar toch enkele wilde geuzen bij de lurven gevat. Hun berechting door de amman te Ieper volgt op 18 februari. Vijf onder hen worden opgeknoopt, de zesde zal gewurgd worden en daarna op de brandstapel belanden. De zevende is Bellenaar Jacobus Visage. Hij wordt levend in het vuur gegooid nadat hij eerst op een slede rond de markt gesleept werd en op elk van de vier hoeken een geseling heeft ondergaan voor al de schelmstreken op zijn conto. Drie andere kompanen worden naar de galeien verwezen.

Deze Visage krijgt zonder meer de wreedste straf omdat hij het meest op zijn kerfstok heeft. Hij was aanwezig in Sandwyk waar al de priesters en de katholieken werden gedood en was achteraf met een leger van wel 3.000 Vlamingen vanuit Engeland afgekomen en afgezet geweest bij de kerk van Mardijk waar er volop gebruik werd gemaakt van buskruit en lood. Ook in Spanjaardsdale werd hij opgemerkt. Daar maakte hij zich schuldig aan diefstal van geld en heiligschennis. Achteraf hield hij zich verscholen bij de Catsberg, nog altijd in het bezit van buskruit en lood die zouden gebruikt worden voor het vermoorden van andere priesters.

Het gerecht schiet over heel Vlaanderen in gang. Strenge justitie voor al diegenen die kerken en kloosters hebben beroofd en er de beelden hebben vergruizeld. Idem dito voor de onruststokers van Wattrelos en de mensen die hen ondersteund hebben. Nog voor het einde van februari leidt de heer Delamotte nog eens vijf personen binnen te Ieper. Gevangen genomen in Bergen-Ambacht. Het gezelschap wordt ervan verdacht te werken aan de inval van een andere kwade bende, de lieden van een zekere kapitein Condees. Eén van de betichten luistert naar de naam van ‘Launistraen’. De betichten verhuizen via Rijsel naar Brussel waar ze hun lot zullen vernemen.

Het jaar 1568 is een moeilijk jaar voor de mensen. Zowat overal lopen er soldaten rond en zitten dorpen en steden opgescheept met garnizoenen. Menen, Wervik, Komen, Waasten, Mesen, Belle kunnen ervan meespreken. Al dat legervolk is een pest voor de gewone huisman. Wat voor last toch zijn ze voor de inwoners? Het is de voorbije tweehonderd jaar nooit zo erg geweest. Het zijn allemaal Walen, zogezegde vrienden, mijn voeten ja, door al die vrienden worden de Vlamingen zo arm als Job.

Op zaterdag 17 juli rond 22 uur krijgt Kemmel het onaangenaam bezoek van vier- à vijfhonderd geuzen. Op de Dries steken ze de kerk in brand en ook de huizen van een bakker en een kuiper gaan in de vlammen op. Ze vertrekken gelukkig zonder nog meer kwaad aan te richten. Een moeilijk jaar. Inderdaad. En dan die zogezegde ‘orensnijders’, het woord alleen doet me huiveren. Ze houden zich voor niets of niemand in. In Kaaster, bij Hazebroek, worden er twaalf van die boeven opgepakt en naar Ieper gebracht waar ze in de gevangenis vliegen en later berecht worden. Enigen worden opgehangen en de rest geradbraakt.’

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>