’n pront en pertig kwikkelgat

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       6 months ago     201 Views     Leave your thoughts  

Ouderse Jongmans.

‘Het waren twee jongmans in de kleine stad en ze geraakten om de duivel niet getrouwd. Had er één van de twee ’t herte gevoerd. de tweede had ’t hem nagedaan; – één moest beginnen maar ze wisten niet dewelke.

Ze lagen gekoord en gebonden; – vastgeklonken aan de kalseistenen van de markt, in de stad waar ze gewonnen en geboren waren. Ze pasten met de plaatsen waar ze rondwandelden, gelijk de kerk, de school, het klooster en ’t stadhuis bij het stadsbeeld passen.

In ’n ander plek ’n konden ze niet gedroomd worden, omdat ze daar allicht geen garde-civiek zouden gespeeld hebben, geen koffiehandel gedreven, geen toveressebroden zouden trekken in de omliggende meersen en ook geen boogschutter ’n zouden zijn.

Ze werden met de vinger gewezen aan wie voor het eerst in de stad kwam. Hier staat de schone kerk bij de Leie, daar ligt het klooster met zijn rijke kapel, ginder is de gaaiperse van ’t Sint Sebastiaansgilde en nevens d’Oude Dekenij wonen de twee jongmans.

Remi en Adhemar Goethals waren altijd in hun vaderstad gebleven. Ze hadden wel ter schole gelegen te Tielt om hun Frans te leren, waren wel ’n keer bij oom en tante in vakantie geweest of later enige dagen uit den huize – op storm – zoals ’t elk end een gebeuren kan in zijn berenjaren, maar ze ’n vonden het nievers zo goed van passe als thuis onder de schaduw van de kerk van Gampelare.

Bij elke uitstap, naar den Eiffeltorre van Parijs, de bedevaart naar Rome, bij de trek naar de Rijn en andere leerrijke reizen waren ze weergekomen al zuchtend: « Oost West, thuis best», want heel de reis hadden ze hert en ziele in hun geboortestad gelaten en kwam hun zuchtend lijf alleen weerom te Gampelare.

Remi Goethals was ’n hele soort ouder dan zijn broer. Adhemar was vijfenveertig dat weet ik nog van op de schoolbanken. Ze woonden in een schoon oud herenhuis met inrijpoort, nevens de oude dekenij met-de-trappen-op, en hielden een maarte van ver in de vijftig, ’n ronde knol van ’n vrouwmens, een knots, – de weduwe van den kantonnier – Febronie was de naam. Ze had vroeger altijd bij rijk volk gediend en kende de keuken gelijk geen andere.

Remi was verreweg de raalste van de twee broers; – de man gegoten om tussen kerk en dekenij te wonen. Moest je hem nu nog tegenkomen je zoudt algauw zeggen : « Dat is verdraaid Remi! » en je zoudt niet wachten hem op één rote te stellen met de andere heren die je in de stad gekend hebt in uw jeugd. Van Remi en kon je maar moeilijk zeggen boe oud hij was, omdat niemand en wist of hij zijn haar en zijnen knevel zwartte of niet. Hij zat goed in zijn vlees en was zelfs wat overbalgd; – hij ging min of meer al knoezelvoetend en keek een beetje dom. Dat dom kijken en was aan de ogen niet gelegen maar kwam eigenlijk voort van ’n zenuwschokje, en daarmee was ’t dat hij niet al te wel ’n wist wat gedaan met zijn mond. Was ’t zake dat hij lachen moest, trok de mond scheef naar de rechterhoek, en was het dat hij in de pijn zat of aan het dubben over de koffieprijzen, trok de linker hoek, die scheef stond van zijn eigen, nog entwat schever.

Maar hartelijk en luid en kon hij niet lachen, want het was alsof zijn dubbele kin zijn kwabbekaken tegenhield om hem het lachen te beletten. Fijn gekleed ging hij ook en droeg elk jaar den eerste strohoed van de stad. Hij geneerde hem met den handboog de donderdag, de zondag en de maandag – van Pasen tot Bamesse -, met het vergaren van postzegels, ook met de plantenkunde – want hij had het oude boek van Rembert Dodoens – en voorts was hij gelukkig in het bijzijn van zijn broeder Adhemar.

’s Avonds ging Remi een luchtje scheppen tot aan den «end», spekelde een keer in de vaart van op de brug en kwam weer langs de brede straat naar de statie. Na het drinken van ’n glazetje in ’t «Hof van Commercie» trok hij weerom langs de Nieuwe Brug, sloeg ’t Kalkhof in en ging recht naar huis om bij de radio te luisteren tot het eten gereed was.

Adhemar was ’n geheel andere man: lang en rilde met rode kaken en vurige kijkers in de kop; kon lachen dat de herberg daverde, reed per velo de dorpen af, prees de koffie en de peper en was bij ’t feesten overal ’t haantje van de bende. Hij was lid van het Sinte Barbara-genootschap en ’n beste lijnvisser. Hij had twee boeken die hij geregeld opensloeg: de gdichten van Vader Cats, schoon in leder gebonden en met kopergravuren van binnen, en ook nog den ‘Annuaire des Vins de France’. Bovendien was hij muzikant en speelde in ’t toneelorkest op de moerviool.

Heel de Leiestreek kende mijnheer Adhemar die de zondag namiddag kon aangereden komen al lachend, achterwaarts-over in zijnen tilbury, met ’n bleke sportmuts op en ’n witte roos in ’t krage-gat.

Hoe was ’t Gods mogelijk dat twee broers zoveel verschillen konden. De mensen zeiden het allemaal maar ze en wisten niet hoe dikwijls Remi getracht had zijn broer’ s gelijke te worden.

Wanneer Adhemar op ’t hof liep en ’t werkvolk gade sloeg, liep alles van stapel met korte, hertelijke woorden. In de zoutkeet hielp hij mee, bij ’t koffiebranden gaf hij goede raad en bij het inspannen van de paarden hield hij het kordeel tot de wagen buiten de poort was. Dat en kon Remi hem met de beste wil van de wereld niet achterdoen. Hoe vriendelijk hij taterde, ’n kon zijn stemme – lijk van ’n pimpelmeze – hem bij ’t volk op ’t hof niet doen ontzien. Het was alsof hij beschaamd liep en de ouderse jonge dochters – sommige daarvan woonden in ’t gebuurte – wisten te vertellen dat hij al tijd de blootste jongen van de parochie was geweest.

Remi schiep plezier in de geestige doening van Adhemar en Adhemar kende zijn broer op ’n draad.

‘Ah-ah, onze Remi’, zei d’ hij, ‘dat is ’n brave djool. Hij blinkt van deugden. Maar hij neemt het leven te zwaar op. Je moet hem aan ’t werk zien bij de gaaiperse ; hoe hij ’n bogen van twintig kilo trekt, op zijn lippen bijt en standvastig nevens de kalle schiet. ’t Braafste schaap van de wereld, maar hij heeft oude wijfsmanieren.’

Ook Remi kende Adhemar op zijn duim. Hij stond in stille bewondering voor broeder’s gladdigheid en voor zijn perten. Remi was benauwd van iedereen en in hoofdzaak van het vrouwvolk. uitgenomen van de oude, in de zin van Febronie. Geheel zijn leven had hij hem van de vrouwmensen gezwicht omdat hij zijn jongere broer Adhemar niet en wilde alleen laten. Wat zou Adhemar doen zonder Remi? Daarom wachtte hij van trouwen tot Adhemar zou schuite van kant steken.

Want het mag gezeid zijn ; Adhemar kón met het vrouwvolk omgaan: vriendelijk lachen en snateren, zottebollen en gekscheren in eer en in deugd, een traag ritje doen in gezelschap van een juffrouw, per velo langs de kasteeldreef en weeromkeren – voor de aardigheid een keer om ter traagst – langs den peerdekouter naar huis. Al dingen die een mannemens de wekedaagse beslommeringen doen vergeten. En hoe dikwijls heeft Remi hem in het gebuurte niet laten vragen en talen: ‘Of ’t waar was dat Mijnheer Adhemar kennis had en in ’t korte trouwen zou?’

Remi zuchtte dan omdat hij vreesde zijn broer kwijt te geraken, maar gelukkig was ’t telken keer ’n beel geworden, en van de trouw van Adhemar en kwam nooit iets terecht, God zij geloofd.

’t Was winter aan het worden. Remi stond bij het venster in de voorplaats nevens de winkel, te wachten op Adhemar. Hij keek door het raam naar buiten. De klok van Onze Lieve Vrouwtorre klepte droef en traag. Paula Vereeke stapte het kerkportaal binnen en daar trippelde Mejuffer Constance langs de kerkwegel. Het lof ging aan de gang. Remi keerde hem om en mijmerde over de verlopen jaren, zijn schoon herenhuis, zijn kamer met familiestukken, het groot portret met de leden bij ’t zeshonderdjarig bestaan van de Sint Sebastiaansgilde, de welriekende damp van de uitgeschonken koffie de tikkende horloge met opschrift : « Fugit irreparabile tempus» en over het broederlijk samenwonen onder één dak, van Adhemar en hemzelf.

De deur gaat open. Broer is daar, zet gezwind zijn gerief op de ronde tafel en zegt: «Remi, jongen, je moogt mij proficiat wensen. Ik Heb mijn gedacht gesteld op juffer Valcke. ’t Zal voor in ’t korte zijn».

Dit was voor Remi de godsklop. ’t Nieuws was zo erg dat hij zijn oren niet en kon geloven en de weken die volgden brachten dagen en nachten van foltering en van opgekropt verdriet.

Jacqueline Valcke – ’n pront en pertig kwikkelgat van iets gewillig drie maal zeven – ’n was nog geen zes maand te Gampelare. Haar vader, de nieuwe toeziener van de erfenîsrechten, ’n vroede visscher, kwam bijna iedere dag over de zulle, bracht zijn dochter mee en was ’n dikke vriend van Adhemar aan ’t worden.

Jacqueline bracht vaders boodschappen : de ‘Pêche Sportive’, een mandje druiven of een blikken doosje met verse maantjes voor ’t aas van de vissen. Ze leerde de open en de toe kennen, liep het huis rond, in de keuken bij Febronie, in de veranda bij de bloemen en de cactussen, en in de winkel om een handje toe te steken. Ze maakte zich Febronie tot vijand en Adhemar tot vriend omdat ze hem zo eeuwig plagen kon. Ze zette hem haar klein hoedje op, vernestelde zijn haar of danste en sprong gelijk een hinde.

Nieuw licht en nieuw leven bij de Goethalzen. De klanten werden het ook gewaar maar ze en repten geen woord. In het gebuurte ging de ronk : ‘Mijnheer Remi is meest te beklagen; hij zit naaste zomer alleene’· Paula Vereeke en juffrouw Constance herknabbelden het nieuws alle dagen na het lof. Remi deed wat hij vroeger placht te doen hoewel hij, vóór hem, al de afgrond van de eenzaamheid aan het gapen zag. Hij deed zijn dagelijks wandelingetje van de vaart naar de statie, ging de winterzittingen van de gilde bijwonen en stelde voort zijn album met postzegels effen.

Wat kon hij anders doen? Zijn heel leven had hij voor Adhemar te pande gesteld, over hem gewaakt, hem in de rechte weg gehouden, raad gegeven en bijgestaan, verwonderd naar zijn vishistories geluisterd, hem zijn nederlagen doen vergeten, en nu was het zijn triomf mee te vieren.

Maar Remi en kon nog zo gereed niet aannemen dat Adhemar voor goed «verloren» was. Hij twijfelde of mejuffer Jacqueline wel de geschikte vrouw was om zijn broer’s leven te delen, omdat ze te vele van zegs was, en alzo doorstond hij angstige dagen en nachten.

Wat hem nog meest begon te nijpen was het feit dat zijn broer Adhemar ’n geheel onhandige vrijer was: de enen dag te zot en den anderen dag te bot. En dat verschil van ouderdom dan. Dat was potten en patelen binden. Zou Adhemar dat ooit gewoon worden? Zou hij het hem later nooit beklagen? Was hij niet te vrank van postuur en te veel aan zijn vrijheid verslaafd om, op den achternoene van ’t leven, Jacqueline Valcke’ s gezelschap nog te worden?

Adhemar was gevraagd om met mijnheer Valcke mee te gaan naar het buitengoed en daar voor enige dagen te verblijven tusschen kerstdag en nieuwjaar. Mijnheer Valcke was van zin, in den komende zomer, een vijver te doen delven en daarin vis te kweken bij de Oude Leie, en had hierom Adhemar’s raad vandoen.

Remi zag zijn broer node weggaan. Het was jaren geleden – sedert Vluchters-Maandag – dat hij zijn broer verlaten had voor meer dan een dag, en nu eerst zou hij ondervinden wat het betekent alleen te staan op de wereld. Febronie, de maarte, troostte Mijnheer Remi en maakte voor hem het beste het eerst gereed, want mijnheer Adhemar had hem vroeger altijd in de keuken baas geschoren en nu was het met hem uit en amen.

Ze wist hoe goed en hoe braaf mijnheer Remi was, en hoe dikwijls Mijnheer Adhemar te laat was gekomen om te eten en hoe ze na de visvangst nog speciaal Leievis moest kuisen en in zeven haasten wat kleine pruts van brasem, bliek of tinken – het schrepen niet waard – in de panne moest slaan om hem te helpen geloven dat de vangst bijzonder wel was. Mijnheer Adhemar was gelijk al het mannevolk. Dat boert maar door, trekt op marode en laat zijn broer alleen met al zijn chagrijn. En daarbij, die trouw met die onnozele drilkous, juffer Zachliene, wel God den Here, dat en is zeker maar een flauw bescheed; den end is er aan verloren, maar getrouwd en is ze nog in lange niet, die zotte trunte. ‘k Zegge wel.

Febronie diende van nu voorts haar enige meester uit der mate. De stenen waren te koud waarop hij liep. Mijnheer Remi treurde en hij kon niet verstaan: hoe onvriendelijk hij vroeger toch kon zijn bij het vrouwvolk, hoe hij gemeend had van te moeten jongman blijven, hoe het kwam dat hij hem weer zo jong voelde als twintig jaar geleden. In stilte verkropte hij al zijn verdriet. Zijn linkermondhoek trok heel scheef. zodat zijn aangezicht deerlijk was om zien.

De dagen van Adhernar’s wegzijn waren om. Hij zou binnenkomen met de laatste autobus, had hij toch stellig beloofd. De deur vliegt open.

«Remi, ik ben geheeld!»

«Hoezo? En waarom? En hoedat? Adhemar ? «Ze ’n wil mij niet!»

«Maar Adhemar toch, jongen, hoe is ’t mogelijk op de wereld van God?»

«Remi, laat mijn hoofd gerust. het is al voorbij en verzwonden in een rook, het is dat het geschreven stond. Ik ben content dat ik weer thuis ben. Febronie! Febronie! haal een keer een fles, wil je, een fles in de kelder – onder de trap naast de vleeskroone en warmt ze een beetje.»

«Kom, broere, ik ben oprecht content. Wij zijn weerom bijeen en vrij man. Ja maar ja. En waar zijn. Teure zeg een keer aan Febronie dat ze heur ’n beetje haast en maakt dat het een Chateau Montrose is van het jaar ’23».

Remi trekt in de keuken. Adhemar draait aan den knop van den radio en schuift hem op Marokko. Al seffens hoort hij zachtjes den Muzelmaansen koster van ding daar, met zijn koorknapen, aan de avondzang. Ze ’n klagen niet, ze ’n juichen niet. Ze zingen zacht, oud en jong dooreen, een soortvan een koekoek-éénzang, en toch – hurkt goed – ’t is wel in zes stemmen om doen en met gebroken mate. Ze knuppelen op de gong lijk in de verre Oost. Ge hoort bescheedelijk ’t moerevel aan de trommels plakken bij het opheffen van de stokken en zingen doen de Mooren ginder ver in de woestijn, zonder bot geweld, zonder leute, zonder verdriet, het herte verheven tot God…

Adhemar luistert in de zetel en wacht. Remi is op zoek naar de «Chateau Montrose»

G. P. Baert in Biekorf van 1939

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>