Naar de dinsdagmarkt van Roeselare

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      4 days ago     91 Views     Leave your thoughts  

Pietje Kadul kwam precies voorbij en stak zijn hoofd binnen.

– Peegie? Zijt g’al up?

– Voor wuk is ‘t? riep Tanite,

– ‘k Ga ne keer naar de markt, ‘t is Diesendag.

– Loopt maar mee, riep Tanite naar Peegie, ge kunt nog ‘t een en ‘t ander leren om commerce te doen later. Maar t’noene moet je aantijden thuis zijn of me gaan ‘t ol allene upeten.

– Ge meugt gerust zijn, zei Peegie, en ‘t was al op de straat.

Peegie, die al een hele knape werd, ging nevens Pietje Kadul, die driemaal zeven telde en niets liever deed dan met Peegie op triem te gaan, omdat het zulk een plezante was.

– J’ en is gadomme up zijn tonge niet gevallen, de zeune van Tanite, placht hij te zeggen. ‘t Is ‘t sop van geknabbelde weegluizen.

Peegie pronkte gelijk ne grote neffens Pietje, de Wallenstraat op, langs de Garconschole, ‘t Manestraatje in, de markt op.

Mens! Welk een weelde van kramen en -venters. Stoffen met gehele hopen: ‘ Drie ellen voor nen frank’ – Kramen met stokvis, rogge en haring: ‘Verse vis, verse geernaarts … ‘ – ‘n Tapijt uitgespreid op de grond, met ‘n hele vracht sigaren: Vijftig frank voor nen bak! Vijf en veertig! Veertig! Vijf en dertig frank!

Vandage voor de réclarne nog ‘n baksgie kleintjies der bij en nog een paksgie sigarillos, allemaal voor de bagatelle van vijfendertig frank!

– Den dezen gaat hem dood geven, zei Peegie.

– Geen gevaar, zei Pietje, ‘t zijn beetbláren met ges in.

– Appelkies met roö kaksgies, vijf frank de kilo, ge meugt ze uitkiezen.

– Moet er geen zand zijn, riep Docus van achter zijn kraam en hij zwierde met een korset in de lucht, vandage voor nieten en morgen voor geld.

– Tien frank voor een mes, riep Charlowie, en hij sneed hele repen van een gazet.

– Kom eens hier, mijn braaf manneken, riep hij naar Peegie. En Peegie ging Charlowie pakte een bos van Peegie’s haar vast en liet er zijn mes doorgaan.

– Voila, mensen ‘t is er af, fijne beste sneê.

– Gijn taarteklaai, zei Peegie, snijdt van joenen rostekop.

– Ni, riep Peegie, en hij bleef een poos angstvallig staan, gelijk nen Brabander die zich schrap zet. ‘t Zit daar nen zwarte. Pietje, is dat nen echte ?

– Ge ziet dat wel, zei Pietje, peis je dat ne geschilderd is misschien?

– Waar heen ze den dezen gevangen?

– In de Congo, zei Pietje, je zat vernesteld in nen bananentruik.

– En is ‘t ne nu ol tem?

– Je jaai, zei Pietje, ge moet niet schuw zijn, ‘t is Karamboeja. Je verkoopt kaliechestokken, die z’uit de snaktanden van de krokodillen fabrikeren.

– Zou ‘k er ne keer meugen aan tasten ? vroeg Peegie. ‘t Is zeker warm vel dat den dezen heeft.

– Ge zoudt ne keer moeten, zei Pietje, ‘t is nen oude menseneter, in nen fluut zijt ge upgefret.

– Gauw alhier, zei Peegie, en hij snakte Pietje bij zijn elleboog. ‘k Ben schuw van apen.

Een forse herkuul, getatoueerd op geheel zijn lijf, stond daar petrol te zuipen en vuur te spuwen. Hij wrong zijn armen uit een kluwen van dikke kettingen. Zijn tanden waren uit en hij keek lijk een Oerang-Oetang. De mensen smeten geld op een tapijt en de vent ‘n wilde niet spuwen voor er genoeg lag. Hij verweet de voorbijgangers voor leegaards en nietsdoeners, omdat ze geen centen wierpen.

Peegie keek lijk zot. De kerel riep plots naar Pietje en Peegie :

– M’en heen geen kijkers vandoen die niet betalen!

Peegie werd kwaad:

– Zeg bingsgie, met al dee petrol in joen buik, ge moet maar zien dat joen sleppen niet in brande schieten ols je éen laat vliegen! En te vierklauwe stoof het weg, Pietje erachter.

Pietje trakteerde met een zakske fritten aan Samijntjies kraam, en Peegie likte plezant nu en dan zijn vette vingers af.

– Ni, zei het, en ‘t wees met een fritte in zijn handen. Wukke schone posteuren dat de deze verkoopt.

– Dat is Ciskaaigie, zei Pietje.

– W uk nen schone kabouter dat er daar staat, de deze zou schone doen up oes koerkie. Hoevele zou ze daarvoren vragen?

– Winkt ne keer, zei Pietje.

– Wuvegie, riep Peegie, hoevele kost dien klunten oliebrood daar?

– Wuk nen klunten? vroeg Ciskaaigie. Deze kabouter daar?

Vijftig baarden, me mannegie.

– ‘t Is voor nieten voor de deze die z’heeft, meende Peegie en hij draaide een kwartje in zijn broekzak. Zeg wuvegie, is dat vintjie vernist ?

– Geheel te gans, zei Ciskaaigie.

– En ols ‘t regent, gaat die schilderinge der niet van of?

– Nin, nin ‘t vintjie, ‘t is garantie.

– En meuge je dat laten buiten staan ?

– Vaneigens.

– En ols ge dat kabouterkie in joen handen pakt en ge laat het vallen, is dat ton kapot?

– Wacht ‘n bitjie, nondenonde, beet Ciskaaigie en ‘t wrong zich van achter zijn posteuren. Lacht ‘n bitjie met joen Pere gij …

Peegie verdween tussen de rokken van de dikke boerinnen die met uitverkochte eierpanders in ‘t ronde wareerden.

Pietje trok flegmatiek aan zijn sigarette en verdween op zijn sokken. Hij vond Peegie terug aan een kraam met visjes, rode en gele, gevlekte en zilveren.

– ‘k En hee dat nog nooit gezien, vezelde Peegie. En ‘t stond met zijn neus vlak tegen een bokaal geplakt.

– Héla, snotneuze, riep de marchand, zijt g’haast weg?

– Ha, zei Pietje Kadul, zijn ze misschien niet te kope?

– Je ja’s, man, je ja’s. Vijf frank voor nen grote en zesse voor twee kleintjies. ..

– En wuk eten moet je dat geven? vroeg Peegie.

– Vliegsgies en bruizelingsgies van brood.

– ‘t Is goedkoop; zei Peegie. En in wuk water moet je dat steken?

– In pitwater, vintjie.

– En legt dat joengsgies ?

– ‘t Is te zeggen, zei de marchand, ols je der verschillige van t’hope steekt, dat ze een beetje compagnie hebben, en hij wierp een oogske naar Pietje Kadul.

– Ha ja, hield Peegie vol, en als je der te vele water in doet, versmoren ze ton ?

– Wuk dadde, zei de verkoper en hij kreeg een kleur.

– Nieten, zei Peegie, ‘t was maar ‘n vrage … en ‘t schoof weg.

– Zeg Pietje, ‘t is algelijk geestig hier up de markt, met al die aardigaards, ‘k Ga álle weke kommen.

– Vergif voor de ratten! Vergif voor de rat…ten!

‘t Was Baekelandt die, als ‘n dikke Boudha, achter zijn tafelke reclame zat te maken voor zijn rattenvergift.

– Dag Baekelandt, is dat rattevergif dat je verkoopt?

– Ja ‘t!

– Geheel oes kot is ervan upgeten, zei Peegie. ‘t Zijn ol ratten dat m’horen en zien.

– Ha, zei. Baekelandt, dan moet je zo’n rattevalle kopen.

– En hoe foetert dat spel? vroeg Pietje.

Baekelandt nam een grote ratteval, een soort kooitje met traliën, lei een beetje vergift voor een klein valdeurtje en zwijgend begon hij zijn demonstratie. Met een stokske kwam hij ‘t afgetrippeld van t’einden zijn tafelke.

– Gaat ne schamateren di? vroeg Peegie aan Pietje.

– Dat is de ratte die afkomt, brobbelde Baekelandt, en ge moet zwijgen, van ge gaat ze verschuwen…

Peegie volgde spannend de rat …. Voor het kooitje aarzelde ie een beetje… dan trippelde het stokje stillekens binnen… duwde op het valdeurtie en pardaf, ‘t spel sprong toe en ‘t stokje zat vast. Peegie wipte achteruit.

– Dat je nog zei verschiet niet, gij zot. Zeg Baekelandt, hoe weten de ratten dadde dat dat vergif daarin ligt?

– Ze rieken dadde, zei Baekelandt geërgerd…

– En als ze ‘n vollinge heen?

– Ze snuiten ton hunder neuze, stommerik en hef joe weg.

Vier vingers afgekapt.
De schedel van beur hoofd.
Is dat geen vrede moord.
Is dat geen vrede moord?

– Laatste couplet, wien koopt er nog een liedje voor nen frank, ‘t zijn de Iaatste, morgen zijn der nieuwe. Allé mensen, ‘t is ‘n enige okkasie, de laatste vooizegies en de schoonste liegies van de streke. De moord van Beernem … De bende van Hoeverstuift: .. Hierzi? ne frank. Gînder? Ne frank.

– ‘n Ferme freule met ‘n rond totjie, lijk een kerkroze. ‘n Beetje ‘t oud voor oes, smekte Peegie, anders geen lelijk meisgie.

– ‘t Is wel met joe, zei Pietje, die ook goed keek.

Pietje kocht een liedje. Jandorie zette zijn klakke scheef, trok ne keer of drie aan zijn trekorgel, zijn dochter zette nen grote gramofoontuiter op haar mond en Jandorie riep :

– ‘De moord in de duinen’, opgepast en niet gelachen. Ne vint uit zijn bedde g’haald, gevierendeeld en onder ‘t zand van de duinen begraven. Derde liedje, vierde bladzijde.

– Gauw, zei Pietje Kadul en haastig zocht hij naar ‘t liedje.

Peegie zette zich wijdbeens om volle lament te kunnen geven.

– Eerst ne keer ‘t refrein allene, riep Jandorie en en avant la muzieke… De ketelstem van zijn dochter begon door de tuiter te klaxoneren….

Peegie luisterde en neuriede wat mee en als het refrein af was, keelde de gehele cirkus rond Jandorie zo goed als ‘t kon :

Gii zult sterven …
‘t Leven derven .. .”
En daarbij nog in de gevangenis gaan.
Genis gaan … genis gaan.
Tararara, tararara, tarara.

Eerste couplet en avant:

De moordenaar die lei zijn last
Gevierendeeld en vast
Diep onder ‘t zand en rood van ‘t bloed
Geborgen zat voorgoed.
Maar de gendarm
‘t Te wete kwam
Hij ging daar een beetje gaan graven
Hij zond zijn hond een uur in ‘t rond,
Die nam de bandiet bij de larven
Ha! Ha!… ellendeling!
Wat hebt gij toch misdaan?
Alzo in zijn slaap een gewoon sterveling
Levend te willen vlaan !

En donderend van verontwaardiging, wijdbeens en uit volle borst zong het ontroerde publiek :

Gij zult sterven ..
‘t Leven derven …

Peegie’s tranen zwollen naarmate de strofen volgden. Pietje Kadul was ontroerd tot in ‘t diepste van zijn vezels. Na ‘t liedje keerden zij zwijgend huiswaarts, terwijl op Sint Michielstoren de Beiaardier Zegers op zijn zilveren en blikken klokjes in een overdadige wellust de akkoorden over de neringdoenders liet galmen van:

Cisgie, heet in zijnen broek gedaan
Cisgie moe nu in ‘t hoeksgie staan.
Tararararar, tararara … rara … rara.

– Dienen tjoeten, zei Peegie, die niets meer hoorde noch zag dan … bloed! Rood zand! Kappen van messen…

– ‘k En heê geen honger van noene, zei hîj tegen Tanite, ni leest dat ne keer en hij gaf ‘t liedje dat hij van Pietje gekregen had.

– ‘k Ga eerst eten, zei Tanite.

Uit ‘Peegie’ van Willem de Hazelt (geschreven in 1949)

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>