Ne bougvulder & ne bedorven stroent

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     578 Views     Leave your thoughts  

akkeloare: stotteraar.
ambetantrik: vervelend persoon.
bableitte, babbelgat, babbelkouse: praatziek persoon.
bougvuldre: zijn buikje rond eten.
bedorven’n stront: een verwend iemand.
boejemers: bohemen, zigeuners.
blieken schijtre: persoon met bleke huidskleur.
bleitter, trunte, bleitkouse: iemand die veelvuldig weent.
boerepeird: boerenpaard, lompe persoon.
briegang: kwajongen, deugniet.
brielpot: knoeier.
brobbelgat, brobleirre: persoon welke onzin verkoopt.
broukschijtre, soepeschrijtre, schijtre: broekvent, bangerik.
bulte: iemand met een bochel, uitsteeksel, buil.
deurstekten leegoard, lamme loetie: een echte luiaard.
dik’n nekke: hoogvaardig persoon.
dikzak, dikke ploesse: zwaarlijvige man.
djiezeke: tenger persoon, schuchter persoon.
dommekloat , stommekluut: dwaas.
domme tootte, dom weez’n: dwaas gezicht.
dronkeleete: drankzuchtige vrouw.
duts: onbeholpen iemand, sukkelaar.
heetepiet: venijnig baasje.
viezekloat: nors persoon, iemand die zichzelf niet graag ziet.
hertefrittre: vitteraar.
filoe: filou, gauwdief, aftroggelaar.
vleikonte, vleipoandre: zemen.
flierefluuter: steeds opgewekt, feestvarken.
fraoi baoske: brave jongen.
gas’reerd: vlot en ongedwongen in de omgang.
gatlekkre: slijmbal.
geldjode: ziekelijk winstbejag.
goe jonk: brave meid.
goekloat: goedaardige man, hulpvaardige man.
greittre: spotter.
greitkonte: spotster.
groaten duts: sukkelaar.
groaten zero: nietsnut.
groaten smoel: grote mond.
groate moggre: graatmager.
iete tinke, iet wijf: sexbom.
iepo, hiepo: onnozelaar.
jonge snottre: onervaren jonge man, jonge snaak.
jonge téve: jong meisje.
karrelappre: knoeier.
karredroaij’re: zijn kar draaien, plots van mening veranderen.
kiekoofd: kippenkop, dwaas, domkop.
keppe: lieveling.
klakpoattre: onervaren schilder of kunstenaar.
klappije: kwaadspreekster.
kletsekop: kaalkop.
kletskouse, kletsre: praten om te praten, spraakwaterval.
kloeffekappre: kloefenkapper, knoeier.
kloatzak: pester.
koeroste: roestkleurig, roodharig.
krebbebijtre: kribbebijter(vee), hongerlijder, mager persoon.
kriepe: vrouw die tegen niets is opgewassen, kan niet tegen een stootje.
krullekop: iemand met kroezelhaar.
kweistemoakre, ruzzemoakre: ruziestoker, herriemaker.
kwismenbieble: nors persoon.
kurjeuzeneuze: nieuwsgierigaard
kwene: kniezelaar(ster).
lang’n zwieble: mager persoon met een lange gestalte.
lawijt, groot beslag, stoefre: overdrijver, opschepper, bluffer.
leevemoaker: luidruchtig persoon.
lichtekooije: vrouw van lichte zeden.
leep’n duivle: sluwe persoon.
leepe tinke: sluwe vrouw.
loebas: lompe kerel.
luuzzigoard: onzindelijk iemand.
moouspot: knoeier
mooskonte: vrouw welke niet zuinig is met geld en materiaal.
nunnesleppe: sleep van nonnenkleed, overdreven klerikaal gezind zijn.
noarrink: graatmager persoon.
neuzemoakre: grimmig persoon, steeds morren.
neetebuk: nijdig persoon.
nieweird: nietsnut.
oarzakk’re: opjutter, redetwister.
oelekoart: luiaard.
oerejoagere: steeds op jacht naar vrouwen van lichte zeden.
oerepoepee: doet het met vrouwen van lichte zeden.
oap: aap, dwaas.
oapejoenk: apenjong, rakker, dwaas doen.
oud’n zak: oude man.
oude toarte: oude taart, stokoude vrouw.
pagaddre: pagadder, jonge rakker, kleine persoon.
pannelatte:dakpannenlat, graatmager persoon.
papkoereur: derde klas wielrenner.
papzak: zwaarlijvige man.
paptoarte: lachbek
pietie pruus: zonderling persoon.
pietje precies: iemand die alles afwerkt tot in de puntjes.
pietoe: nietsnut, dwaas.
plakpoat’n: vuile voeten(schoenen).
poepgoai, poepgaai: zonderling persoon, luiaard.
pretpateel, pretmadam: kokette dame.
puppe: modepop.
purluut: zonderling persoon.
rijpe voar beirnem: goed voor het gekkenhuis (Beernem).
rutteloare: iemand die steeds opmerkingen geeft, rammelaar voor baby’s.
roste kop, rostekloot: een roodharig type.
sansar: chançard(fr), geluksvogel.
schammoteur: escamoteur(fr), gauwdief, goochelaar.
scheete: bang persoon.
scheetebeeze: lieveling.
schijtewit: lijkbleek, spierwit.
schermikkle: aardslelijke vrouw.
smeirlap: geniepige kerel.
snel meiske: knappe meid.
snotneuze: nozem.
sneukeloare: zoetekauw, snoeper.
soepkiek’n: dwaas.
soarlowie: Charles Louis, rakker.
spelmoakre: lastbezorger, amokmaker.
springdoaze: onrustig persoon.
stinkre: deugniet, rakker.
stijve kloat: houterig persoon.
stoefkonte, stoefmuile: opschepster.
stoutemuile: onbeleefd persoon.
strontvliege: onrustig iemand, overal op en aanzitten.
strontvent: nietsnut.
sausebrundre: muggenzifter, zich met alles bemoeien.
teeve, giete: kreng, onhebbelijke vrouw.
toartekloai: knoeier.
tiefeloare: aarzelaar.
stoppezot, poeitonoezle: stapelgek.
totetrekkre, smoeltrekkre: een onbetrouwbaar iemand, petje naar de wind.
trimar: trekker, iemand die steeds op de baan is.
treuzelkonte: aarzelende vrouw.
trunte: meewoedige vrouw.
trutseloare: aarzelaar.
tuitre: luidop spreken, roepen.
tuitmuile: iemand die luid roept of spreekt.
uitoaldre: uitvinder, opzoeker, uitpluizer, kreatief persoon.
un peirse van ne vent: een man met grote gestalte.
vervaart, schuij: benauwd.
vies portret: slecht gehumeurde vrouw, staat nors op foto(portret).
vieze koat, vieze bieste, viez’n oap, vieze kus-mijn-kluut’n, kwismunbieble: slecht humeurig persoon.
vieze toarte: mistevreden vrouw.
vieze petoatre: vuile aardappel, nors persoon.
viezen kus n’n kloat’n: een moeilijk persoon.
viswijf: visverkoopster, iemand die roddelt, iemand die alle geheimen verklapt.
vortzak: onbetrouwbare iemand.
vrien kastar: durver, buitengewone kerel.
vroet snel: zeer knap, beeldschoon.
vuile triene: slordige vrouw.
vuilkonte: onzindelijke vrouw.
vuilpot: onzindelijk persoon.
weewoare, weewe: weduwnaar, weduwe.
welweet’re: beterweter, eigenwijs persoon.
wiepelkonte: bij het stappen met (vrouwelijk)achterwerk wiegen.
wemelgat, vrikkelgat, vrikkelkonte, gien zit’t gat: niet stil kunnen zitten, onrustig persoon.
zakkevuldre: geld aftroggelaar.
zeemtote, mouwefrottre: slijmbal, mouwveger.
zievroare: zeveraar, man welke larie verkoopt.
zieverkonte: zeveraarster, vrouw welke larie verkoopt.
zeurlap: iemand die vals speelt, oneerlijk persoon.
zwalpei, zwolpei: een in water bovendrijvend ei, dronkaard.
zwarte liete: onzindelijke vrouw.
zwarte penne: meisje met gitzwart haar.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>