Om de spene te genezen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     594 Views     Leave your thoughts  

Over ziekten en remedies uit de goeie oude tijd … De tijden zijn veranderd: industrialisatie en techniek hebben welvaart en voorspoed gebracht. “’t Geliekt aan ’t zelfde nie meer” zuchten bejaarde mensen. Inderdaad, twee wereldoorlogen en moderne technieken hebben zo grondig onze samenleving door elkaar gehaald, dat de oudste generaties hun draai niet meer vinden. Dat verneemt men precies wanneer generatiegenoten bij elkaar zitten te keuvelen over hun tijd en hun miseries. Er was in onze tijd heel wat armoe en miserie, maar “we jeunden ons daarin”, en doorheen de rookpluim van hun pijpke tintelen hun oogskes wanneer ze vertellen hoe zij in hun tijd hebben geleefd … gewroet .. en getjoold en hun plan hebben getrokken.

Zo is het uitermate belangrijk om eens van hen te vernemen hoe zij in hun tijd ziekten en kwalen behandelden … en wie ze daarvoor ter hulpe riepen.

Veel tijd om ziek te zijn hadden onze voorouders niet! Ze moesten zich hard weren om aan de kost te komen en om de twee eindjes van het jaar aan elkaar te knopen, zonder de hulp van “den dis” te moeten inroepen.

Waren ze niet wel te passe dan verhielpen ze zich met allerhande keukenremedies die ze van hun ouders hadden overgeërfd en die niet te veel geld kostten. Hielpen die remedies niet, dan moest er gediend worden en wanneer dit middel ook geen soelaas bracht werd den dokteur bijgeroepen, maar dan was het al heel serieus en werd er voor het ergste gevreesd. “We slachten wieder van d ‘ezels” zeiden onze voorouders … “We zoeken onze kruiden zelve”.

Zo hadden ze voor elke kwale een remedie: voor zevenogen, steenpuisten en verzworen wonden moest er gebaad worden in warm gruiszop en daarna werden plaasters geplaatst met lijnzaadpap. Op alle zolders vond men aan de balken een ganse resem gedroogde kruiden: dokkewortels, peerdezurkel, rabarberwortels, lindenblaadjes en andere rare kruiden, die doorgaans de specialiteit van het huis waren. Er werd jaarlijks zorg gedragen voor het zuiveren van het bloed bij het schieten en het vallen van het blad. Daarbij werden theetjes van linde- en vlinderbloemen sterk aangeprezen. Bij slepende kouden of vallingen werd steevast vlindersiroop bovengehaald, terwijl ook warme dranken van gekookte haver, vijgen en zwarte kandijsuiker algemeen geprezen werden. Bij de slunse werd overvloedig warme keerepap en scheewei toegediend, terwijl zwarte kobbenetten uit de koten werden gebruikt om op bloedende wonden te leggen.

Als het allemensen te slecht ging werd den dokteur bijgehaald; dat was vóór wereldoorlog ’14- 18 een grote luxe, want de meeste werkmensen konden dat niet betalen. Een visite ten huize kostte toen 1 frank daarvoor moest een boerenwerkmens een ganse dag werken en hard labeuren. Ziek vallen was dan ook een ruïnage in huis, vooral wanneer het gezinshoofd zijn hoofd neerlegde. Van stempelcontrole was er dan geen sprake, zodat sommige vrouwen verplicht waren om hun nood te gaan klagen bij de dismeesters.

Op het platteland werd de geneeskunde eeuwenlang uitgeoefend door barbiers, die doorgaans weinig geleerd waren en hoogstens over een boekske beschikten, waarin een reeks remedies en medicijnen genoteerd stonden.

In de jaren 1700 vond H. Cam. Monstrey in het archief van de stad Harelbeke een klein boekje van veertig bladzijden, dat toebehoorde aan de barbiers Laurens en Adrien Ovyn van Harelbeke. Het boekje begint als volgt: “Desen bouck behoort toe aan Laurens Ovyn te Haerlebeck. Remediebouck ende recepten om salven te macken om alle sorten van accidenten te ghenesen, alsok quetsueren”.

Een paar recepten uit dat boekje, om aan te tonen hoe de barbiers in die tijd onze voorouders meesterden:

“Om de speene te ghenesen: neemt wilde vliendere, bijvoet (St.Janskruid), barenotenblaeren ende pret (prei), stampt te samen ende syde (koken) tsam, dan set den sieken (zieke) daarover dat die heette (hitte) door een nauw gat comme in ’t fondement. Doet dat drie à vier keeren naeen alledaghen, ‘tsal ghenesen als ’t God belieft.”

Een remedie om ’t sjiatiek te genezen: “Neem een vierendeel speek, steek het vol havergranen en laet ’t soo branden ende lecken in olijve, macht daervan een salve en striek daermede ’t seer “. De grootste miseries en ook het grootste sterftecijfer werd in die “goeie” oude tijd genoteerd bij de kinderen: ondervoeding, eenzijdige voeding, slechte behuizing en een totaal gebrek aan voorlichting en verzorging brachten mee dat elk jaar tientallen kinderen stierven aan één of andere ziekte.

In hun onmacht werd dan ook voor alles en nog wat gediend. Er bestonden ook allerhande remedies om kinderziektes te genezen. Slechts wanneer men tenden raad was, werd den dokteur erbij gehaald. Karnemelkpap en scheewei werden zeer ruim toegediend bij een vervuilde maag (dat kon je zien aan hun vervuilde tong). Bij diarhae werden rijst en rijstzop opgediend. Kinderen die in hun neus koterden hadden steevast wormen en die moesten dan wortels eten. Bij verstoptheid werden zeeptapkes opgestoken.

Bij kindjes met rochelende hoest werd bruin papier ingewreven met roetekeerse en dat alles op de borst en de rug geplakt. Bij elke hoest werd vlindersirope en bij hele kleintjes slekkensirope toegediend. Iedereen kon dat ten huize bereiden. In de vroege morgen werden bij regenachtig weer in de lochting enkele dikke bruine slakken gevangen, in een teele gelegd en afwisselend afgedekt met een laag bruine poessuiker …. de dag nadien werd alles gekookt …. afschuimen van de vuiligheid …. en smakelijk!

Tegen het evermondje (spruw) werden met een pluimpje gedrenkt in blauwe aluin alle velletjes in het mondje verwijderd. Voor etteroogjes was Godelievewater het geprefereerd en goedkoopste geneesmiddel. Bij convulsies of eksessen moest men de kleine onder de pomp houden en met ijskoud water afkoelen. Meteen was het ook aangeraden om voor dit soort van riekten te dienen.

Heel wat bijgeloof speelde in grootvaders tijd een belangrijke rol. Veel moeders waren overtuigd dat heksen en leurders kwaad konden doen of hun kindje konden betoveren. Om al die redenen werd een medaille aan het wiegje van de borelingen opgehangen. Er werd angstvallig gewaakt dat kwavrouwen of leursters hun kindje niet konden aanraken. Gebeurde dit toch, dan liet men vlug de kleine belezen.

In de meeste gezinnen waren er niet enkel veel kinderen, maar armoe was er ook schering en inslag, zodat de meeste vrouwen verplicht waren te werken voor de kost: hetzij spellewerken of spinnen. Daar huilerige kindjes wel eens erg lastig konden zijn, werden ze soms met een afkooksel van slapbotten (papaver) in slaap gewiegd, wat uiteindelijk zeer nefaste invloed had op de verstandelijke ontwikkeling van die kinderen en men zei dan ook zeer terecht: “’t Heeft zich onnozel geslapen”.

Onze mensen uit grootvaders tijd waren taai en hebben veel zwarte sneeuw gezien. Voor kleine prullen bleven ze nooit thuis en hun lijfspreuk was: “’t Zal verslijten met werken”. Den brand verzopen ze de zondag in de dorpsherberg en tegen den dapperen of den afloop aten ze rijst, terwijl ze de verstoptheid klaarden met een handvol lijnzaad of wat sulferbloeme of Engels zout. Wratten of worten werden behandeld met nuchter spugsel en als ’t daar niet mee hielp, moest een eens geworpen worden in een wijwatervat van een kerk waar men nooit eerder was geweest.

Brandwonden en andere kwetsuren moest men afdekken met lelieblaadjes, die minstens acht dagen op kortendrank (alcohol) of jenever zaten. Een stevige grog (hete melk met bruine suiker en een scheute jenever) was doorgaans afdoende om de slunse (griep) of andere kwalijke vallingen uit te zweten in hun kaf.

Tegen de “mare” of slapeloosheid legde men een gele lap onder het hoofdkussen en zette men meteen zijn kloefen averechts onder bedde.

Dat waren allemaal maar kleine miseries. Veel erger was het gesteld als de serieuze ziekten kwamen aanrukken. Wie heeft die jonge kerels niet zien wegsmelten als sneeuw in de zonne ? “Ze zijn verhit”, beweerde men en dat van koud water te drinken terwijl ze in zweet stonden. Soms werden ganse gezinnen door de vliegende tering weggerukt. Angstig was men vooral wanneer ergens zwarte pokken uitbraken, zoals dit in die tijd geen zeldzaamheid was.

Ook de roo-loop (tyfus) eiste vele slachtoffers en tegen dit zwaar geschut van ziekten en miseries voelden onze voorouders zich volkomen machteloos. In die tijden van grote nood en weedom werden hemel en aarde bewogen om van die gesel verlost te worden. De rijksten van de parochie beloofden om in dergelijke gevallen een kapelle te bouwen ter ere van één of andere heilige, op voorwaarde dat hun geliefde zieke mocht genezen.

Zo vinden veel van de huidige landelijke kapellekens uit deze tijd hun oorsprong. De gewone mens ging dienen. Zo had elke kapel of kerk haar eigen devotie of heilige, waarvoor men kwam bidden. Te Elverdinge werd gediend tegen reuma of fleurissen. Men vertrok gebruikelijk ’s avonds met net zoveel bedevaarders als de zieke oud was en men kwam ’s morgens vroeg bij de kerk. In Rollegem-Kapelle en Kachtem zochten bezorgde moeders soelaas voor hun kinderen en ’t zeer in ’t hoofd.

In Gits zorgde de H. Godelieve voor alle mogelijke oogziekten, terwijl te Slyps de H. Appolonia de opdracht kreeg alle tandpijn te genezen. Voor Katrienewielen moest men in St.Katrien-Heule op bedevaart gaan. Wie te Lichtervelde ging dienen bij de H. Margriete bracht een stuk gewijde kouseband mee tegen de krampen. Wie in Daisel ging dienen voor alles en nog wat, kwam terug versierd met een rood lintje in het bovenste knoopsgat.

Wie ging dienen mocht geen enkele herberg binnen vooraleer hij zijn devotie en plichten had vervuld in de kerk. Aangekomen aan bedoelde kerk moest men doorgaans driemaal rond de kerk trekken, om vervolgens in de kerk zelf de voorgeschreven gebeden te lezen. Een stuk geld diende geofferd “volgens godsvrucht en vermogen” en in ruil ontving men een medaille. Deze medaille werd dan bij thuiskomst boven het bed van de zieke of op het hoofdkussen bevestigd, als blijvende bevrijding tegen allerhande kwalen. Was er in een bepaald gehucht een zware zieke, dan vergaderden de buren bij een nabij gelegen veldkapelleke, ofwel ging men op bedevaart. Elk gezin van het gehucht was vertegenwoordigd bij die devotelijke initiatieven. “Zolang er leven is, is er hope” zeiden onze voorouders.

Een gans leger van kwakzalvers kwam in die oude tijden ook goed aan zijn trekken. Zo ging men geregeld naar broeder Vincent en zuster Rosalie van het Hospitaal te Kortrijk voor alle soorten zalven en tisaantjes. In het klooster te Moorsele was er een nonneke dat vermaardheid verwierf met haar oogzalven. Enkele medicaties zijn zelfs zo vermaard gebleven dat ze nog vele jaren gangbaar bleven; denk daarbij aan de beroemde windolie waar men de fopspeentjes de kleintjes in dopte om ze aldus kalm en braaf te krijgen.

Bepaalde personen hadden zelfs zoveel commerciële zin, dat ze de kwakzalverij op grote schaal gingen uitbaten. Zo trok Tissens met een grote charr-ban van het ene dorpje naar het andere. Begeleid door een orkestje dat speelde dat horen en zien verging, maakte hij halt op de dorpskom en bracht een heuse demonstratie van zijn kunnen. Van op de hoge zate van de charr-ban zat Tissens in hoogst persoon, gekleed met lange kolder en hoge buishoed. Hij kletste als een geroutineerde kramer minuten lang en bood intussen zijn zalvekens en tisaantjes kwistig rond aan de toeschouwers. De mensen luisterden in stomme verbazing en ze waren verwonderd dat Tissens zijn tonge niet verstuikte en niet over zijn woorden viel. .. maar verkopen deed Tissens wel !

Onze voorouders waren beperkt in hun middelen om ziekten te genezen, maar ze waren sedert veel jaren vergroeid met al die miserie en ze stelden zich gelaten in hun lot. Hun uitlatingen omtrent hun toestand waren typerend. Vroeg men aan een bejaarde of zieke: “Hoe gaat het?” dan kreeg men fluks als antwoord: “Zoals je ziet … mager en taai” of nog “‘k Houde aan ’t eers” of “We gaan aan ’t laatste koordeke trekken, we moeten ons niet haasten, den hemel versliet toch niet”.

Van iemand die blijkbaar niet veel kans meer maakte om te genezen zei men “Hij zal niet verre meer lopen” of “Hij zal niet veel potten meer breken”. Men sprak soms ook bemoedigende taal: “Krakende wagens lopen lang” of “Kraken de beentjes – ’t herte blijft gezond”.

Dit is wellicht een onvolledige schets van de leefwereld waarin ons Vlaamse volk eertijds geleefd heeft. Het was een arm volk dat veel ontberingen heeft doorstaan en niet ten onrechte stond en staat in het “Onze Vader” dat nu gebeden wordt “Geef ons heden ons dagelijks brood”’. Terecht kan men de vraag stellen of die oude tijd wel zo’n goeie tijd is geweest!

Dr. Robert CARTON in ‘Dadingisila’ van 1998

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>