Ons Here verschiet in geen kleintje

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     456 Views     Leave your thoughts  

De kapelaan had met veel devotie zijn zesurenmis opgedragen en naar loffelijke gewoonte zette hij zich dan een half uur bij zijn biechtstoel te brevieren. De tijd dat hij nog een zondaar had zien opdagen, was al lang voorbij. Hij liet zijn brevier rusten op zijn knieën en zat te dromen en te peinzen.

Vóór het concilie had hij het iedere zaterdag zo druk in zijn biechtstoel, het was gelijk ’n marktdag in de kerk. De vrome mensen gingen toen iedere week te biecht en eigenaardig genoeg, zeer weinig te communie. Nu lopen de blechtstoelen 1eeg en overstromen de communiebanken. Wat mag nu toch de diepere ondergrond zijn van deze eigenaardige situatie? Waarom biechten de mensen niet meer? De kapelaan verzuchtte eens: waarom? «Ik peinze,» dacht ie, «dat de mensen nu maar djuiste meer biechten hetgene wat dat ze voor echte zonden aanzien. Bijvoorbeeld: iemand vermoorden, veel geld stelen, aanhouden met ’n getrouwd vrouwmens – begeer niemands bedgenoot, noemen ze dat – alleè, echt kwaad lijk of dat, de tien geboden het ons vertellen. Al die schardingskens die de mensen vroeger iedere week aframmelden, dertig, veertig jaar aan een stuk, altijd ’t zelfde karamellekwaad, schijnt nu bij de mensen als zonde afgeschaft.

Waar is de tijd dat mijn oren gonsden van: ‘k heb dinne gedaan, ‘k heb overdaad gedaan,. ‘k heb gezeurd, tegen ’t vrouwvolk geluld … En dan, wat dat er ook geen deugd doet aan het biechten, dat zijn al die pasters die trouwen. Allee, stel jou ne keer voor dat al die kerkvernieuwers gelijk krijgen en dat het celibaat afgeschaft wordt en dat de pasters trouwen. Ik zie mij hier al zitten in de biechtstoel, terwijl mijn madame commissies doet en ik hore al ne charel biechten:· menerè past er, ‘k heb met joen madame op schok geweest.

Ge moet die vent vergiffenisse schenken, peins ne keer, en ge meugt er bovenaldien met joen vrouwe niet over klappen, of ge schendt het biechtgeheim en joen aanzichte. En stel jou voor dat de paster mag trouwen, en dat ie slaapwandelt en luide droomt. En zijn madame hoort dat?

Quelle nouvelle à Liège? En in de grond, mijmerde de kapelaan, buiten een beetje overdaad in de drank, commeren, en met ’t vrouwvolk zeveren, lopen er op mijn parochie geen echte dieven en moordenaars rond. Au fond, ’t is ’n beetje de pasters hunder schuld als de mensen niet meer te biecht komen. Zij ’n durven er zelfs niet meer over klappen op de preekstoel. Ten andere, de preekstoel staat nu zelve in den hoek of in ’n trekgat. Ik peinze dat de pasters ook veel minder zelve te biechte gaan en de jonge mensen ’n weten bijna niet meer dat ze bestaat. Ik vraag mij eigenlijk af wat dat ik hier alle nuchtend zitte te doen bij mijn biechtstoel, tenzij brevieren.

Nu, ge kunt nooit weten hoe dat ’n koe nen haze vangt. Hij stond rechte om zijn benen wat te rekken en hij wandelde op ’t gemak al brevieren de kerke rond. Hij had de deur van ’t portaal niet horen openpiepen en hij ’n had ook niet gezien, dat er iemand in de kerke gekomen was.

En al wandelen en naar zijn brevier ziende, voelde hij almetnekeer ’n hand voorzichtjes aan zijn singel trekken, al de voorkant. Hij zag ’n jonge kerel, -met baard en met lang haar, zulkeen lijk Willem, de zanger: maar het was hem niet, die recht voor hem opstond, hem wat naderbij trok.

Binst dat die vent in de kapelaan zijn oren vezelde, dat ie zou willen biechten, piekte hij geruisloos de kapelaan zijn gouden horloge uit zijn soutanezakske dat onder zijne singel stak.. De kapelaan was niets gewaar geweest. Hij was er zelfs lijk mee gediend, dat hij were ’n echte biechteling zag. Hij verdween met die charel in de biechtstoel, gleed het schuiveke open en luisterde.

« Eerweerdigaard, » zei die zazou, ·« ik stele!» – «Hoe ge steelt ?» zei de kapelaan, « ge wilt ‘zeker zeggen: ‘k heb gestolen?» – «Djuiste, » zei die charel. «En wat heb je gestolen?» ‘«’n Gouden horloge.» – «Hé, ge durft gij nogal,» zei de kapelaan en hij verzette zich nekeer. Hij bekeek die vent met een schuw. oog en zei: «Ge kunt zien dat ge die horloge were geeft aan de wettige eigenaar.» – «Ik ga ze aan jou geven, menere pastre. ».

«Niet te doene, ge moet ze aan de eigenare were geven. Ken je hem?» – «Gadorie, ja’k. Màar als ’t alzo is, menere pastre, stel jou voor dat die wettige eigenaar mij da refuseert? Ik heb ze hem gepresenteerd en hij zei: niet te doene.» – «Hewel, santé,» zei de kapelaan, «als dat gene gaai ’n is. Nu, in dat geval, mag je in geweten die horloge houden. Wat zeg je: ’n gouden horloge refuseren, daarvoren moet je van lotje getikt zijn.»

«’t Is hetgene da’k ook peinze,» zei die gast. «Enfin, als ik jou ne goeie raad mag geven, beter joen leven, pak nieten meer, in ieder geval geen zulke kostelijke dingen en lees voor joen penitentie vijf onzevaders.» De biechteling scheerde uit de biechtstoel, sloop voorzichtjes al onzevaderen naar ’t portaal en maakte zich uit de voeten.

De kapelaan zette zich opnieuw te brevieren en keer voor keer zag ie in de plaatse van een latijns woord «gouden horloge » geschreven staan. Hij zat er nog geen tien minuten of Brigietje Lolo kwam op haar hoog hielkens en haar achterste draaiend de kerke binnengetrippeld, rechte naar de kapelaan zijn biechtstoel. Ze gaf de kapelaan een duwke met haar elleboge en zei: «Ik kom biechten, en ‘k heb niet vele tijd, weie!» Als ze in de biechtstoel geknield zat en de kapelaan ’t schuiveke openschoof, waaide er een geur van goedkope uitgelengde eau-de-cologne door de gaatjes.

De kapelaan moest ervan niezen. Brigietje Lolo noemde feitelijk Brigietje Loncke. Ze was ouderse jonge dochter, een cafébazinne die niet getrouwd geraakte omdat ze er te vele geren zag, ’n preuts kasteel en in de grond tamelijk deugdzaam. Haar kliënten noemden haar Lolo. Ze mochten al trakteren en geren zien dat ze wilden, maar ze meesten op afstand blijven en ’t moest al vergaan in klappen en pinten drinken.

De kapelaan deed er gelijk maar raar van, alzo ’s nuchtens vroeg Brigietje in de biechtstoel te zien. Het lag lijk in haar gewoonte niet van zo vroeg godvruchtiq te zijn. ’t Moeste voorzekers voor een serieus geval zijn dat ze kwam. Hij was dan ook een en al verbazing als Brigietje hare mond opendeed en zeemzoete zei: « ‘k Heb zondag in de kerke zitten klappen en commeren» – «En dan?» vroeg de kapelaan. ,,Hewel, ik heb daarmee ergernisse verwekt bij de gebuurs die_rond mij zaten. ‘k Heb ze verstrooid in hun gebeden lijk of dat we zeggen. Ik peinze da’k daarmee Ons Here misdaan heb.»

« Luister, mijn schoon kind, Ons Here verschiet in geen kleintje, ge weet gij dat ook. Ge moet hier niet zitten en zeveren! ‘k moete nog brevieren en als ge met geen serieuzer zonden voor de pinnen kunt komen, maak het dan kort.» – «Oei, oei, zijt ge haastig da, kapelaan? Nu, als g’het al wilt weten, ‘k heb met ne vent – en als ge wilt weten met wie, ’t was met de champetter – ‘k heb met hem nen echten beaujolais uitgelapt. En dan nog een … en dan nog een..» – «Was ’t een van de nieuwe oogst » – «Ja’t.» – «En is ’t ne goên?» – « ‘k Gelove het ’n beetje, ‘k en verkope geen bucht. Ge moet hem nekeer komen proeven als ’t past.

Enfin, we zijn over oes toeren geraakt, de champetter en ik, stel joe in ’t geval.» – «Dat was te peinzen. Drie flessen, ge zoudt van minder beginnen waaien.» – « C’est ça, menere de kapelaan. Allee, om kort te zijn, het ene woord bracht het andere bij, we hebben oes in de canapé geleid en ’t was zo late.» – «Voilà,» zei de kapelaan, «dat zijn dingen, si, ik peinsde, lijk of da je joen biechte begon, dà’k hier voor nieten zat? Allee, gedane zaken hebben geen keer, en als ’t zo verre is, geen abortus, weie, dat is verboden.»

«Abortus? Wat is dadde ?» – « Lees je gij geen gazetten, da ?» – «Neen ik.» – «’t Is ’n misse.» – «Als ’t ’n manneke is, kapelaan, ‘k zal ’t Karel noemen om jou plezier te doen. Ge noemt gij toch ook Karel, hé?» – « Ja, ja, ’t is al wel, ge zit hier in joene café niet, zulle, ge zit hier in de biechtstoel. Luister, als ik jou ne goede raad mag geven, drink met mate en koop geen kleintjes meer of ge trouwt, compris? En voor joen penitentie lees ne gehele paternoster. En subiet, da’k het zie! En ga dan in vrede.»

«Voor mijn hoofd niet. Ge weet gij zeker niet dat de bazinne uit «De Vrede» mijn grootste konkurente is?» Brigietje las godvruchtig haar paternoster. Mens, dat kraam kon zere lezen! De beiers van die paternoster waren zodanig klein dat ze reekaan door haar vingers gletsten. De kapelaan zette zich neer voor zijn biechtstoel, en zuchtte zalig: «Eindlijk nekeer ’n echte zondaresse. Gespogen Magdalena als ze nog in haar toeren was. Enfin, mijn dag is goed, twee te reke, de wereld verbetert.»

Hij zette zich terug voor zijn biechtstoel en droomde: «Ja, ja, biechten? Waar is de tijd van de vele biechtelingen en al die rare charels die van heinde en verre naar hem te biechte kwamen, ’t Moest zijn dat hij zijn werk goed deed. Waar is de tijd dat er hier ne cirk stond en dat de clown zijn paasbiechte kwam spreken. Ik vroeg wat dat ie uitstak in die cirk met al dat raar gekleed vrouwvolk en die halfnaakte danseusen.

« ‘k Zal ’t u eens tonen, menier pestoor, » zei hij, en hij sprong uit mijn biechtstoel. Er zaten langs de andere kant nog twee kwezels te wachten. Ik trok het, gordijntje open en wat zag ik daar! Stond die clown daar niet op zijn twee handen, met zijn pekkels in de lucht, ’n oogske te smijten naar dié twee zurkeltrunten. Die twee verschoten zich bijna ’n bulte. «Moord,» zei de Ene, «gauw; we zijn weg, zijn me dat nu penitenties!»

De kapelaan schudde van ’t lachen. Hij had er nog deugd van als hij er op peinsde. En Pieren Vanneste dan? De man die altijd hetzelfde liedje aframmelde en op de duur zodanig zere biechtte dat ie zijn eigen zonden niet meer ’n verstond. En Schelewip, die binst de grote retraite gemist was van biechtstoel. In die tijd ·kwam er altijd een oude pater redemptorist om te helpen biecht horen. Die pater was pottedoof.

Schelewip zei altijd tegen zijn vrouw: «’k Ga vandage te biecht bij paterke bla … bla … bla, …!» Maar Schelewip moest entwaasten stijf verstrooid geweest zijn, want ie arriveerde bij de kapelaan. Hij begon subiet met zijnen bla … bla … bla … Ik zei: «Schelewip, ge zijt gemist van deuregat, den dien van bla … bla … bla … zit al de andere kant van de kerke.” Ja, ja, Schelewip is ’n brave ziele. iedere keer dat ik hem tegenkome· in «’t Vlaams Bordeelke» trakteert ie met ’n pinte.

Hij tikt dan met zijn glas tegen ’t mijne, trekt ’n oogske en gekt: « Kapelaan, santé, hè, bla … bla … bla !» En Aloïs Vandrornrns, dien brigand, die toen de baas uit «’t Snoekske» hem vroeg: « Heeft de kapelaan jou waarlijk de absolutie gegeven?» antwoordde: «Je jaai, maar ‘k heb er vele moeten voren liegen.» Wacht totdat ‘k hem nekeer tegenkome. De kapelaan schrok even op. Er vloog daar een musse recht naar ’t beeld van de H. Appolonia, tjilpen was tjilpen. En mezinke, dat vogelke zette zijn handteken op de H. Appolonia hare kop en vloog toen naar zijn nest in ’n orgelpijpe.

«Ge moet maar durven,» zei de kapelaan halfluide. Maar genen tijd later was hij al were aan het peinzen op de tijd van ’t college, toen Berten Cools, de latere minister, te biechte kwam. «Eerweerde vader,» zei hij, ,«ik heb in ’t voetbal een van de tegenpartij moedwillig een trap onder zijn achterwerk gegeven. Ik heb met mijnen duim ne put in zijn gezicht geduwd. Ik heb hem een tand uitgeslagen…»

Ik zei: «Hewel merci, zij de gij niet beschaamd. Met uw vulgaire praktijken hebt gij Gods gebod over de naastenliefde met uw handen en uw voeten nog geen klein beetje overtreden. Gij hebt ons college met schande overladen.» Toen ik hem vroeg: « Tegen wie speelde gij?» antwoordde hij: «Tegen een ploeg socialisten.» – «Holala, dat verandert de zake, mijn brave en deugdzame ziele,» zei ik daarop, «allee, maak een kruiske en ga in vrede.»

Waar is de tijd? Ik geloof dat het tijd wordt om mijn schoppe af te vegen,» zei de kapelaan. Hij sloeg zijn brevier toe, stak zijn bril op zak, en gleed zijn vingers in zijn soutanezakske. «Moord! Mijn· gouden horloge is ’t gaan zeggen.» En toen kwam de kapelaan tijd te kort om naar de champetter te lopen.

Maar het moest er omme doen dat Roza Sproete de kerk kwam binnengeslofferd. Ze kwam van de Tuttiprix in stad en droeg een grote pander marchandise aan haar rechterarm. Met gebogen hoofd schoof ze naar de biechtstoel van de kapelaan. « Ik kom tussen twee autobussen in zere biechten,» zei ze .. «Dat is wel van jou,» zei de kapelaan, « t zijn er al drie van dage, ’t is ’n succes! En wat ligt er op het hart?» – «Hetgene dat in mijn pander ligt,» zei Roza. «Ik kom van de Tuttiprix en ‘k heb een gehele pander marchandise scheef geslagen.»

«En zijn dat dingen die waarde hebben?» vroeg de kapelaan. – « Ik peins van niet, kapelaan, ’t is al Belgische marchandise.» – «Hewel, madame, ge zult gij die marchandise moeten were dragen, hé!» – «Dat zal moeilijk gaan, want ze sluiten vroeg.»

«En morgen?» – «Tegen morgen is dié marchandise al slecht, kapelaan, ze moet vandage nog gekookt en opgegeten zijn.» – « Ge zult ze dan toch moeten betalen» – « ‘k Ga mij haasten, wil je hebben da’k in de bak vliege?» – «Wel, werp dan het bedrag in de offerblok.» – «’t Is ’n gedacht,» zei Roza en ze peinsde er het hare van.

«En verder?» – ‘k Ben op schok geweest met ne vent, ik was er stoppezot van, enfin, ‘k zag hem doodgeerne.» – « En hoe lange heeft dat geduurd?» – ,,’k En wete het niet meer, ‘k had mijn horloge ‘niet mee.» – «Zijt ge getrouwd?» – « Je ja’k ! Zeg, kapelaan, is dat overspel?» – « ’t Is te zien. Deed je dat voor ’t geld?» – «Natuurlijk!» – « Hewel, neen’t, ’t is dan commerce. Maar het is ’n verboden commerce, weie. Knoop dat goed in joen oren».

Roza had zeker tevele bonen en, rapen gegeten, of was dat nu omdat de kapelaan zo lelijk naar haar keek, in ieder geval, ze liet mij daar alzo eentje lunderen, alzo een lang fijn gerekt melodietje. De kapelaan ’n kon zich niet inhouden van lachen. «Ge durft gij nogal,» zei hij. Roza kwam rood van beschaamdheid. Ze verwachtte voor deze oneerbiedige lapsus serieus ne ferme scheven van de kapelaan.

Ze excuseerde zich, doch de kapelaan zei: «Ge moet daar niet in verschieten. Ik late er soms, als ik allene ben in de kerke, een vliegen. dat mijne kazuifel over mijne kop waait. Lees maar ne paternoster, steel niet meer en geen verboden commerce, verstaan ?»

«Ik ga da proberen,» zei Rosa, «en tot binnen veertien dagen.» – « Akkoord,» zei de kapelaan, « en weet je wat dat ge nog mooqt doen voor uw penitentie?» – « Neen ik!» – « Purgeren, vuilepoere.»

Hij schoof het deurke toe en uit pure gewoonte draaide ie ’t ander open. En waarlijk, daar zat were entwien. Hij boog zich voorover en keek door ’t spleetje van ’t gordijntje. Er stonden daar twee · kloefen. Toen keek hij door de gaatjes. “t Was Aloïs. «Kapelaan, ’t is ik,» zei Aloïs. «’k -Zie ‘t,» zei de kapelaan. «Wa nieuws?» – «’k Heb voor de eerste keer in mijn leven nen haze gestroopt.»

«Waar dat?» – «Op het veld van de baron.» – « Hewel, Aloïs, ge zult gij moeten restitutie doen, zulle. Ge kunt natuurlijk proberen nen haze scheef te slaan zonder dat iemand ’t ziet, maar God ziet alles.» – « Margodt? Wat zou ie! Hij gaat bijkans nooit uit zijn kot, hij woont vlak voor mijn deure.». – «Ik ’n spreke van Margodt niet van vlak voor joen deure, maar van God van hier boven. Ge moet hier den onnozelareniet uithangen, weie! Luister, Aloïs, dien haze is gekweekt met de vruchten en ’t gras van de baron. Dus is dien haas van de baron, dus moet je hem aan de baron were geven, da’s de regel van drie. ’t Is zo simpel als bonjour.»

«Jamaar, kapelaan, ’t is ne vetten, weie. Hij weegt garantie 5 kilo. Kan je dat voor ene keer niet arrangeren met ne paternoster, desnoods met twee. In de grond, de baron is rijke genoeg en hij heeft hazen genoeg. ‘k Wete er nog viere zitten. En daarbij, de baron heeft ’n zere mage, hij en eet geen hazen.» – «Waar is dien haze ?» – «’k Heb hem in de doopvonte verdoken.»

« Hé, ge zijt nen properen gij,» zei de kapelaan, «mijn doopvonte is vers gekuist. ’t Is wel dat Wittebolle het niet ’n weet, ge zoudt nen post gaan pakken gij. Allee, ‘i is goed voor ene keer, op conditie da je direct die paternoster leest, op joen knieën en op de communiebank. En niet zeuren, weie, en niet omme kijken of verstrooid zijn. En gaat dan in vrede en stroop niet meer.» – «Ik zal dat doen,» zei Aloïs, en hij slefferde tot bij de communiebank. Hij pakte nog rap ’n kussentje van de barones hare stoel en schoof het onder zijn knieën. Devotelijk las hij zijn paternoster, haalde stiekem ’n spiegelke uit zijn binnezak, hield het voor zijn ogen en wat zag ie! De kapelaan legde voorzichtig d’hulle were op de doopvonte, foefelde dien haze onder zijn soutane en muisde op zijn sokken de kerk uit.

«Ha, die snotverdomsen bandiet,» sakkerde Aloïs luide, zodat Sint-Jozef ervan opwipte. «Ik had het in de gaten, steenuil da’k benne. Wat zei je, twee paternosters en subiet en niet omme kijken. Moet er geen zand zijn?»

Drie maanden later zat Aloïs were in de biechtstoet.’ De kapelaan verschoot zienlinge, hij ’n was niet op zijn gemak. «Ik kom achter een briefke om te trouwen,» zei – Aloïs drogeweg. – «Ha, dat is nekeer wel,» zei de kapelaan ontlast, «Ne grote proficiat, weie! En zou ik mogen weten met wie da je gaat trouwen?» – « Verdomme nee gij,» zei Aloïs, en de kapelaan sloeg ’n kruisteken, «ge zijt ene keer met mijnen haze weg gaan lopen, geen twee keers, zulle, kapelaan, geen twee keers, da’k zegge.» – «Allee, ’t is wel,» lachte de kapelaan, «ge zult uw briefke krijgen. -En Aloïs, als ik nog ne keer nen haze in de pot krijg, ik zal jou inviteren, ge kunt dan ’n smaakske meeëten, ’t Ene plezier is ’t andere weerd.» En ’t deurke vloog toe.

De kapelaan bleef in zijn biechtstoel zitten, totdat Aloïs geheel uit de kerke was. «Ge kunt nooit weten,» dacht ie. En nu zal het stilaan tijd worden om nog enkele bezoeken af te leggen in ’t dorp. Ik zou wel eerst binnen springen bij Spakke Pardoen. Ne mens zou dorst krijgen van al die rare asems in de biechtstoel. En ‘k moete nog naar de veldwachter, voor mijn gouden horloge.»

De kapelaan ging rustig de kerk door, hefte nog eerst d’ hulle van de doopvonte op om te zien of er altemets were genen haze in zat en verschoot zich bijkans een bulte als hij zag dat ’t vol hazekeutels lag.

Vanals hij buiten was; rekte hij zijn armen wijd open en asemde diep ’n portie verse lucht naar binnen. Aan de overkant kwam Teure Piekpoket afgezikkeld. Die kwam met zijn klakke scheef over zijn oren recht naar de kapelaan. Teure kon schamateren lijk nen echten artiest en ge moest uw zakken toehouden als hij in het gebuurte wareerde, want het was een onverbeterlijke zakkeroller.

«Menere de kapelaan, mag ik jou eens wat vragen?» – «Je jaai je, mijn brave ziele.» – «Menere de kapelaan, ik ga er op uit om mijne kost te verdienen, mag ik uw zegen hebben?» – « Ge zijt gij zeker niet wel,» sakkerde de kapelaan, «aan ne pastoor vragen dat ie nen dief zou zegenen?» – «Jamaar kapelaan, ge moet dat voor nieten niet doen, weie, ik pieke maar bij de rijke sloebers. Kijk, ik zal jou tien procent geven – van d’ opbrengste. Voor uw goe werken. Ik kan het algelijk niet laten. ’t Is straffer dan mijn zelven.».

«Als ’t alzo is,» zei de kapelaan.,«zet jou op de knieën en pak joen klak af.» Hij nam met zijn twee handen.zijnen haal, stak ze omhoog en zei: «Als het de wil is van de Almachtige dat de rijke mensen bestolen worden, dan is het nog beter voor hen dat het door uw handen geschiede.» – «Amen,» zei Teure. Hij zette zijn klak op en trok er van onder.

De kapelaan bad de Heer om vergiffenis voor deze kleine zwakheid en met forse tred trok hij naar «’t Vagevier», het klein gezellig cafeetje van Spakke Pardoen.

.

Uit ‘Het Manneke van de Mane’ van 1980

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>