Oorlog en vrede in Veurne

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     582 Views     Leave your thoughts  

Het sluiks bezoek van Jan van Hoorne
Ik stap nog maar eens binnen in de ‘Jaerboeken van Veurne en Veurnambacht’. De Engelsen zijn de voorbije maand met 12.000 soldaten de grens overgestoken en hebben lelijk huis gehouden in het Westland. Vooral Poperinge en Roesbrugge hebben het moeten ontgelden. Maar, gelukkig voor Diksmuide, Veurne en Nieuwpoort ontplooit de oorlog zich nu verder in het noorden van de provincie. Op 10 augustus 1436 landt er een Engelse scheepsvloot aan de kust van Oostende waar grote konvooien ontschepen en hun weg inzetten richting het Oostvrije, de streek van Maldegem en Eeklo.

Met overal weer grote schade natuurlijk. Jan van Hoorne, de heer van Bausigny en Hondschoote, pas benoemd tot kapitein-generaal van West-Vlaanderen, verlaat zijn bolwerk te Sluis om, in naam van de hertog, een riem onder het hart te steken van die van Veurne en van Nieuwpoort. Hij besluit om incognito te reizen en dat wordt hem noodlottig. De ‘Kronyk van Vlaenderen’ heeft het over Jan van Huerne.

Zijn sluiks bezoek aan de Westhoek breekt de kapitein-generaal zuur op. Enkele landslieden van het Brugse Vrije houden de wacht ter hoogte van Oostende en pakken Jan van Hoorne op. Is hij niet de man die verantwoordelijk is voor al die beroering en het oprukken van de Engelsen? Hij was het toch die de Bruggelingen en de Gentenaars en de rest in de steek gelaten heeft daar ter hoogte van Calais?

Het was toch zijn vloot die rechtsomkeer gemaakt heeft en het West-Vlaams landleger voor een onmogelijke opdracht plaatste? Kortom: ‘sy verweten hem dat hy de oorsaecke was van alle de bestaende beroerten ende verwoestingen, om dat hy met de vlote, die hy aenvoerde, uut zee gevlucht was, ende de gone vande Engelschen niet afgewacht hadde om slagh te leveren, daer door het belegh van Cales moeste opgebroocken worden.’ ‘Daerom vielen sy hem op ‘t lijf, ende gaven hem soo vele slagen ende stooten dat hy veerthien dagen daer naer van gestorven is.’

Boudin Diers wordt opgepakt in de kasselrij van Veurne
In Veurnambacht zijn ze er ondersteboven van als ze het nieuws van de molestatie van de kapitein-generaal te horen krijgen. Ze sturen prompt een afgevaardigde naar Brugge met de eis om de moordenaars voor hun daden te laten vervolgen. Maar in Brugge hebben ze weinig oor naar de eisen van die van Veurne. Meer zelfs: de Bruggelingen zin van plan om opnieuw de wapens op te nemen tegen de hertog. Als van Hoorne gedood werd, dan is het zijn eigen schuld, zeggen de Brugse ambachtslieden. ‘Hy was te rechte gedoodt ende datter noch vele van ‘s princens rade alsoo ‘t leven hadden moeten verliesen.’

Nee. Rede is er niet te vinden in Brugge en de gedeputeerden keren dan maar onverrichterzake terug naar Veurne. Een tijdje later wordt een zekere Boudin Diers opgepakt in de kasselrij van Veurne terwijl hij de gewone mensen van de streek, het gemeen, probeert over te halen om de zijde te kiezen van de Bruggelingen. Tegen de prins. Diers verschijnt voor de rechter en wordt prompt beschuldigd van medeplichtigheid op de moord van Jan van Hoorne. ‘Bekennende van by de geseyde moort tegenwoordich geweest te zijn, is hy by vonnisse veroordeelt om levendich gevierendeelt te worden.’ Hoe moet dat eigenlijk zijn om levend in vier brokken gescheurd te worden?

Ik heb vreemd genoeg wat moeite om mezelf in de plaats van de veroordeelde te stellen. Nu de Engelsen verdwenen zijn uit de Westhoek achten de Veurnenaars het opportuun om extra hulp te gaan zoeken bij Filips de Goede. Die bevindt zich in Sluis en dat is waar de kapitein van Veurne-Ambacht en Pieter Van der Meersch, naar toe gaan. ‘Bystandt’ willen ze, met het dringende verzoek om ‘andere voorsienichheden, die tot welvaren van den lande ofte tot beter bewaringe der stadt ende casselrie behoorden.’

De buitenmensen zitten volop in de oogst
De hertog en de Raad van Vlaanderen zijn er voor beducht dat de besloten steden in het zuiden van West-Vlaanderen zeker niet in vijandelijke handen mogen vallen en ze sturen het duo terug naar Veurne met een bevelschrift dat alle inwoners van Veurne-Ambacht, de buitengebieden dus, zich zo snel mogelijk naar de stad Veurne moeten reppen om die te helpen bewaren tijdens mogelijke aanvallen.

Op 29 augustus 1436 gaat er in hun Veurnse landhuis een algemene vergadering door van het magistraat van de kasselrij. Iedereen die ook maar wat in de pap te brokken heeft, wordt opgeroepen om er aanwezig te zijn. De adel en de meeste notabele personen bespreken onder elkaar hoe ze best het hertogelijk bevel kunnen inwilligen. De opdracht is verre van evident. De buitenmensen zitten volop in de oogst en hier en nu alles achterlaten moet een ongelooflijke weerstand bij de landbevolking oproepen.

Wie zal er dan trouwens instaan voor de veiligheid op het land? ‘Sy besloten er, van aen den inhoudt der letteren te voldoen voor soo veel als ‘t mogelick was; men soude tot dies niet al het gemeente der casselrie in de stadt doen commen, maer wel een groot deel van die, om dat de streecke niet sonder het volck soude blijven dat daer nootsaeckelyk was, soo tot beschermingh der selve, als om er den lantbou te doen: want het werck van den ougsttijdt was door alle de voorgaende gebeurtenissen seer verachtert.’ Ook in de streek van Duinkerke wordt een gelijkaardige vergadering gehouden.

De magistraten van Veurne en Veurne-Ambacht zijn er ook bij. Samen met die van Bergen en Bergen-Ambacht en natuurlijk de wethouders van Duinkerke. Het veilig behoud van deze stad staat eveneens hoog op de agenda. De Veurnse kronieken hebben de situatie in en rond Brugge lange tijd genegeerd, maar stilaan merken ze hier in het Westland wel dat die zijn impact begint te krijgen op de gebeurtenissen in Vlaanderen.

De Brugse rebellen zakken af naar Veurne
Terwijl de Engelsen ongenadig huis houden in het noorden van West-Vlaanderen, keren de Bruggelingen zich nu volledig tegen hun prins. Veel heeft te maken met de voorkeursbehandeling die Sluis krijgt van Filips de Goede en zijn flagrante inbreuk op de privileges die Brugge al eeuwenlang in stand houdt m.b.t. de havenstad. En ook de beslissing om van het Brugse Vrije een vierde lid van de Raad van Vlaanderen te maken, stuit op een ongelooflijke weerstand bij de Bruggelingen. ‘De opstandelingen coren eenen capiteyn, om onder sijnen bevele te velde te trecken’. Zo ver is het dus al gekomen.

Terwijl de hertogelijke troepen het onderste uit de kan moeten halen om de Engelsen te beteugelen, krijgen ze nu op het veld te maken met een volksleger dat zich tegen hen keert. Het moet er bijzonder bitsig aan toe gaan. ‘Sy deden vele moedtwillichheden jegens de weerdichheyt van hunlieder prince. Welhaest liepen sy over al het lant ende in alle de steden die onder Brugge stonden, ende trachten het volck van dien te verleyden ende te bewilligen om hunlieder zijde te volgen.’

De Brugse rebellen zakken natuurlijk ook af naar het zuiden van de provincie, maar ze vangen er vooral bot. ‘Om het selve oogwit quamen sy naer Veurne, gelijck oock naer Niepoort, Dixmuyde, Bergen, Duynkerke, Brouckburgh ende Grevelynghe; maer verre van gehoor te hebben, wierden de poorten van die plaetsen voor hun neuse gesloten, ende men trachte selve de Bruggelingen van hun voornemen te doen afsien, ende hun te bewegen tot de gehoorsaemheyt die sy hun prince schuldich waren.’

Wat een moment is dit nu om ruzie te maken?
De jaarboeken van Veurne zijn ongetwijfeld geschreven door aanhangers van de hertog. Dat lijkt me duidelijk als er gesproken wordt over het ‘goede voorbeeld’ dat de inwoners van Lo niet volgen. Omdat ze daar vrezen voor represailles, kiezen ze dan maar de Brugse zijde en trekken ze met hun wapens en standaarden op naar het centrum van die stad. Ook van die vergeldingsmaatregelen geloof ik niet al te veel als ik die Veurnse vooringenomenheid proef.

Die van Lo zijn niet de enigen die de kant van de Bruggelingen kiezen. Ook het volk van Oostende, Lombardsijde, Gistel, Oudenburg ‘ende andere smalle ende opene stedekens ende prochien ontrent Brugge gelegen’ volgen hun voorbeeld. Ik kan heel goed de aan paniek grenzende ontsteltenis begrijpen die hand over hand toeneemt in de kasselrij van Veurne. Met de Engelse legers op eigen bodem is er meer dan ooit nood aan eendracht om het geweld af te blokken. En het tegendeel is helaas waar. Wat voor een moment is dit nu eigenlijk om ruzie te maken met de graaf en vooral onder elkaar?

In Veurne vrezen ze terecht dat ‘de Engelschen daer door groote voordeelen souden connen hebben verkrijgen ende te gemackelicker het lant voorder souden afloopen.’ In Gent en in Rijsel worden er vergaderingen georganiseerd om de West-Vlaamse steden en kasselrijen weer op één lijn te krijgen.

De misdaad woelt welig in het Westland
Pauwel Heinderycx weet uit goede bron dat de Veurnenaars zich daar gaan beklagen over het feit dat hun keurheren en hun wethouders voortdurend ingezet worden ten behoeve van de Raad van Vlaanderen en dat de naleving van de wetten in de eigen streek nagenoeg volledig verwaarloosd wordt. De misdaad tiert blijkbaar welig in het Westland en die van Veurne krijgen tijdens de vergaderingen toch op zijn minst het recht om zich tijdens bepaalde zitdagen te mogen concentreren op de lokale wetgeving.

Ik krijg een lijstje van de personen die in 1436 deel uit maken van dat magistraat. Jan De Baenst figureert er als hoogbaljuw, bijgestaan door Charles van Pollinckhove, de landhouder van de commune en Philips van Haveskercke die landhouder is van de wet. Ik tel 18 schepenen en het lijstje van notabelen en edelen is met zijn 45 stuks nog langer. Pauwel pronkt met de figuren en de samenstellingen van de wapenschilden van de belangrijkste geslachten. Mij kunnen ze geen reet schelen. De 65 topmensen van Veurne en Veurne-Ambacht wonen allemaal de vergaderingen in Gent en Rijsel bij.

En blijkbaar zijn er prominente streekfiguren die hun kat sturen. Ik vraag me af of ze misschien Brugsgezind en dus tegen de hertog zijn. Maar de oude geschriften lossen niets. Ik krijg wel weer nieuws te lezen over de Engelse speldenprikken. We zijn ondertussen aanbeland in 1437. ‘In ‘t eerste des jaers 1437, cruysten d’Engelschen met eenige schepen langst de Veurnambachtsche zeecusten.’ De oorlog is opnieuw gevaarlijk dichtbij. ‘Sy stelden uut deselve drije hondert mannen aen lande ontrent de prochie van Adinckercke, welcke een groot deel der selve uutroofden, ende bovendien eenige lantslieden doodt smeten. Voor dat sy in hunne schepen wederom trocken, staecken sy vier in verscheydene huysen ende hofsteden.’

Wouter van Gistel wordt opnieuw de kapitein
Het magistraat van Veurne-Ambacht besluit om maatregelen te nemen om dergelijke rooftochten in de toekomst te verijdelen en organiseert inderhaast een algemene vergadering in hun ‘lantshuys’ te Veurne. Er zullen tijdens de nacht voortaan 30 mannen te paard de kust afrijden tussen Nieuwpoort en Zuudcote. Elke kerktoren in Veurne-Ambacht zal bemand worden door twee bewakers die bij het minste onraad alarm zullen slaan.

Vier mensen zullen van kerk tot kerk lopen om de mensen op de hoogte te brengen van eventuele vijandelijkheden. De burgers worden verplicht om hun wapens altijd bij zich te houden en wie dat niet doet, riskeert een grote boete. Wouter van Gistel heeft het uitstekend gedaan als kapitein van de troepen en hij wordt in 1437 op vraag van de Veurnenaars opnieuw aangesteld als landhouder en als kapitein van de Veurnse strijdkrachten. Het is een tijd van hoogspanning in de provincie. De zenuwen staan gespannen. ‘In de maendt van Meye trock den hertogh van Bourgondien met vele volck binnen Brugge.

Hy deed sulcx in schyn om alles aldaer in goet order te stellen, oock om justitie te laten doen over eenige moedtwillige; maer nauwelicx was hy met de sijne de stadt ingecommen of sy riepen “Ville gagnée!” ende schoten op de borgers, die hun te gemoet quamen.’ ‘Den hertogh verceert in gevaar’ vermelden de koppen. Dat is inderdaad het geval. De Bruggelingen pikken het niet dat er zomaar op de burgers geschoten wordt.

Als het zo zit, kan de hertog wel een koekje van eigen deeg krijgen en nu krijgt het legertje van Filips de Goede een bende grimmige Bruggelingen over zich heen. En dat brengt inderdaad de veiligheid van de hertog in het gedrang, ‘ende ‘t was met veler moeyte dat men de poorten der stadt open creegh, om hem daer uut te laten vluchten.’ Dat laatste heeft hij te danken aan een bereidwillige smid die het opneemt voor zijn graaf en de sloten van de stadspoorten aan diggelen slaat.

Filips de Goede zal geen genade tonen
Filips de Goede is ‘not amused’. Dat is het minste wat je er van kan zeggen. Het staat ook zo neergeschreven: ‘grootelixc daer over verstoort zijnde, nam den hertogh voor hem geheel Brugge te verderven ende ten nieten te doen.’ Heb maar een dergelijk sujet aan het hoofd van een land. Als ze in de streek van Veurne op de hoogte gebracht worden van wat er voorgevallen is in Brugge, besluiten ze daar om hun steun aan de hertog dubbel en dik te bevestigen.

Hun mening tegenover de rebellie in Brugge is duidelijk. Ze sturen gezanten naar Rijsel waar ze Filips alle hulp en bijstand toezeggen in zijn strijd tegen de vijand. Er komt trouwens effectief geld op tafel om dat te bewijzen. De leden van de Raad van Vlaanderen komen op 6 juli 1437 samen in Gent. Ieper en Gent zijn, net als Veurne, er van overtuigd dat er moet gezorgd worden voor interne vrede in Vlaanderen.

Ze moeten kost wat kost een manier vinden om die van Brugge weer te doen verzoenen met de prins. Wouter van Gistel, Charles van Pollinckhove, Pieter van der Burch en Pieter Van der Meersch vertegenwoordigen de kasselrij van Veurne bij de Raad van Vlaanderen. Het verslag achteraf is duidelijk: ‘in geseyde vergaderinge wiertter besloten van gesanten by die van Brugge te senden om hun t’onderwijsen, ten eynde dat sy hun souden stellen in de gehoorsaemheyt vanden prince ende hun ‘t sijnder genade overgeven. Men beloofde midts dien, dat de staten soo veel by den hertogh souden maecken dat hy hun geen groote straffe en soude geven.’

Een aantal afgevaardigden, onder ander die van Veurne, stappen naar Brugge om deze boodschap duidelijk te maken. Maar daar zijn ze niet van gisteren. Ze kennen hun prins maar al te goed om te beseffen dat die man geen greintje genade zal kennen als puntje bij paaltje komt.

Brugge wordt op droog brood gezet
Brugge kan niet leven met dergelijk voorstel van de Raad van Vlaanderen, maar engageert zich toch om te streven naar een verzoeningsakkoord. De hertog op zijn beurt wijst alle Brugse voorstellen af. Hij moet en zal deze stad op de knieën krijgen. De Bruggelingen zullen op termijn wel moeten smeken om vrede. Er kan geen sprake zijn van enige onderhandeling over welke vrede dan ook. Filips de Goede gaat nog een stap verder.

De steden en de gemeenten van Vlaanderen mogen geen voedsel meer zenden naar Brugge. Niet de minste ‘leeftochten’, want hy verhoopte van hun door hongersnoot tot sijnder gehoorsaemheyt te brengen.’ Hij heeft trouwens al gezorgd voor een imposante blokkade van Sluis waardoor er ook geen overzeese levensmiddelen naar Brugge kunnen worden verscheept. Sinds 1 juli zijn er gevechten aan de gang waarbij 5000 Bruggelingen een felle aanval wagen op Sluis in een poging om de zeeblokkade teniet te doen. Het beleg van Sluis noopt de hertog tot het dringend samenroepen van de Raad van Vlaanderen. Kortrijk, 12 juli. De gebruikelijke delegatie van de kasselrij van Veurne tekent present.

De winterperiode tussen 1437 en 1438
Het beleg moet door een verenigd Vlaanderen worden opgebroken en de Bruggelingen moeten tot gehoorzaamheid gedwongen worden. Filips is categoriek en de vergadering besluit om in te gaan op zijn eisen. ‘Er wiert besloten van aen den hertogh alle hulp ende bystandt te geven om te betrachten (voor soo veel het doenlick soude wesen) dese inlantsche beroerten te neder te leggen, om dat d’Engelschen daer door geen voordeel in Vlaenderen souden becommen.’ Ik blijf nog even rondslenteren in de taal van de oude jaarboeken: ‘Dadelick naer die beraetslaghinge dede den hertogh sijne legertroepen vergaderen, om de stadt Sluys te ontsetten.

De Bruggelingen, vanden optocht van (s hertogens volck gewaerschouwt zijnde, verlieten het veldt, naer de stadt Sluys achttien dagen belegert te hebben.’ Veurne mag zich verheugen op de steun van de hertog, maar dat betekent niet dat er zich geen problemen voordoen in het Westland. Het wordt niet openlijk gezegd in de kronieken. Toch is het oproer van de mensen niet zo veraf als het lijkt. De magistraten zijn sinds het beleg van Calais wat laks geweest met het doen respecteren van de wet.

Te veel werk met de oorlog, heet dat dan. Filips is er beducht voor dat er rellen zullen uitbreken in de Westhoek en hij stuurt op 24 augustus 1437 een bevelschrift dat de wet moeten aangehouden worden in Veurne en dat niet Brugge maar wel de Raad van Vlaanderen de hoofdvonnissen zal vellen als er zich zware feiten voordoen in het Veurnse. De winterperiode tussen 1437 en 1438 moet ongetwijfeld een bevreemdende periode zijn voor die van Brugge. De jaarboeken van Veurne komen pas in februari van 1438 boven water met het nieuws dat er eindelijk aan akkoord uit de bus is gekomen tussen de hertog en het Brugse volk. Het heeft blijkbaar veel inspanningen gekost om iedereen op dezelfde lijn te krijgen.

40 Bruggelingen zullen de pot uitlikken
Het springt in het oog dat ‘die van Brugge aen den hertogh moesten geven twee hondert duysent gouden ridders en datter veertigh persoonen van Brugge ter genade vanden hertogh moesten blijven, mitsgaders dat ‘t Vrije ‘t vierde lidt van Vlaenderen soude wesen.’ Veertig Bruggelingen zullen dus de pot uitlikken voor de algemene burgerlijke ongehoorzaamheid en de hertog haalt dan nog volledig zijn slag thuis door het Vrije nu effectief lid te maken van het hoogste Vlaamse bestuursorgaan, de Raad van Vlaanderen. ‘Die versoeninge baerde groote blijdtschap in Vlaenderen, om dat ze voor geheel de streecke seer voordeelich was.’ Er volgt nog meer goed nieuws. Een wapenstilstand voor 2 jaar met de Engelsen, zodat er over vrede kan worden onderhandeld. De druk kan eindelijk wat van de ketel weggehaald worden.

Sedert dat Elisabeth van Portugal te Veurne quam (1439), totter doodt van Karel, hertogh van Bourgondien (A° 1476).
‘In de Meyemaendt van 1439 quam eerstmael binnen Veurne, vrau Elisabeth, dochter van Jan, coninck van Portugal, ende huysvrau van onsen genadigen prince den hertogh van Bourgondien.’ Het respect en de blinde devotie voor het koppel druipt er van af. De Veurnse magistratuur zorgt voor een onthaal in praal en pracht. En respect. En met geld. Schellen en ponden die zowat overal in de kasselrij door deurwaarders zijn opgehaald. Pauwel Heinderycx heeft het uitgebreid over de geldsommen die ‘stalknechten, sommeliers, waghenaers en allerhande ghesellen’ moeten afdokken voor het goede doel, in casu het decadente huis van Bourgondië.

Filips en Isabelle komen in 1439 naar Veurne
Na zijn bezoek aan Veurne, vertrekt het koppel naar St.-Omer. Er zijn ondertussen een aantal prominenten in Veurne-Ambacht die te laat op de hoogte werden gebracht van het groot bezoek aan Veurne-stad en zij willen absoluut in audiëntie gaan bij Filips en Elisabeth terwijl ze zich in St.-Omer bevinden. De 17de mei van 1439 reppen Omaer de Crane, Lodewijk van Pollinckhove en Pieter Van der Meersch zich naar hun buurstad om zich uitgebreid te verontschuldigen voor hun afwezigheid tijdens het grafelijk bezoek in Veurne. ‘Daer sy ‘tharer eerste incomste in de stadt Veurne haer met eenige giften niet hadden conden vereeren, cochten sy in den wissel van St. Omaers hondert vijftigh gouden ridders, weerdich vijf-en-twintigh stuyvers ‘t stuck, om aen heur te geven.’

De volgende alinea in de oude geschriften toont het hemelsbreed contrast tussen de perverse adoratie van de Veurnse beau monde en het echte realistische leven zoals het zich aan het afspelen is in diezelfde periode. Ik doe erg hard mijn best om de toestand in Vlaanderen in mijn eigen taal te omschrijven, maar ik moet me uiteindelijk gewonnen geven. Pauwel omschrijft het beter en preciezer: ‘ten voornoemden jare was er in Vlaenderen soo een schroomelicken dieren tijdt, datter menichte arme menschen van honger vergingen: dien hongersnoot wiert gevolcht door een wonderlicke groote sterfte.

Men bevint datter deser tijde in de stadt ende casselrie van Veurne sulck eene straffe peste heerschte ende dat de selve soo lange deurde, dat het vierde deel der menschen daer af stierf.’ De schrik voor de plaag die zich als een razende furie onder de inwoners van Veurne-Ambacht verspreidt, zit er diep in bij de wethouders van Veurne. Zelfs nadat deze gesel uit het land verdwenen is, durven ze het lange tijd niet aan om binnen de stad van Veurne te vergaderen met de keurheren van de buitengebieden, en dat allemaal ‘mids der vreze vander pestilentie’. De Franse en de Engelse koning blijven ondertussen onderhandelen met elkaar.

Dit fragment maakt deel uit van deel 5 van De Kronieken van de Westhoek en verschijnt binnenkort (september 2015) – u kan ook verder lezen op http://www.westhoek.net/P1486001.htm

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>