Oorlog in het Westland

Na de doortocht van de Engelsen in 1386 moeten de inwoners echt wat doen aan de beveiliging van hun stad. Er moeten stenen stadsmuren gebouwd worden en dat zorgt voor de nodige financiële problemen. Geen overbodige luxe, want in 1436 breekt de oorlog tussen de Fransen en Engelsen weer in volle hevigheid los. Meteen een ramp voor het Westland en de Ijzerstreek.

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

Ik zoom in op het tweede deel van de ‘Jaerboeken van Veurne en Veurnambacht’. Het is best al een tijd geleden dat ik nog eens op stap geweest ben in het gezelschap van goede oude Pauwel Heinderycx. Ik arriveer bij het ‘vierde capittel’ van zijn boek dat uitgegeven werd te Veurne in het jaar 1854. Waar nodig, zal ik zijn oude teksten transformeren tot een eigentijdse tekst maar ik vraag me af of het Vlaams van vandaag in staat zal zijn om de geuren en de details van onze mooie taal van vroeger te evenaren. Ik zie het wel. Waar nodig laat ik sowieso de geuren, de klank en de nostalgie primeren.

Maar genoeg inleiding nu, ik stap met ongeduld de geschiedenis van Veurne binnen. Sedert dat den Coninck van Vranckrijck ende den Hertogh van Bourgondien besloten oorlogh tegens de Engelschen te voeren, totter tijder dat die van Veurnambacht verbondt maeckten met de poorters van Loo. ‘Anno 1386. Den Coninck van Vranckrijck ende den hertog van Bourgondien ondernemen den oorlogh jegens d’Engelschen.’ De koning van Frankrijk en de hertog van Bourgondië zijn tot een vredesakkoord gekomen en nu plannen ze om met vereende krachten Engeland aan te vallen. Een potje van eigen deeg zullen ze krijgen.

De Engelsen hebben met hun vuur en met hun zwaarden het leven van de Fransen tot een hel gemaakt en nu zullen de Franse zwaarden op hun beurt brand en vergelding brengen daar aan de overkant van de Noordzee. Er worden in Vlaanderen grote voorbereidselen getroffen om ten oorlog te trekken. De nodige zeeschepen worden klaargestoomd en alles wat noodzakelijk is, wordt aangevoerd. De bemanning van die schepen zal zich binnenkort aanmelden in Vlaanderen, althans dat schrijft de hertog van Bourgondië in een brief aan die van Veurne.

Hij waarschuwt de Veurnenaars dat ze het land moeten verdedigen moesten de Engelsen tijdens zijn afwezigheid Vlaanderen binnenvallen. Zijn brief dateert van 23 september 1386. Er zal zich nogal een pak volk van verschillende nationaliteiten aanbieden in de streek van Veurne met de bedoeling van in te schepen bij de oorlogsvloot. De prinselijke boodschap is duidelijk: het zou verstandig zijn om al die vreemden buiten de eigen stadsmuren te houden. Het stadsbestuur moet er voor zorgen dat ze te allen tijde meester blijven over de situatie.

Mensen van standing kunnen binnen de stadsmuren worden toegelaten en voor de rest moeten de Veurnenaars er zorg voor dragen om niet beroofd te worden en zeker de stadspoorten goed gesloten te houden. ‘Verders moeste men voorsorgen nemen dat de stadt niet en soude ontbloot wesen van leeftochten, midts sy eene der grensplaetsen van Cales was.’ Het duurt niet lang voor de streek van Veurne-Ambacht en de andere kasselrijen uit de streek overspoeld worden door vreemde soldaten. Na een tijdje krijgt dat gespuis allemaal de nodige instructies om zich te gaan presenteren in Duinkerke, Nieuwpoort en de andere zeehavens. Hier zullen de huurlingen inschepen voor Engeland. Dat werd trouwens hoog tijd.

De buitenbevolking, gemeenzaam de ‘landslieden’ genoemd, heeft het zwaar te verduren gehad met al die vreemde luizen. De mensen zijn blut en beroofd, ‘door vele lieden aerme gemaeckt’. De aanval op Engeland loopt echter af op een sisser. Dat geven de jaarboeken toch aan: ‘edoch dese groote wapeninge is vergaen in roock, want sy heeft geene de minste vrucht tewege gebragt.’ Het gevaar dreigt vooral van de Engelsen zelf te komen. De magistraten van West-Vlaanderen krijgen allemaal de raad om zo goed als mogelijk hun steden te versterken zodat ze weerstand kunnen bieden aan de vijand.

De Veurnse bevolking reageert eveneens op de vraag van hun prins. De vestingen vertonen nogal wat gebreken en die moeten zo goed als mogelijk hersteld worden. Veel moeten we ons trouwens niet voorstellen van die vestinggordel. Eigenlijk is het een houten omheining. Een rij van verticaal opgestelde balken zoals dat het geval is bij de meeste Vlaamse steden. Door de ‘lanckhede’ van de tijd zijn nogal wat balken rot geworden en dus dringend aan vervanging toe. De wethouders in Veurne zijn van mening dat het kostenplaatje om al die houten balken te vervangen eigenlijk niet verantwoord is. Binnen de kortste tijd zullen vocht en schimmels opnieuw hun werk doen en zo blijven ze bezig.

Er wordt beslist dat de zwakke plaatsen voortaan vervangen zullen worden door stenen constructies. In 1386 wordt er dus voor de eerste keer werk gemaakt van de stenen versterking van Veurne. ‘Van toen voorts hebben ze van jare tot jare een deel van de vestingen doen in brijcken stellen, tot dat de stadt geheel bemeurt was.’ Het is een zware onderneming voor het stadje dat de voorbije jaren al zo veel te verduren kreeg door de invasie van de Engelsen. Ik verwijs daarbij nog eens naar de periode van het beleg van Ieper in 1383, waarbij Veurne in de nasleep van het terugtrekken van de Engelse troepen zware averij opliep.

Het stadsbestuur wil uiteraard hun stad beschermen tegen mogelijke beproevingen in de toekomst, maar de middelen ontbreken om echt door te werken aan de vernieuwing van hun stadsgordel. ‘Kan de hertog van Bourgondië eventueel niet tussenkomen in de kosten?’ Ondertussen zijn we al in 1388 aanbeland en er komt inderdaad een financiële regeling tot stand. Zowat dertig percent van wat de mensen jaarlijks als taks dienen te betalen aan hertog Filips de Stoute, wordt kwijtgescholden.

Dat geld kan nu naar het stadsbestuur gaan ‘op dat ’t begonnen werck hadde mogen voltrocken zijn.’ In de loop van 1388 landen er een pak Engelsen ter hoogte van Calais. De vrees neemt toe in de streek van Veurne. Zullen de mensen nog eens de dupe worden van dat crapuul? Willem van Bethune, de gouverneur van Vlaanderen, waarschuwt alvast: alle poorters van Veurne zouden zich beter terugtrekken binnen de stadsmuren en niet op den buiten blijven.

Het officieel bevel komt er op 15 juli 1388. De buitenpoorters hebben acht dagen tijd om de orders op te volgen en alle eigendommen met zich mee te brengen. Bovendien moeten ze met zijn allen helpen om ‘de Stede te behoeden ende te beschermen’. Wie de bevelen negeert, zal het poorterschap verliezen met daar bovenop een boete van tien percent op hun eigendommen, een boete die in die tijd als ‘thiende penninck’ wordt omschreven.

Pauwel Heinderycx geeft wat aanvullende informatie rond die buitenpoorters. Nogal wat rijk volk uit Veurne verkiest te wonen in Veurne-Ambacht om reden van de grote vrijheden en privileges waar ze kunnen van genieten. Maar de Engelsen blijven dit keer weg uit Vlaanderen. Alle militaire confrontaties vinden plaats op Frans grondgebied en de Westhoek blijft deze keer onverhoopt buiten schot. De strijdbare mannen van de kasselrij van Veurne moeten zich, samen met die van heel West-Vlaanderen, tijdens deze oorlog opstellen aan de rivier de Aa om te beletten dat de Engelsen ‘die tot Cales lagen te beletten van in Vlaenderen te commen rooven ende branden.’

Wat zijn ze gelukkig in Veurne als ze in 1389 vernemen dat de strijdende partijen in Lelinghem een tijdelijk vredesbestand afsluiten voor een periode van drie jaar. Die periode wordt nog een keer verlengd tot in 1395. In St.-Omer volgt er tot slot een wapenstilstand voor dertig jaar. De blijdschap ‘in dese landen is ongemeen!’ Anno 1390. ‘Toen die van Veurne, nu vijf jaren met groote costen aen de vestens van hunlieder stadt gevrocht hadden, ende nu alle de cranckste plaetsen met hooge meuren beset waren, bevonden sy de vestens te ondiepe.’

Het water van de vestingen is veel te ondiep sinds de Engelsen in 1383 die op enkele plaatsen gedempt hebben. Het stadsbestuur vraagt het magistraat van Veurne-Ambacht om bij te dragen tot het uitdiepen van hun vestingen. Enfin, ze vragen een financiële bijdrage. In Veurne vinden ze hun vraag terecht, want als er oorlog is, dan zijn de buitenpoorters er als de kippen bij om zich binnen de muren in veiligheid te brengen.

Het magistraat van Veurne-Ambacht reageert positief op de vraag van Veurne. Er wordt een algemene vergadering gehouden met de voornaamste keurbroeders en de vertegenwoordigers van de acht parochies die deel uitmaken van de kasselrij. Ze tonen zich bereid om een redelijke som geld over te maken aan Veurne, maar er worden enkele tegenprestaties op tafel gelegd. ‘Sy deden dat onder soo lastige conditien ende besprecken, dat de wethouders der stadt die toelage op sulck eener wijse niet en wilden aenveerden.’ Jullie eisen zaken van ons die tegen de wet indruisen, redeneren ze, en prompt wordt er een klacht ingediend bij de hertog.

Filips de Stoute beseft welke grote inspanningen de Veurnenaars leveren om hun stad keurig te versterken en stuurt aan op een compromis met die van de buitengebieden. Hij zendt een aantal commissarissen naar de stad om er te bemiddelen tussen de partijen. Willem, de proost van Waten. Ridder Heindryck van Spierre en Robrecht van Capple die de hoogbaljuw is van Veurne. Het drietal wijst op de grote kosten die de mensen van Veurne al hebben moeten dragen, en hebben het over de grote schulden die er nog altijd afbetaald dienen te worden. Allemaal om de burgerij van de stad én die van de buitengebieden te beschermen.

Een alternatief is er niet, de toestand van de stadsmuren is zo lamentabel dat ze ‘in den staet waer in sy sich bevond, in groot perijckel was van te vallen in de handen der vyanden, tot nadeel soo vanden prince als tot verderf der inwoonders.’ De meest notabele keurbroeders worden weer opgeroepen. Samen met de hoofdlieden van de acht parochies, de ‘Spleten’ en de ‘Brancken’. Die spleten en brancken blijken een vertaling uit het Frans te zijn. ‘Branches et éclisses’, takken en zijkanten, nevengebieden van Veurne-Ambacht dus.

Er komt nu wel geld op tafel voor het noodlijdende Veurne. De vestingen mogen verbreed en uitgediept worden en er komt een extra budget van 2.000 gouden frank bovenop al wat tot op heden betaald werd. De randvoorwaarden worden wat afgezwakt. Het komt er op neer dat de mensen van de buitengebieden zich als het nodig is in veiligheid kunnen brengen in Veurne en daar ook de kansen zullen krijgen om daar handel te drijven.

Op 27 augustus van 1390 bekrachtigt het stadsbestuur dit akkoord. In 1391 wordt begonnen aan de werken aan de vestingen. Eigenaardig genoeg zijn het mensen van de kasselrij die aan de slag gaan en komt het beloofde geld niet direct op tafel. ‘Die van Veurne zijn seer ontevreden geweest dat het geldt dat sy by voorgaende accoort toegestaan hadden, niet gegeven wiert in hunne handen om de versterckingen te doen vermaecken naer hunnen wille; maer die der casselrie hadden achterdocht dat het geldt niet al en soude gebruyckt worden ter saecke waer het toe geschickt was.’ Hoe je het ook draait of keert: het is een eigenaardige situatie.

De mensen van Veurne-Ambacht nemen het werk over van de stedelingen, maar die voeren die dan uit op een manier die niet kan rekenen op een goedkeuring van het stadsbestuur. De twisten en het ongenoegen die daardoor ontstaan, zijn gemakkelijk te begrijpen: ‘sy begonden de wapens jegens elkanderen te nemen’.

Gelukkig zijn er aan weerszijden ‘goede’ lieden die het geschil op een diplomatische manier willen beslechten. In afwachting besluiten die van de kasselrij om voorlopig het werk te staken. Dat laatste is helemaal niet naar de zin van de hertog die beide magistraten bij zich roept en beslist dat de financiële bijdrage onder de zorg dient geplaatst te worden van Ryckewaert van Beerst, een oude en ervaren ridder die in het verleden vaak landhouder van Veurne-Ambacht is geweest. Er worden werfleiders aangesteld, afkomstig van zowel de stad als van de buitengebieden.

Het uitdiepen en verbreden van de vestingen kan nu eindelijk onder een gunstig gesternte verder gezet worden. ‘Het werck wiert alsdan volgens gesaemntlicke eysch in voller eendrachtichheyt opgemaeckt. Den wijden ende diepen gracht die voor de gansche vesten lach, versterckte niet alleen de stadt, maer gaf ze eene versekertheyt waeraf sy tot noch toe niet genoten hadt.’

Ondertussen wordt er trouwens onverdroten verder gewerkt aan de versterkingen zelf. ‘Dewijl Veurne nu van seer wijde ende diepe grachten voorsien was, heeft het magistraet der stadt te meer genegen geweest om de rest der noch ontbreeckende steenen meuren te doen stellen, daerom hebben ze jaerlycx menichvuldige brijcken gecocht ende gedeurelick doen wercken, totdat hunne stadt rontom bemeurt was.’

De schrijver geeft aan dat de vestingwerken rond het jaar 1410 afgewerkt zijn. Veurne bezit nu één van de hoogste en sterkste vestingmuren van heel Vlaanderen. Ook de geestelijken ontsnappen niet aan een financiële bijdrage. Het stadsbestuur verzoekt aan het kapittel van Sinte-Walburga, de abdij van Ter Duinen, die van St.-Niklaas en aan alle geestelijke instellingen op haar grondgebied om schatting te betalen.

Ze bezitten allemaal huizen binnen de vestingen, waar ze in tijden van crisis en oorlog maar al te blij zijn om daar soelaas te zoeken en om er met hun goederen naar toe te vluchten. Dus is het maar normaal dat ook zij een duit in het zakje zullen doen om de werken te doen opschieten. De vraag om geld valt echter in dodemansoren.

Vooral die van Sinte-Walburga steigeren. ‘Sy moesten nergens in en commen, vermidts sy volgens hunne previlegien vrij stonden van alle lasten die de stadt en de casselrie aengingen.’ Er zit niet veel anders op voor het stadsbestuur om weer aan de mouw te trekken van de hertog van Bourgondië, ‘hem biddende dat hy de voorseyde geestelicken soude bevelen, dat sy eene tamelicke somme daer toe moesten betalen’.

Want uiteindelijk zullen ze, net als de Veurnse poorters, ook zelf beveiligd worden tegen roof en plundering van toekomstige vijanden. Op 29 augustus 1391 betalen de geestelijken uiteindelijk allemaal samen het mooie sommetje van ‘zes hondert goude nobels’. ‘Anno 1391 – vande dertichste scheuringh dieder in de H. Kercke ontstont.’ In 1377 is er inderdaad een scheuring ontstaan in de katholieke kerk. Ik heb het in mijn kronieken al vaak gehad over die tweespalt in de kerk en ik ben dan ook benieuwd hoe de hele situatie in Veurne ervaren zal worden.

In 1377 dus werden er twee pausen gekozen. Urbanus VI, paus van Rome en Clemens, paus van Avignon. Wat een zootje toch. Vlaanderen blijft adept van Rome, maar van het ogenblik dat Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië, door zijn huwelijk graaf van Vlaanderen wordt, verzoekt hij de Vlamingen om de kant te kiezen van paus Clemens. Die van Frankrijk. De lokale adel voelt zich bereid om tot het kamp van de Clementijnen toe te treden. Ze hebben natuurlijk de vriendschap van hun hertog van doen. Ze worden daarbij trouwens ook gestimuleerd door de bisschoppen van Terwaan en Doornik die als rasechte Fransmannen uiteraard ook de kant kiezen van paus Clemens van Avignon.

De druk op het gewone volk om van kamp te veranderen, moet niet min zijn: ‘niet tegenstaende datter vele pogernien verricht wierden om dat een ider in dat gevoelen sou deelen, bleef het gemeente altijdt even stantvastich tot Urbanus genegen, ende het en wilde niet hooren naer de gone die hun wilden aenpreecken dat Clemens den waerachtigen paus was.’ De twee strekkingen hebben niets, maar dan ook niets met elkaar gemeen. Je kan ze best vergelijken met de Joden en de Samaritanen, mijmert Pauwel Heinderycx. De hertog zelf schuwt geen geweld bij zijn intimidatiepogingen. ‘Het Vlaemsche gemeente moet de zijde van Urbanus verlaten.’

Ik laat de jaarboeken even verder vertellen: ‘hy bedwong daertoe die van Brugge, Ypre ende andere steden in Vlaenderen, verjagende om tot dit eynde te geraecken alle de priesteren dien den geseyden paus vercleeft bleven.’ Die van Gent laten zich niet inpakken en gooien iedereen die zich Clementijn durft te noemen buiten de stadsmuren. ‘De beroerte was daer door wonderlick groot in ’t lant: onder het gemeente warender vele menschen die liever hun leven souden gegeven hebben, als te veranderen van opinie.

De Urbanisten en wilden geen misse hooren noch heylige sacramenten ontfangen, die hun van Clementijnse priesters bedient wierden, houdende dat sy geene waerachtige priesters en waren, noch de macht niet en hadden om die heylige saecken uut te oefenen. Ook in Veurne en Veurne-Ambacht ontstaat er grote beroering. Vooral vanaf 1392 wanneer de hertog Joannes Tabary, de bisschop van Terwaan, naar Veurne stuurt om de overstap te maken naar de clan van de Clementijnen. Ik heb altijd al een afkeer gehad voor mensen die een ander hun eigen geloofsovertuiging willen opdringen.

Het is maar al te duidelijk in de geschiedenis en in onze actualiteit van vandaag waar dergelijke praktijken naar toe leiden. In 1392 is het dus niet anders. Tabary maakt er korte metten mee in Veurne. Gedaan met het naar de mis gaan als die opgedragen worden door Urbanistgezinde priesters. ‘Fini’ de sacramenten van de paus van Rome. En al wie volhardt bij zijn steun aan Rome, zal met onmiddellijke ingang van zaken in de ban van de kerk geslagen worden.

Het vervolg laat zich raden: ‘men sach alsdan op de heylichdagen de kercken ydel, om dat het gemeente daer in niet en wilde gaen, om reden dat sy bedient waren van Clementijnsche priesters.’ De gemoederen laaien op. Vooral de maatregel van de hertog om niemand meer in dienst te nemen die niet uitdrukkelijk de kant van Clemens kiest, strooit zout op de wonde. Je zult het maar meemaken. Eigenlijk is het een wonder dat de toestand niet verder escaleert tot een algemene revolutie. De mensen werden al eeuwen doodgemaakt met propaganda voor de paus van Rome en van de ene op de andere dag krijgen ze nu een tegengestelde indoctrinatie naar de hoofden geslingerd.

Kijk nu zelf: tot de absolute top van de katholieke kerk in de Westhoek toe, keert zijn kar. De abt van Ter Duinen op kop, met zijn collega van St.-Niklaas en de proost van Sinte-Walburga, ‘gelijck mede den meerderen deel van hunne moningen waren Clementijnsgezinden geworden.’ Priesters die het wagen om te prediken tegen de Clementijnen, kunnen er maar beter voor zorgen dat ze het land verlaten om niet ‘ter dood verwezen te zijn.’

Er rest de priesters niet veel keuze: hun standplaatsen achterlaten en naar Gent of naar andere Urbanusgezinde steden gaan wonen. Zo is er priester Jacob Pots die zijn stek in Alveringem moet achterlaten. Ook Pieter Daneels, de kanunnik van Sinte-Walburga is eerlijk met zichzelf. En velen volgen hun voorbeeld. ‘Een groot deel van het gemeente van Veurne ende Veurnambacht trock jaerlycx te Paesschen naer Gent om hun van hunlieder christenlicke plichten te quijten ende door de Urbanische priesters versterckt te worden in hun geloove.’

‘Anno 1393. De Zuytpoorte der stadt Veurne wort verandert.’ De nieuwe werken aan de vestingen zorgen er voor dat één van de stadspoorten nutteloos wordt. De weg die er naar toe leidt is opgebroken. De Zuidpoort dient afgebroken te worden en plaats te ruimen voor de stadsmuren. Er is een nieuwe Zuidstraat aangelegd en er wordt nu een nieuwe stadspoort gebouwd in het verlengde van de nieuwe burgweg.

Pauwel geeft wat details rond de precieze locatie van die oude Zuidpoort. Die ligt ongeveer 130 meter ten oosten van de nieuwe poort, bij het binnenkomen van de Roggestraat die later de naam van de Boterweegschaalstraat zal krijgen. Die straat zal met zijn huizen en belendende steegjes in de loop van de jaren opgeslorpt worden door de abdij van Sint-Niklaas. ‘Dese Rochestrate nam met der oude Zuytpoorte aenvangh, ende liep noortwaerts voorby het out refugiehuys der voornoemde abdye, ende van daer langst de strate die nu de Clooster- ofte de Zuyvelmarcktstraet genaemt is, tot den Zuyt-oosthoeck der marckt.’

Die Zuivelmarkt staat op vandaag bekend als de Appelmarkt. De relatie tussen het volk van Veurne met de buitenbevolking van Veurne-Ambacht is op zich al een delicaat geval. Het supprimeren van de eeuwenoude Zuidstraat, al eeuwen de gebruikelijke toegangsweg voor de landhouders en de keurheren van Veurne-Ambacht om met have en goede de Burg te bereiken, zorgt er voor dat ze nu over hun land moet sjokken om ter plaatse te geraken en er hun vergaderingen te houden.

Er zijn nog wel drie andere toegangswegen, maar de omweg om die te bereiken is er te veel aan. En daar knelt het schoentje. De vier toegangswegen worden bestempeld als ‘vrije wegen’ die als het ware een verlengstuk vormen van Veurne-Ambacht om tot bij de Burg te geraken. De nieuwe Zuidburgweg, in het begin dus een gewone landweg, vervangt dus de vroegere Zuidstraat. Maar de nieuwe toegangsweg wordt het Veurnse gerecht niet bestempeld als een vrije weg en dat betekent in praktijk dat wie binnenkomt aan de nieuwe Zuidpoort zich al binnen de Veurnse jurisdictie bevindt.

De nieuwe toestand zorgt voor allerhande nieuwe conflicten en meningsverschillen: ‘ider ceer dat gerechtsdienaren der ceure eenige lijfstraffelicke gevangen opbrochten ende daer mede door de nieuwe Zuytpoorte trocken, wierden die vande gerechtsbeambten der stadt hun afgenomen ende vastgeset, om dat de wet van Veurne over de selve recht soude doen. Sy seyden sulcx te mogen doen, om dat sy over de jurisdictie der stadt ende door onvrije wegen trocken, midts de vier burchwegen alleen vrije wegen waren, ende dat die der casselrie hunlieder gevangen door die vrijelick naer den Burgh mochten leyden.’

‘De wet is de wet’, zeggen de magistraten. Maar de moeilijkheden stapelen zich op. Dus dringt er zich een aanpassing van die wet op. Er vertrekt een verzoek naar de hertog als hij het niet zou willen believen om de nieuwe Zuidburgweg treffelijk te willen aanleggen en te vergunnen als vrije toegangsweg tot Veurne en zijn Burg. Op 14 maart 1393 krijgen ze antwoord. Filips de Stoute staat de nieuwe Zuidburgweg toe, de straat die loopt door de Zuidpoort, parallel met de oude Zuidstraat en van daar via de westzijde van de markt tot aan de Burg. Hierdoor ‘mochten die der casselrie vrijelick trecken naer den Burch, sonder vande dienaren der stadt eenichsins daer in belet te wesen.’ Als ik de schrijver mag geloven, blijven er ondanks die vergunning nog verdere problemen bestaan tussen de magistraten van Veurne en zijn buitengebieden.

We stappen over naar het jaar 1396. Die van Veurne zitten nog altijd met hun gat vol schulden. Allemaal natuurlijk door de afbetalingen van de infrastructuurwerken aan hun stadsmuren. Er worden oplossingen gezocht om de handel en de nijverheid te dynamiseren en zo extra geld in het laatje te brengen. Er mag wat fut in komen. De welvaart van de burgers moet absoluut op zijn vroegere niveau terugkeren. Dat wordt weer eens lonken naar de hertog.

‘Ten jare 1396, versochten sy ten dien eynde vanden hertogh om datter eene vrije feeste ofte jaermarckt binnen Veurne van alle soorten van coopmansgoet soude mogen ingestelt wesen.’ Een jaarmarkt die 3 dagen kan duren. Op de feestdag van Sint-Jacob, 25 juli. ‘Verders dat het hem gelieven sou van acht dagen vrijdom van gevanck ende aenhoudingh te geven voor de selfde feeste, om dat de cooplieden hunne goederen ter selve brengen ende ten tooge souden stellen, ende acht dagen vrijdom daer naer, om met hunne goederen te vertrecken.’ In de praktijk vragen de Veurnenaars dus dat al wie wat op zijn kerfstok heeft, zich zonder zorgen naar Veurne en zijn jaarmarkt mag verplaatsen zonder het gevaar te lopen om opgepakt te worden.

Vooral wie schulden heeft, kan hier van profiteren. De vergunning komt er. Zij het met een aantal randvoorwaarden. Wie schulden heeft aan de hertog zelf, zal niet kunnen rekenen op immuniteit en Filips wil over een periode van negentien dagen een extra belasting van twee Parijse denieren op elke gesleten stoop wijn. Uiteraard bovenop de bestaande taksen. Er wordt ook een ‘dobbel boete’ opgelegd voor alle misdrijven die er tijdens de periode van de jaarmarkt worden gepleegd.

Ik kan er me wel wat bij inbeelden. Veurne en zijn landbouwrijke buitengebieden. De jaarmarkten zijn een schot in de roos en zorgen voor ‘groote neeringe en profijt’ bij de mensen. Er wordt wonderlijk veel goed verkocht en dat zorgt er voor dat de Veurnse jaarmarkt tot één van de beste van Vlaanderen mag gerekend worden. In die dagen dan wel, reageert Pauwel, want halfweg de 19de eeuw geeft de ooit zo levendige markt meer en meer een vervallen indruk. Het zal wel door ‘versuymtheyd’ zijn, piekert onze schrijver. Er komen problemen tussen de keurbroeders van Veurne-Ambacht samen met het landvolk van Lo tegen de poorters van laatstgenoemde stad.

De stadmensen van Lo bezitten optrekken en landerijen in de buitengebieden, maar ze betalen niet de minste lasten en pointingen op de opbrengsten ervan. Ze wijzen hiervoor naar hun privileges. Daar kunnen de keurbroeders van Veurne-Ambacht niet mee leven. ‘Om alle geschillen diesaengaende te vereffenen ende te samen in vrede te leven, wiertter vastgestelt dat men sich soude gedragen aen het seggenschap van balliu, lanthouders, schepenen ende ceurheers van Veurnambacht, die om dese saecke te beslissen vergaedert zijn op den 25ste januari 1396.’ De uitspraak getuigt van evenwicht en begrip voor die van Lo. Al de taksen die momenteel geëist worden, kunnen van tafel geveegd worden. Tot aan de dag van deze uitspraak.

De poorters van Lo die regelmatig gaan verblijven in de kasselrij, zullen voortaan ‘pointingen’ betalen. Wie een permanent verblijf heeft in de stad Lo en drie keer per jaar een periode gaat werken op het land, zal geen belastingen betalen. De timing en de details zijn precies: ‘drijemael ’s jaers, elck mael veertigh dagen: te weten in den ougsttijdt, om hun vruchten te vergaderen, in den herfst, omme hunne landen te bewercken ende te besaeyen, ende oock in het lente-saisoen.’ De overeenkomst wordt mee goedgekeurd door de burgemeester en de schepenen van Lo zelf.

Het vijfde ‘capittel’ gaat van start: ‘Vanden tijdt dat de Vlamingen, onder ’t beleet vanden sone des hertoghs van Bourgondien, naer Hongarien trocken, tot den vrede van Atrecht in 1433.’ ‘Anno 1396. Jan den Onversaagden, sone des hertogs, treckt met een groot leger tegen de Turcken op.’ De koning van Hongarije roept de hulp in van Filips de Stoute om de opmars van Turken te stoppen. En dat is een kolfje naar de hand van zoon Jan zonder Vrees, die in Veurne dus als ‘de onversaagde’ wordt omschreven.

Jan zal dus in eerste instantie een leger moeten optrommelen. De adel is natuurlijk van de partij om hun jonge prins te volgen. Oorlog voeren is niet gratis, dus wordt er koortsachtig op zoek gegaan naar de nodige financiële middelen. En volk is er nodig. Veel volk, ‘en dies poochden sy hun ten uuttersten om geldt daer voor te becommen ende volck te werven.’ In de Westhoek wordt Claes Uuttenhove ingeschakeld. De notoire ridder is aangesteld als hoogbaljuw van Veurne en Veurne-Ambacht en hij mobiliseert tweehonderd jonge mannen. Zijn zoon Klaas, ‘een jongen ende cloecken edelman’ wordt aangesteld als kapitein van de Veurnse divisie die ook nog de steun krijgt van het lokale blauw bloed.

De jaarboeken omschrijven het weer sappig en geurig alsof ik zelf aan het opstappen ben met dat legertje: ‘Vele jonge Veurnambachtsche edellieden vervoegden sich by de vermelde vrije bende, om ’t gewenschte insichte te betrachten ende hun leven te wagen voor den naem Christi.’ Ik mag inderdaad niet over het hoofd zien dat de Turken er op uit zijn om de Christenen te verdelgen. Islam en christendom.

Onbewust transponeer ik de jongelingen van Veurne die in 1396 naar Hongarije vertrekken in de onwetende waaghalzen die zich anno 2013 naar Syrië begeven om zich daar in een onbekend avontuur te storten. Het leger vertrekt uit Vlaanderen in de meimaand van 1396. Het doel van de reis is om Nicopolis te belegeren. Ik schakel even over op ‘Google Maps’. Mijn Nicopolis in Hongarije blijkt nu Nikopol te zijn in Bulgarije, op de grens met Roemenië. Een afstand van 2.250 km met een reistijd van zowat 24 uur.

In 1396 zal het wel lichtelijk anders zijn. Ik vraag me af of die Veurnse boerenjongens het traject al dan niet te voet moeten afleggen. En ze moeten dan nog eens terugkeren! Ik krijg daar geen nieuws over, maar het oude verslag van de tocht is anderzijds wel duidelijk. ‘Commende in Hongarien trocken sy benevens ’t Hongaersch leger op, om de stadt Nicopolis te belegeren, alwaer Bajazet, soudaen der Turcken, met een leger dat boven de hondert duysent mannen beliep hun quam vinden. Aldaer wiertter eenen schroomelijcken slagh geslegen, tot grooten naerdeele ende verderfenisse der Christenen.

Den meerderen deel vanden Vlaemschen ende Franschen edeldom die er in deel nam, bleven daer dood. Jan, des hertogens sone, met noch eenige der treffelijckste heeren wierden door de Turcken gevangen; sy lieten hun het leven op hope van groot rantsoen van hun te trecken: hunlieder meeningh was gegront.’ 200.000 dukaten kost dat spelletje. Losgeld om de zoon van de hertog vrij te krijgen. Om de terugkeer van de Veurnenaars heb ik me onterecht zorgen gemaakt; ‘er zijnder seer luttel wedergeceert om de mare van hunlieder ongeluck te brengen; sy wierden al gedoodt ofte in slavernie gehouden.’ Ook de jonge kapitein Klaas van Uuttenhove ondergaat een gelijkaardig lot.

Hij wordt voor lange tijd als slaaf vastgehouden in Turkije, waar hij zich uiteindelijk zelf kan bevrijden en uiteindelijk toch terug kan keren naar Vlaanderen. Altijd opnieuw zie ik strubbelingen als het over de centen gaat. Kijk maar te Veurne in 1397. De keurbroeders van Veurne pikken het niet langer dat de Ieperlingen geen taksen betalen als ze woningen betrekken in Veurne-Ambacht. ‘We betalen alleen belastingen aan onze magistratuur in Ieper’, verklaren ze ostentatief, maar de Veurnenaars laat het niet zo.

De twisten en processen volgen elkaar in steeds sneller tempo op waardoor de voogd, de schepenen en de raad van Ieper hun collega’s van Veurne contacteren om eens overleg te plegen rond de problematiek. Er komt op 27 november van 1397 een akkoord uit de bus. Ieperse poorters worden vrijgesteld van het betalen van de pointingen aan die van Veurne als ze woonachtig zijn in Ieper en slechts drie tijdstippen per jaar hun buitengebieden in Veurne-Ambacht gaan betrekken. Enfin; tijdstippen.

Drie periodes van veertig dagen tijdens de lente, de zomer en de herfst. ‘Omme hunne landen te benooten ende te besaeyen, ende de andere veertigh dagen in den ougsttijdt, te reeckenen van St. Maria-Magdelenendagh, om hunne vrchten in te scheuren. Bovendien sullen sy op hunlieder goedingen cnapen ende jonge wijven mogen doen woonen om het lantwerck te doen ende de goederen te bewaren. Indien sy er langer verbleven, sullen sy moeten pointinge betalen gelijck of sy opsittende ceurbroeders waren.

Pats. Ik sta in één oogwenk dertien jaar verder in de tijd. De jaerboeken van Veurne tonen niet de minste aandacht voor de dood van hertog Filips de Stoute in 1404 en springen in één ruk naar het gezegende jaar 1410. De geesteszieke Franse koning Charles VI is niet in staat om zijn land te regeren en Jan zonder Vrees, zijn belangrijkste vazal, wil dat in zijn plaats doen. Ik heb de hele periode al eerder beschreven in een ander hoofdstuk en ik ben toch wel benieuwd of ik hier in het hart van de Westhoek nog verdere informatie zal opsteken. Dat is niet echt het geval, maar opnieuw val ik voor de blitse taal van de kronieken.

‘Den hertogh van Bourgondien, grave van Vlaenderen, seer belangrijcke saecken in Vranckrijck te verrichten hebbende, ter oorsaecke dat hy de bestieringh van het rijck gedeurende den tijdt dat coninck Carel den VI buyten sijn sinnen was wilde hebben. Hy vont deswege grooten tegenstandt van wege de andere Fransche princen, by soo verre dat hy besloot gewelt te gebruycken om daer toe te geraecken.’ Onze onversaagde prins heeft natuurlijk geld nodig om oorlog te voeren in Frankrijk. En daar kunnen de Vlaamse steden toch wel van profiteren. De postjes in de magistratuur en in het bestuur van Vlaanderen worden verkocht aan de hoogstbiedende. De landerijen van de hertog worden verpand in ruil voor leningen.

De Vlaamse steden en kasselrijen kunnen vrijuit nieuwe voorrechten en privileges krijgen. Zolang ze er maar voor betalen. Op 13 april van 1410 is dat het geval in Veurne. De plaatselijke keurbroeders en keurzusters kunnen voortaan vrij beschikken over de nalatenschap van terdoodveroordeelden. Wat een lachertje moet justitie hier eigenlijk zijn? Ze krijgen ‘vrijdom van confiscatie van hunlieder goederen gelegen in Vlaenderen, ten ware om den misdade van moortpoogingh begaen jegens den hertogh, sijne huysvrauwe ende wettelicke kinderen ofte jegens quaeden aenslagh tegen den staet, mitsgaders tegen sijne canselier.’

De Veurnse keurbroeders mogen voortaan vrijuit wapens met zich meedragen overal waar ze zich in Vlaanderen verplaatsen. De schepenen en de magistraten blijven op hun posten voor de rest van hun leven. Het magistraat wordt uitgebreid tot negentien schepenen. Van enige democratie zal er in Vlaanderen en in Veurne zeker al geen sprake zijn. Aan al die nieuwe privileges hangt een pittig prijskaartje. ‘Over dese gunsten moesten die der Casselrie jaerlycx betalen aen den ontfanger-generael des hertogs de somme van drije hondert ponden paresys erfvelicker rente, telckens te voldoen op St. Jansdagh midzomers.

Bovendien gaf het magistraet voor dese previlegie een goede somme gereet geldt, doch hoe veel, en heeft men tot heden niet gevonden.’ Jan zonder Vrees houdt lelijk huis in Frankrijk. Hij heeft het nochtans niet onder de markt met die andere Franse prinsen. Je weet wel, onder andere die van Orléans. Een vuile oorlog is het, die op een bepaald moment onderbroken wordt door een staakt-het-vuren en een tijdelijke regeling waarbij de drie grote staten van Frankrijk samen zullen instaan voor het landsbestuur.

Tijdelijk is het minste wat je kunt zeggen van de regeling want de ‘vereenigde princens bleven noch altijdt seer gestoort jegens den hertogh van Bourgondien’. In 1411 barst de etterbuil nog eens in volle heftigheid open. Er volgt een regelrechte oorlogsverklaring gericht aan alle landen en steden van onze Jan zonder Vrees. Iedereen die wat in de pap te brokken heeft in Vlaanderen, wordt opgeroepen tot een spoedvergadering in Atrecht. Geld en manschappen heeft de hertog nodig. Hoe meer hoe liever. ‘Geldt ende hulpe om sijne vyanden te wederstaen.’

De staten van Vlaanderen tonen zich erg mild tegenover hun graaf, ‘maer om de selve geheel ten onderen te brengen, socht hy overal noch meer en meer geldt te crijgen, ende ten dien eynde sont hy van sijne hovelingen in alle de steden van Vlaenderen om er vande selve te becommen. Om in sijn opset te gelucken gebruyckte hy soo wel geoorloofde als ongeoorloofde middelen.’

Ik ga verder. ‘Alle de officien vercreegh men toen soo met vercoopinge ende verpandinge als andersins. Onder andere plaetsen gebruyckte hy tot Veurne oock sulckdanigen middel.’ De hertog stuurt zijn kanselier vergezeld van een omvangrijk gevolg van edelen naar Veurne. We zitten met een enorm gebrek aan middelen, weet de kanselier te vertellen. Veurne zal zijn steentje moeten bijdragen en met geld over de brug moeten komen. In ruil zal de hertog nog een keer de bestaande privileges en vrijdommen bevestigen.

Aan dat laatste hangt een ranzig kantje. Alles was toch vorig jaar geregeld en vereffend? En nu komt de hertog af met een regelrecht dreigement? Als ze niet meteen afdokken, dreigen ze dus hun voorrechten te verliezen. Het verwondert me helemaal niet dat ze zich blauw ergeren aan de chantage van de hertog daar in Veurne. ‘De magistraten waren over sulckdanigen voorstel verontweerdicht, ende sy antwoorden op desen: dat sy geeren den hertogh in sijn noot met lijf ende goet souden geholpen hebben maer dat sy niet het minste en wilden geven om hunlieder vrijdommen ende previlegien te coopen.’ Maar de kanselier blijft aandringen. In zoverre zelf dat het nieuws van de chantage van de hertog bekend geraakt bij het landvolk.

Ik ontdek weer een onbekend stukje Westhoekgeschiedenis. ‘Dewijlen den canselier op sijne vrage altijdt aendrongh ende hun van langst om meer daer toe plaechde, is deze mare geloopen tot onder het lantsvolck. Dese by eenichte der voornaemste inwoonders daer toe opgestoockt zijnde, hebben daerom groot gedruys gemaeckt, ende welhaest is het volck met groote hopen gewapent in de stadt gecommen ende sy hebben hun gestelt op de marckt, al roepende dat sy bereyt waren te strijden voor de vrijdommen van ’t vaderland!’

De kanselier reageert verbaasd op de bezetting van de Veurnse markt. Zijn aanhang slaagt er ternauwernood in om een stuk van die plaats vrij te houden. Ook de stedelingen beginnen nu ongerust en tegelijk woedend te reageren. ‘De borgers der stadt, hier door beroert, liepen corts daer naer oock ter wapen ende besetten eene derde partye vande marckt.’

Er zullen ongelukken van komen. Willem van Stavele, de burggraaf van Veurne en Jan, de heer van Gistel, allebei ridders, slagen er in om de kanselier tijdelijk te doen inbinden. Het zou beter zijn dat er de volgende dag verder gepraat kan worden. ‘Dan baden sy het volck dat ider sonder geruchte soude willen naer huys keeren; waer op sy seyden dat sy geeren wilden vertrecken, midts dat sy door macht niet bedwongen en wierden iets te betalen voor hunlieder vrijheden. Dese saecke wiert alsoo geslist niet sonder vreese van groote ongelucken.’

Het wordt dus een ‘njet’ in Veurne. Achteraf geraakt de weigering verzeild in de lokale archieven en dan nog in het Latijn; ‘pro libertate et privilegius taliter emendis nihil velle contribuere’, ook Latijn kan erg duidelijk zijn. Pauwel Heinderycx voegt er nog een opmerking aan toe: de volgende dag vertrekt de kanselier met zijn aanhang naar Sint-Winoksbergen. ‘Des anderdaegs hiel den kanselier eene gelijcke vrage aen die van Bergen voor; hy wiert op de selve wijse als tot Veurne geantwoort.’ Vermoedelijk moet de kanselier wat te ijverig geweest zijn in zijn haast om geld in te zamelen voor zijn baas.

Het voelt in elk geval aan alsof de beau monde van Veurne liever zelf eens met Jan zonder Vrees zou willen praten. Zonder dat die brutale kanselier er bij is. De gemeente en de edelen kunnen de man strikken in St.-Omer en nodigen hem uit om naar Veurne te komen. Op 10 juni 1411 is het zover. Er wordt een overeenkomst gearrangeerd waar alle inwoners van Veurne-Ambacht bij betrokken worden. Het wordt een kort en aangenaam bezoek. Er moeten wat beslissingen genomen worden rond hangende geschillen, maar een vriendelijke graaf bevestigt genoegzaam dat de mensen allemaal hun voorrechten en hun privileges kunnen houden. Zonder dat daarbij ‘vergeld’ bij te kijken komt, ‘ende bovendies hun noch aanboodt er voordere te geven.’

Ook in de Veurnse verhalen komt de berekendheid en de sluwheid van hertog Jan zonder Vrees naar voren. Een slim manneke is hij. Eentje die er altijd voor zorgt dat hij zijn doel bereikt. Ook nu dus weer: ‘alle het volck verblijdt zijnde door de vriendelickheyt ende sachtmoedichheyt vanden prince, bedanckten hem ten uuttersten over sijne goede comste ende sijne minnelijcke offers, ende om van hunlieder cant te betoonen dat sy de goetwillichheden ende goetjonstichheyt des hertogen hooch achtten, beloofden sy van hem te geven thien duysent gouden croonen, met belofte van andere trouwe diensten als den hertogh die van noode mochte hebben.

De inwoners van Sint-Winoksbergen volgen het voorbeeld van hun Veurnse buren. Hier stoppen ze de hertog 8.000 kronen toe. ‘Op sulcker wijse heeft hy met soetichheyt van de steden ende landen van Vlaenderen groote sommen geldts becommen.’ De wethouders van Veurne zijn er nu als de kippen bij om extra voorrechten te vragen aan de graaf. Het ijzer wordt gesmeed nu het warm is. Als er ooit keurbroeders beboet of gevangen gezet worden door officieren van de kasselrij, dan kunnen ze nu onverwijld vrij geraken mits een borg van vier keer zestig Parijse ponden. Tenminste tot aan de effectieve dag van hun proces.

Ze krijgen opnieuw het recht om zelf de ‘landhouder der commune’ te verkiezen en er volgen nog meerdere gunsten die ook voor Pauwel Heinderycx te langdradig zijn om er verdere inkt aan te verspillen. Het magistraat van Veurne komt in conflict met dat van Brugge. We verblijven nog altijd in het jaar 1411. Er wordt beroep aangetekend tegen een aantal vonnissen van de Veurnse magistratuur en de processen van beroep verhuizen volgens de oude gewoonten daarmee nu automatisch naar de rechtbank van Brugge. ‘Ter hooftvonnisse tot Brugge’. De zaken liggen delicaat.

In zover dat de hertog van Charolais, de zoon van Jan zonder Vrees, er wordt bijgehaald. Die zoon is Filips de Goede, op dat moment een puber van vijftien jaar. Brugge krijgt gelijk van Filips de Goede. En het is nu aan die van Veurne om eens hun onderdanigheid te bewijzen aan de Brugse magistratuur. ‘Ten dien eynde sonden die van Veurne naer Brugge Jan Veyse, hunlieder burghmeester, Jan De Bergh, Boudin Van Heeke, Damiaen Knibbe, Jacob De Bont, Jan Meussone, schepenen, Renier Willemsone, Winnoc Arend ende Wulfaert Scadegast, poorters van Veurne, om in den name van het geheele lichaem der voorseyde stadt hunlieder te onderwerpen aen het wijsdom ende seggenschap vanden schout ende ’t magistraet van Brugge, op al sulcke boeten ende verbeurten als den voorseyden schout ende magistraet souden vinden.’

‘Die van Veurne worden in boete geslagen’, kapittelt de schrijver. Hun weerspannigheid tegen het hof van Brugge breekt hen zuur op. Er volgt een boete van 250 kronen, 200 verdwijnen in de zakken van de hertog en de rest is voor Brugge. Bovendien dienen ze tot in de eeuwigheid en telkens op 2 februari, Lichtmis, ‘twee sesters Rijnschen wijn’ schenken aan de magistratuur van Brugge. Die twee zesters wijn betekenen in onze termen honderd liter wijn. Het is de stadsbode van Veurne die de wijn en het geld moet overbrengen en als hij dat nalaat, dan volgt er een extra boete van 50 ponden. Pauwel voegt er een voetnoot aan toe. De boete en de wijn zullen tot in 1667 jaarlijks overgemaakt worden. Tot dat Vlaanderen onder de gehoorzaamheid komt te vallen van de koning van Frankrijk.

‘Op den 6de Maerte 1414 is een miraeckel geschiet in de kercke van Ste. Walburge binnen Veurne’. Haha, interessant. Ik lees geboeid verder. ‘De huysvrauwe van Jan Weghervoet, geseyt Paulin, Elisabeth genaemt, woonachtich op de prochie van St. Nicolaes, hadde eenigen tijdt geweest dat sy niet spreken en conde, als of sy geslagen hadde geweest van eene geraecktheyt.’

Ik krijg er het raden naar wat er bedoeld wordt met een geraaktheid, hoe dan ook, onze mevrouw gaat op bedevaart naar het heilig kruis van de Sint-Walburgakerk. ‘Blootvoets ende alleenlich gecleet in haer hemde, met eene wassen keersse in hare handen, daer in datter een goutstuck stack, in geselschappe van noch negenthien andere persoonen, harer naeste vrienden, oock gelijck sy gecleet, ende oock elck eene wassen keersse, daer in eenen silveren penninck stack.’ 20 mensen in hun hemd met elk een kaars in de hand met daarin wat afkoopgeld voor de Heer. Zeg maar, een mirakel op bestelling.

‘Ende naer volbracht te hebben hunlieder devotie, begonde de geseyde vrauwe tot spraecke te commen: sy was genesen.’De proost en de kanunniken zijn er natuurlijk als de kippen bij om het geval nog wat op te blazen en nemen ‘een oorcontschappe van dit miraeckel, ende daer van hunne besegelde brieven uutgegeven, welcke onder de archieven van ’t capittel bewaert worden.’ Na dat mirakel blijft het voor 7 jaar windstil in Veurne. De moord op hertog Jan zonder Vrees in 1419 raakt blijkbaar niemands koude kleren.

In 1421 is het al zijn zoon hertog Filips de Goede die de jaarlijkse herverkiezing van de magistratuur van de kasselrij opnieuw verplicht maakt. Gedaan met de eeuwigdurende postjes die afgekocht werden bij zijn vader. De kronieken schrijven het ook letterlijk: ‘het magistraet der casselrie van Veurne hadde van het jaer 1410 tot nu toe onverandert gebleven, volgens de previlegie die sy daer toe vercregen hadden van Jan, hertogh van Bourgondien; de voornaemste ende notabelste inwoonders waren jaloers om dat sy uut ’t magistraet gesloten bleven.’

Ja, dat zal wel. Een stadsbestuur dat nu al elf jaar in hetzelfde zadel blijft zitten, zal begrijpelijkerwijze inderdaad wel de nodige wrevel en weerstand opwekken. Blijkbaar is er ook sprake van willekeur en machtsmisbruik bij de voogd en de schepenen. Een aantal notabelen pikt het ondemocratisch beleid in de kasselrij van Veurne niet langer en richt zich tot Filips de Goede.

Het toegekende privilege was enkel geldig tijdens het leven van Jan zonder Vrees en zou eigenlijk moeten vervallen zijn nu hij er niet meer is. ‘Bovendien verclaerden sy dat de leden van een blijvend magistraet byna altijdt seer qualick regeeren, dat sy seer groote teyren ende oncosten ten laste van ’t gemeente deden, welcke groote oncosten ende ommestellingen veroorsaeckten, waer door datter vele inwoonders der casselrie hun vertrocken in andere, het gone soude veroorsaecken dat de casselrie allengskens onbewoont moest worden.’

Ze verzoeken de hertog om een einde te maken aan die wantoestanden en het bestuur van de stad en de kasselrij opnieuw jaarlijks te laten herverkiezen. Op 7 mei 1421 wordt de nieuwe wet geofficialiseerd. De wethouders worden naar vroegere gewoonte weer jaarlijks gekozen en niemand kan langer dan twee jaar na elkaar in functie blijven. Er valt weer een gat van negen jaar in die oude jaarboeken van Veurne. De teller van de tijd staat nu op 1430. ‘Soo als ten anderen jare (1429), trock den hertogh Philips den Goeden in Vranckrijck te velde, alwaer hy straffen oorlogh voerde ende de stadt van Compiegne belegerde.’

Ondertussen is er grote tumult ontstaan in Cassel en Cassel-Ambacht. Oproer tegen de lokale baljuw en het stadsbestuur omdat ze op bevel van de hertog kampgevechten buiten de wet hebben gesteld. Ik heb in mijn kronieken een tijdje geleden al een vol hoofdstuk gewijd aan deze rebellie in Cassel.

Het interesseert me uitermate om de opstand ook eens vanuit Veurnse hoek te bekijken. Colaert vander Clyte, de heer van Komen, bekleedt de functie van hoogbaljuw in Cassel. Hij stelt zich heel fanatiek op tegen de gebruikelijke kampgevechten die volgens hem barbaars en heidens zijn. En dat is ook zo. In vroegere tijden was het aanwenden van dergelijke kampvechten stevig in gebruik doorheen heel Vlaanderen. Een geschil tussen mensen moest beslist worden in een onderling gevecht, en wie meester bleef, had het recht aan zijn kant. Zo eenvoudig was het. Die kampgevechten worden trouwens gejureerd door vier erfachtige rechters.

Eén van die rechters die dus hun functie van vader op zoon doorgeven, is de heer van Watou. De heerlijkheid van Watou behoort trouwens tot het grondgebied van Cassel-Ambacht. De goden zullen wel aan de zijde staan van diegene die onschuldig is. Het principe is eenvoudig. Zelfs nadat Christus en zijn vader, de God, hun intrede hebben gedaan in de geschiedenis, blijft deze praktijk verder in gebruik. De graven van Vlaanderen en de steden hebben al eeuwen geleden nieuwe rechtspraak ingevoerd en die onmenselijke kampgevechten afgeschaft. Zo heeft Boudewijn de inwoners van Ieper op 17 oktober 1118 vrijgesteld van de gerechtelijke tweestrijd en trouwens eveneens van de water- en de vuurproef.

Dat de praktijk anno 1400 nog altijd bestaat in Cassel-Ambacht heeft alles te maken met zijn ligging en met het feit dat de graven van Vlaanderen niet altijd hun impact hebben gehad op de plaatselijke bevolking. Colaert vander Clyte wil daar nu voor eens en voor altijd van af. ‘Hy vervolchde de campvechters seer straffelick, ende daer er vande selve eenichte gevangen wierden om recht over hun gedaen te worden volgens de placaten ende bevelen des hertogs, is het gemeente begonnen oproerich te wesen jegens den balliu ende het magistraet.’De situatie escaleert.

Enkele edelen stoken de boel op, het begint met het bevrijden van enkele gevangenen uit hun cel, maar het volk wordt stoutmoediger met de dag. ‘Sy namen met groote hoopen de wapens op, ende deden soo vele moeyelickheden aen den balliu ende de magistraetpersoonen dat ze genootsaeckt waren te vertrecken.’ De opstand groeit uit tot een ordinaire plunderpartij. ‘Den hoop van wederspannige vermeerderde van dach tot dach, besonderlick toen sy begonden vele huysen van eerlicke lieden te rooven ende overal grooten buyt te maecken, quam al het droef ende quaet volck van Vlaenderen sich onder hun begeven.’

Kastelen en versterkingen worden aangevallen. Zo bijvoorbeeld het kasteel van Nieppe, dat nochtans goed voorzien is van grafelijke ridders. In het begin van december moet het kasteel van Renescure er aan geloven. Hoe mooi is trouwens de vroegere Vlaamse naam van dat plaatsje: Ruysscheure is daarenboven ook de thuisbasis van baljuw vander Clyte. Er bestaat echter niet de minste compassie: ‘sy wierpen ’t selve daer naer ten gronde af, als oock noch eenige andere stercke huysen van daer ontrent.’ De revolutie in Cassel zet heel de Westhoek in vuur en vlam. Bij ons kijken ze met grote ogen naar wel 20.000 Casselnaars die het aandurven om het openlijk op te nemen tegen de hertog van Bourgondië.

Het risico dat andere kasselrijen het voorbeeld van Cassel-Ambacht zullen volgen, is niet ondenkbeeldig. De opstandelingen doen in elk geval wat ze kunnen om de rest van Vlaanderen mee in het bad te trekken. Die van Veurne en Veurne-Ambacht doen wat ze kunnen om zich te beschermen tegen eventuele opstandelingen die het zouden aandurven om het Westhoekgebied binnen te vallen. Er wordt volk opgesteld tot in Roesbrugge en langs het hele traject van de Ijzer. Om te beletten dat de Casselnaars de stroom zullen oversteken. Verder zuidwaarts blijft de Ijzer onbeschermd en ondervinden de bewoners er wel last van plunderingen. Er logeert een garnizoen binnen de stad van Veurne om de stad te verdedigen in geval van nood.

Renaut Knibbe, hoogbaljuw van Veurne, wordt aangesteld als kapitein van het garnizoen. De man woont normalieter in Beveren-aan-den-Ijzer. Hij kwijt zich stipt en nauwkeurig van zijn taak en ‘hy sont dagelycx volck uut in Casselambacht om hunlieder voornemen te weten ende te bespieden watter omgingh.’ De ellende duurt bijna tien maanden. Hertog Filips de Goede heeft in Frankrijk andere katten te geselen, maar met het winterseizoen in zicht, verhuist zijn leger naar Vlaanderen. In Artesië krijgt hij een update over de toestand rond Cassel en besluit hij om drastisch op te treden en een einde te maken aan de weerspannigheid.

De jaarboeken van Veurne hebben het over de bijzondere koude januarimaand van 1431: ‘Ende daer mede in de maendt van januarii is de hertog naer Cassel getrocken. Alhoewel het alsdan soo eenen couden winter was als met oyt geweten hadde, heeft den hertogh noch ’t ongemack, noch de strenchheyt vanden selven ontsien.’ De meeste Casselnaars slaan in volle paniek op de vlucht als ze de komst vernemen van het leger van de hertog. Diegenen die ter plekke blijven, ontsnappen niet aan de colère van Filips de Goede. ‘Dieder bleven, hebben op den 24ste dier maendt met groote ootmoedichheyt den hertogh te gemoete gegaen.

Allen waren bloothoofts ende blootvoets, ende boden in die gesteltenisse aen hunlieder prince hunnen persoon ende baden hem om genade.’ De hertog krijgt medelijden met de sukkelaars, weet Pauwel te vertellen. Hij komt trouwens op de proppen met nog meer details, het lijkt er wel op dat hij er zelf bij is geweest.

‘De inwooners van gansch het Casselsche van sestien tot veertig jaren oud, trokken bloothoofds en barvoets, door de geestelykheid die kruisen en vanen droegen voorgegaen, ten getalle van veertig duizend den hertog tot op eene uer van St. Omaers te gemoet. Zoo haest sy hem ontwaerden, knielden sy, alhoewel sy door de koude des winter en door de regen die in stroomen nederviel byna versteven waren, in het slyk neer.’ Filips vergeeft de sukkelaars om het kwaad dat ze gedaan hebben. Met de opstokers van de revolutie heeft hij minder compassie.

Vijf onder hen worden onthoofd en hun eigendommen worden aangeslagen. Een van de slachtoffers hier is de gegoede edelman Boudewijn van Bavinckhove. Dat van dat medelijden is maar een relatief begrip. Ik kan er in komen dat de wapens massaal moeten ingeleverd worden, maar het financieel plaatje dat nu over de hoofden van het landvolk gedeponeerd wordt, is niet mals. Zesduizend gouden kronen moeten er opgehoest worden. ‘Hy vernietichde daerenboven alle hunlieder previlegien ende gaf hun andere welcke geschreven waren naer sijn goetduncken.’

De goede afloop van de revolutie in de streek van Cassel wordt met vreugde onthaald in Veurne. ‘Ten selven dage noch brocht een bode de mare tot Veurne van ’t gone datter gebeurt was, daerom er tot Veurne ende in Veurnambacht alle vreuchden bedreven wierden: want een ider seer blijde was dat dese saecke een eynde genomen had sonder dat met een inlandschen oorloghe daer door had moeten onderstaen.’

Ik krijg een lofzang te horen over Filips de Goede. De man heeft in 1435 nu al gedurende zestien jaar een wonderlijke oorlog gevoerd, lees ik. Hij heeft de hele tijd in de clinch gelegen met de Engelsen en met de hertogen die zijn vader vermoord hebben. Het hele geval wordt in 1435 afgerond met een vredesakkoord met Charles de zevende, de koning van Frankrijk. ‘Desen peys wiert in october 1435 vercondicht.’ De ‘rekeninghe van Veurnambocht van 1436’ bezit nog het origineel van de tijding van de vrede die vanuit Gent naar Veurne werd gebracht. Philips van Haefskerke, Lodewijk van Polinckhove en Pieter Van der Meersch, de landhouders van de wet van Veurne mogen het goede nieuws overbrengen naar Veurne.

De nieuwe periode luidt meteen het zesde kapittel in van de jaarboeken van Veurne. De inleiding belooft weinig goeds. ‘Sedert den oorlogh die den coninck van Vranckrijck met den hertog van Bourgondien tegen d’ Engelschen voerden, tot den stilstandt van wapenen die tusschen de gemeld vorsten getroffen wiert (A° 1438). Ik keer op een drafje terug naar het jaar 1435. De Engelsen die nochtans betrokken waren bij de vrede van Atrecht, voelen zich na een tijdje bekocht. De Franse koning heeft achteraf het laken naar zich toe getrokken, waardoor de Engelsen er zich ongemakkelijk bij zijn gaan voelen.

Vooral Filips de Goede is kop van jut. Hij wordt beschuldigd van ontrouw en meineed. Nee, ‘sy zegden dat alles weer strijdende was jegens het verbondt dat sy onderlinge gemaeckt ende met eedt bevestigt hadden voor ’t aengaen des voorseyden oorlogs.’ Ik had gelijk met mijn voorspelling. Veel goeds valt er niet te verwachten. ‘De Engelschen waren des te meer verstoort om datter in de voorwaerden van desen peys besproocken was, dat den hertogh benevens den coninck van Vranckrijcke den oorlogh moeste voeren jegens den coninck van Engelant. Alles hadde ten gevolge, dat eer den peys vercondicht was, sy jegens elcanderen, soo ter zee als te lande, vyandtschappen begonden te bedrijven.’

Zo wordt het dus oorlog. Wees maar gerust dat de mensen uit de Westhoek met de daver op het lijf zitten. Calais en al die plaatsen die bezet gehouden worden door de Engelsen zijn per slot van rekening directe buren van Veurne. ‘Daerom waeckten die van Veurne seer sorgvuldich om hunlieder stadt te voorsien van alle nootsaekelickheden om hun des noots wel te connen verweeren.’ Hoogbaljuw Jan De Baenst is daarbij erg behulpzaam.

De leden van de Raad van Vlaanderen, nu zou dat de Vlaamse regering zijn, sturen ondertussen de nodige instructies naar Veurne-Ambacht om zich te bewapenen en weerstand te bieden aan de Engelsen als die West-Vlaanderen zouden binnenvallen. Op 10 januari 1436 wordt er in het stadhuis van Veurne een algemene vergadering gehouden voor de afgevaardigden van Veurne-Ambacht. De edelen en de notabelen van de regio tekenen allemaal present. ‘Sy besloten gesamentlick van hunlieder gemeente van wapenen behoorlick te voorsien ende hun veerdich te houden om op te trecken tegen den vyandt.’

De hertog van Bourgondië stelt kapitein Wouter van Gistel, de heer van Ekelsbeke en Ledregem, aan als opperbevelhebber van West-Vlaanderen. In afwachting positioneert die zich in Nieuwpoort. Wat moet ik me indenken van dat voorjaar van 1436? Eindeloos en paniekerig wachten tot aan het begin van de oorlog? Het besef dat er einde komt aan de vrede moet ongetwijfeld vreten aan het gemoed van de Westhoekbevolking. Dat knagend gevoel wordt brute werkelijkheid in mei. ‘Niet jegenstaende de goede voorsorgen die er genomen wierden, om den vyandt uut den lande te houden, rochten er nochtans in de meyemaendt van 1436, ’s maendags in de Cruysweke, een grooten hoop Engelschen in Casselambacht ende Brouckburgambacht. Sy roofden geheel het lant uut, vingen er de lieden ende verbrandden vele schoone huysen.’

De buitenbevolking vlucht in de kerken en de kastelen in een poging om zich te verbergen voor de vijand. In Loon bij Broekburg gaan de Engelsen de vluchtenden achterna tot aan de lokale kerk ‘de welcke seer clouck ende sterck was’. ‘Sy beschermden hun aldaer seer wel, ende smeten selfs eenichte Engelschen doodt.’ Dat laatste zal natuurlijk wel olie op het vuur gegooid hebben waardoor de situatie daar bij de kerk van Loon doet escaleren.

Die olie op het vuur mag best ook letterlijk bekeken worden, ik heb het al neergeschreven voor ik het goed en wel beseft heb, maar soit. ‘Dese daer door op hun te meer verergert wordende, staecken het vier in de voorseyde kercke, waardoor sy geheel verbrandde met de menichte vrauwen ende kinderen die hun daer in vertrocken hadden.’ Het is alsof ik de slachtoffers hoor tieren en krijsen hier aan mijn ochtendlijke pc. De toren zelf, kloek en sterk, gemetst in fijne baksteen, kan weerstaan aan het vuur en een aantal bezetters van de kerk kunnen hierdoor in leven blijven doorheen dit inferno.

‘Terwijlen de Engelschen de voorseyde casselrien verwoesten ende beroofden, slough men de clocken te storme op alle de torens van West-Vlaenderen, daer door datter alsdan in Veurnambacht groote beroerte was. Alle de inwoonders stelden er hun in de wapenen, ende er wierdender vele van gesonden op d’ uuterste palen der casselrie, alwaer ’t grootste deel der wegen waren.’ De orders zijn formeel: iedereen moet zichzelf beschermen en er voor zorgen dat de Engelsen niet verder noordwaarts kunnen geraken. Maar er heerst verlegenheid bij de arme landmensen, schrijven de kronieken. Verlegenheid? Zeg maar paniek. De mensen pakken hun schamele bezittingen in en slaan op de vlucht. Dat is niet naar de zin van kapitein van Gistel en het magistraat. Sterke man Jan van Uutkerke gaat er zich ook mee bemoeien.

‘Ze verboden aen het gemeente van hunne goederen te verporren op verbeurte der selve, om dat d’ inwoonders daer door te meer bedwongen souden wesen de vyanden te wederstaen ende de casselrie van ongeval te helpen bevrijden.’ De inwoners van de regio Cassel, Duinkerke, Broekburg en Sint-Winoksbergen mobiliseren 3000 gewapende mannen. Ze besluiten om de confrontatie aan te gaan met het leger van de Engelsen. Die laatsten stellen zich met hun buit strategisch op aan de rivier de Aa, waar ze de clash afwachten.

Ze krijgen daarbij de versterking van 2.000 kompanen. De kapiteins van de Vlamingen beseffen dat hun aanval weinig kans maakt tegen de overmacht van Engelsen en oordelen dat het beter is om zich onmiddellijk terug te trekken. ‘Maer vijf hondert Casselnaers en wilden niet vluchten, ende hun in slagorder stellende, vochten sy seer vromelick. Eyndelick door het groot gewelt der Engelschen wiert hun slagorder gebroocken, ende er bleven daer drije hondert Casselnaers doodt.’ West-Vlaanderen vreest dat Grevelingen zal ingenomen worden en dat dit nog voor meer schade zal zorgen. Er wordt versterking gestuurd om te waken over het stadje.

Veurne zelf zendt er tien sergeanten naartoe. Ondertussen is een groot leger van de hertog aan het oprukken richting Calais. Van de grote ruzie tussen die van Brugge en Sluis zwijgen de Veurnse jaarboeken erg zedig. ‘Die van Veurne hadden by den hertogh seer aengedrongen dat hy Cales soude belegeren ende d’Engelschen uut het lant van Guyse verdrijven, terwijl sy hem daer toe alle behulpsaemheyt van volck ende geldt boden.’

De hertog is dus ingegaan op dat verzoek en port de steden en kasselrijen van Vlaanderen aan om manschappen te sturen. Die van Gent zijn het snelst klaar met hun mobilisatie. ‘Die van Gent waren eerst op de reijse om naer Cales te trecken: sy namen hunnen wegh langst de Leye. Commende tot Hasebrouck, beroofden sy het huys van Diederick van Hasebrouck, ’t gone sy daer naer afwierpen gelijck oock sijn graenmolen, om dat hy als capiteyn der Casselnaers hun verlaten hadde in ’t voorgaende gevecht jegens d’Engelschen.’

Ondertussen is de rest van de mannen op komst. De boeren van Veurne-Ambacht voorzien dat de legers van Brugge en het Vrije via Nieuwpoort zullen passeren om zich dan door hun velden naar Frankrijk te begeven. Ze ‘sonden aen die van Brugge versoucken dat sy hun volck door de casselrie wilden doen trecken sonder de granen af te snyden, ende de lantslieden hnder of leet aen te doen.’ De hertog stelt jonkheer Van Cleven aan om het West-Vlaams leger te leiden. De 16de juni verhuist hij van Nieuwpoort naar Veurne waar hij opgewacht wordt door de lokale edelen. Ze begeleiden hem binnen in de stad waar hij met de nodige eer wordt ontvangen.

Ze overlopen samen al het nodige wat er nog dient te gebeuren om succesvol van start te gaan met het beleg van Calais. Twee dagen later vervoegt kapitein Wouter van Gistel zich met zijn quotum van 600 sergeanten bij het groot leger. De twee Veurne-Ambachtse keurheren Lanceloot Veyse en Jacob de Valewe worden aangesteld als zijn rechterhanden. Jacob De Schoone, de zoon van Gheeraert, zal de standaard torsen. ‘Sy gingen liggen by Bergen’, dertig km verderop, ‘nevens de mannen die den heere Wouter Van Hoymille bevool, de serjanten van Poperinghe die hun nevens die van Veurnambacht aldaer moeste voughen.’

De 22ste juni gaat de tocht verder tot een plek tussen Broekburg en Grevelingen waar ze zich aansluiten bij het grote leger. Tegen die tijd zijn Philips van Haveskerke, de landhouder van de wet en Pieter Van der Meersch er eveneens gearriveerd met het geld om de soldij van de manschappen te betalen. ’s Anderendaags is er een ‘geef acht’ van alle soldaten tijdens de controle van de hertog in hoogsteigen persoon.

De actie kan beginnen. Op 28 juni wordt het kasteel van Oye belegerd en na een dag al ingenomen en afgebroken. De 2de juli volgt het kasteel van Marck. Na drie dagen geven de 125 bezetters zich over aan de West-Vlamingen. Ook de versterkingen van Sangattes en Balegem, in de directe omgeving van Calais, worden ingenomen. De voorbereidende week is dus positief verlopen. Op 9 juli staat het leger voor de muren van het imposante Calais, welcke stadt de hertogh dede beschieten ende bestormen. De Engelschen verweerden er hun seer wel; sy cregen dagelycx versch volck, leeftochten ende al ’t gone hun behoefte uut Engelant.’

Dat de Engelsen Calais vrij kunnen bevoorraden van over de Noordzee, is natuurlijk een probleem voor Filips de Goede. Hij wil hierop anticiperen met een Hollandse en Zeelandse vloot onder leiding van Jan van Hoorne, de heer van Bausigny en van Hondschoote. ‘Hy wilde beletten dat de Engelschen geen voorder bystandt in de stadt en souden connen steecken.’ De bewuste vloot komt er op 22 juli aangevaren, gevolgd door zes grote schepen, volgeladen met stenen, die tot zinken gebracht worden in de monding van de haven. De Engelsen snappen wat de geallieerden van plan zijn en gaan in de tegenaanval bij het eerste laag water.

‘Sy braecken een deel vande voorseyde schepen af, en brandden de andere.’ Vanuit Engeland komt er bijstand: 350 schepen stomen op om de Hollandse vloot neer te slaan en om de belegerden bij te staan. Het strategisch belang van het bezetten van Calais, de poort tot Frankrijk, moet voor beide partijen gigantisch zijn. Jan Van Hoorne wordt gebrieft over de komst van de op komst zijnde overmacht van de Engelsen.

Zijn vloot kan die onmogelijk weerstaan en zo worden de zeilen bijgezet. Het is de hertog zelf die de instructie geeft om terug te keren naar het noorden. Dat is niet naar de zin van de Vlamingen. ‘Sy lieten daer door den moedt sincken, ende begonden tegen den hertogh te murmureeren, seggende dat sy noyt de stadt en conden winnen, ten ware de haven besloten wiert.’ Ze hebben natuurlijk overschot van gelijk. Het is en blijft een onbegonnen zaak om dit bastion in te nemen. De Gentenaars hebben het al aan den lijve ondervonden.

Ze hebben tijdens een eerste treffen al 120 mannen verloren. Volgens hen heeft wat ze hier allemaal uitrichten niet de minste zin en ze vragen niet eens de toestemming aan Filips de Goede om het af te trappen. Het vertrek van de Gentenaars moet ongetwijfeld erg impulsief gebeurd zijn, ‘er selfs alle hunlieder leeftochten by achterlatende.’ ‘Toen die van Brugge, van ’t Vrije ende van Ypre het vertreck vande Gentenaers vernamen, trocken sy oock naer huys, niettegenstaende de schoone woorden ende groote beloften die den hertogh ende den edeldom hun dede.’ Filips zal zich ongetwijfeld serieus in zijn hemd gezet voelen nu zijn krijgers het zo maar aftrappen.

Afgaan als een gieter kan je het ook noemen In de jaarboeken omschrijven ze het ietwat subtieler: ‘dat bedrijf baerde aen den hertogh groote droefheyt ende schaemte.’ En ook de soldaten van Veurne kunnen nu terugkeren naar hun thuisstreek. De Veurnse schrijver probeert zijn eigen volk de nodige legitimatie te bezorgen. Al dan niet terecht, wie kan het achterhalen? ‘De serjanten van Veurne quamen alsdan oock naer hun huys, maer op eene treffelicker wijse, vermidts dat sy daer toe oorlof gehadt hebben.

Alsoo wiert dit belegh opgebroocken tot verderfvenisse van geheel West-Vlaanderen.’ Bij aankomst van de Engelse vloot, neemt de vijand de locaties die de troepen van Filips de Goede bezet hielden, over. De Engelsen komen nu zelf met een leger op de proppen dat klaar is voor een noordwaarts gericht offensief. De West-Vlamingen zien de bui al hangen en ‘waren alsdan in groote vreese van door de nieuwe aengelande troepen afgeloopen te wesen; daerom die van Veurne en Veurnambacht gedeurichlick volck onderhielden tot Grevelynghe, welcke hun dagelycx waerschouwden van ’t gene datter in het Engelsch leger geschiedde, ende wat voornemens dat men er bedochte.

Men sach alsdan een ieder in roere: de landslieden vluchten hunlieder goederen in de beslotene steden.’ De oude kronieken van Veurne hebben het met geen woord over de crapuleuze en plunderende terugkeer van de ruziënde Vlamingen naar hun thuissteden. Ze concentreren zich meteen op een algemene vergadering die op 7 augustus doorgaat in Veurne. Aanwezig zijn de afgevaardigden van de stad en die van Veurne-Ambacht. Hoe kunnen ze in hemelsnaam deze vijand weerstaan? Er wordt een brigade opgericht om de kant van de kust in de gaten te houden. ‘Er wiert geradich geoordeelt van dertigh mannen te peerde te onderhouden, om wachte te doen langst ’t Vloeymarck’.

Pauwel Heinderycx verduidelijkt meteen dat het Vloeimark een gedeelte van het strand is dat bij iedere vloed overstroomd wordt door de zee. De plek bevindt zich tussen Nieuwpoort en Zuidcote, ergens in de buurt van het latere De Panne dus. In een verklarende uitleg van Biekorf uit 1968 krijg ik nog een andere variante van de naam te weten: de Vloedemaerc is de lijn, het hoogste punt waar de vloed het strand bereikt.

Zichtbaar gemaakt door een strook van aangespoelde schelpen. De dertig wachters te paard moeten alarm slaan als de vijand de grens oversteekt en ze moeten dat doen via de zeetorens die aan de strandlijn opgesteld staan. ‘In sulckdanich geval moesten alle de lieden der casselrie gewapent langst den zeecant trecken, om de vyandt te wederstaen.’ De archieven van Veurne geven achteraf ook aan dat er op alle kerktorens van heel Veurne-Ambacht twee personen opgesteld slaan om bij het minste onraad de klokken te luiden.

Een van de besluiten van die fameuze algemene vergadering is ook om opnieuw hulp te vragen aan de hertog en aan de Staten-Generaal van Vlaanderen. De hoogbaljuw krijgt de opdracht om zich naar Atrecht te reppen waar de hertog zich nog altijd bevindt. Hij wordt vergezeld door Diederik Van der Torre, een afgevaardigde van Veurne-Ambacht. Ietwat tot mijn eigen verbazing, stemt Filips de Goede in met extra hulp. ‘Den hertogh voldeed terstont hunlieder vrage, ende stelde wederom Wouter van Ghistelle als capiteyn der stede ende casselrie van Veurne.

Christiaen van Sceuvele wiert insgelycx gesonden om de selve reden door de stede ende Pieter Van der Meersch van wege de casselrie, by de wet van Brugge ende ’t magistraet vanden lande van ’t Vrije, om hunlieder te kennen te geven het groot perijckel daer in sy verkeerden, ende hun om bystandt van volck ende munitien van oorloghe te bidden.’ Het is duidelijk: ook in de regio van Brugge heerst er een aan paniek grenzende onrust over de op komst zijnde legers van de Engelsen.

De hertog verwijst naar een eerder genomen resolutie van de Raad van Vlaanderen die al in bijstand voorzien heeft en laat de vragen dit keer blijkbaar als water op de veren van een eend van zich afglijden. De Bruggelingen hebben hem eerst laten zitten met de gebroken scherven. Waarom zou hij nu op zijn beurt extra moeite doen? Het is precies alsof ik op woensdag 10 augustus 1436 aan de ontbijttafel verbijsterd de voorpagina van ‘De Morgen’ inkijk.

De grote kop is gewijd aan onze streek. ‘Den hertogh van Glocester ruckt West-Vlaenderen in aen het hooft van 12.000 Engelschen’. Gisteren hebben ze ter hoogte van Grevelingen de Aa overgestoken en slaan ze aan het roven en verwoesten in de hele streek van Broekburg-Ambacht. In Veurne hebben ze hetzelfde nieuws ook al gelezen of gehoord. ‘Die van Veurnambacht hielden wederom eene algemeen vergaderinge op den elfde der geseyde maend, ten eynde den besten middel te vinden om de stadt ende casselrie soo veel mogelick van ongeval te bevrijden.’ Ze hebben inderdaad slecht nieuws binnen gekregen vanuit Grevelingen.

‘Dat d’Engelschen dieper in ’t lant souden commen: daerom wiertter dadelick bevolen van de uutterste passagien der casselrie met vele volck te besetten, te weten: tot Oostcappel, by Hondschoote, ter Duynen ende langst de zee. Wouter van Gistel verhuist met een massa landvolk naar Oostcappel. Charles van Pollinkhove, een belangrijke boer die in die dagen als landhouder van de commune wordt beschouwd, trekt met een hoop boeren naar Hondschoote. Een andere groep onder leiding van Lanceloot Veyse positioneert zich in de Marestraat te Adinkerke.

De 12de augustus laten de Engelsen Broekburg achter zich en rukken ze verder op tot bij Duinkerke waar ze halt houden. ‘Daer door vermeerderde den schrik in Veurnambacht uutnemende’. De volgende dag trekt de vijand voorlangs Sint-Winoksbergen en slaat een deel van de Engelsen de weg in die leidt naar ‘Quaet-Ypre’. De rest vervolgt de weg richting ‘Ekselsbeecke. Dit laetste verbrandde het casteel van aldaer, midtsgaders alle de huysen die sy voorby trocken.’ Ik lees verder. De situatie staat me van langs om minder aan.

‘Die afdeelingh vervoorderde sijnen wegh daer naer door Bambeke ende Oost-cappel daer Wouter van Ghistelle, here van Ekelsbeecke met het lantsvolck was, dat hy onder sijn gebiedt had’. De Engelse overmacht is te sterk en de Vlamingen moeten wijken. Nu de tegenstand op de vlucht is geslagen, kunnen de Engelsen zonder tegenstand doorstoten tot over de Ijzer. De Westhoek ligt nu open en bloot en klaar om ingenomen te worden. Roesbrugge wordt het eerste slachtoffer. ‘De Engelschen trocken toen sonder tegenweer over den Ysere, te Rousbrugghe, ende verbrandden geheel dit dorp; sy trocken alsoo voorts door Proven naer Poperinghe, alwaer den hertogh van Glocester zijn leger dede camperen.’

De schrijvers van die oude Veurnse jaarboeken komen woorden tekort om de schade van de Engelse ravage in kaart te brengen. Ze roven, beroven en plunderen zowat alles en iedereen. Huizen, kerken en godshuizen worden niet gespaard. Ik stap weer over op de oorspronkelijke verslaggeving: ‘Sy namen alle de lieden die sy vonden gevangen ende stelden ze te rantsoen, ofte sloegen ze doodt. De vrauwen ende dochters vercrachten sy, ende deden menichvuldige andere vreetheden te lanck om alle afsonderlick te verhalen.’

De troepen van de hertog van Glocester houden halt in en rond Poperinge. Blijkbaar houden een aantal Vlaamse sujetten zich hier schuil. Verbannen uit hun thuissteden zijn ze er op gebrand om revanche te nemen op hun magistraten. ‘Die van Glocester wiert er gedient van vele ballingen uut dit lant die hem van alles onderrichten.’ Dat halt houden in Poperinge is trouwens een rekbaar begrip. Het Engelse schorremorrie is er als de kippen bij om de hele boerenbuiten van de Westhoek af te lopen. Het bestuur van de kasselrij wil de parochies zo veel mogelijk van schade vrijwaren en geeft opdracht om de sluis van Nieuwendamme wagenwijd open te zetten.

‘Sy lieten het zeewater soo hooge als het mogelick was, de landen overspoelen, soo dat alle de meerschen die aen den Ysere paelden, verdroncken wierden.’ Iedereen die wapens in huis heeft, moet zich naar de Ijzer reppen en er voor zorgen dat de Engelsen er niet overheen kunnen. Wouter van Ekelsbeecke vertrekt met achthonderd man naar Roesbrugge om alsnog een terugkeer van de Engelsen te verijdelen en om nieuwe baldadigheden tegen te gaan. Charles van Pollinkhove bevindt zich ter hoogte van Elzendamme. Philips van Haveskercke positioneert zich bij Staveldamme.

Alle mogelijke doorgangen over de Ijzer worden bezet gehouden, ‘maer alles de prochien van zuyden de voorseyde riviere gelegen, bleven in de genade der Engelschen, welcke die al verwoest, verbrant ende afgeloopen hebben.’ De stad Poperinge krijgt er ook van langs. Het moet een hallucinante ervaring zijn voor de inwoners. Het Engelse stelletje ongeregeld steelt en plundert er op los. Duizenden losgelaten hooligans die het recht in eigen handen nemen en door niets of niemand belemmerd worden.

De hele stad wordt daarna in brand gestoken. De buit in en rond Poperinge wordt op 1.200 wagens geladen. Dat aantal geeft de grootschaligheid van de operaties aan. Ik probeer me er een idee van te vormen. Een colonne van minstens een kilometer of tien met oorlogsbuit moet het zijn. Volgeladen met lakens afkomstig van de lokale textielindustrie. In Poperinge valt er nu echts niets meer te rapen en zo gaat de militaire verslindingstocht naar de regio van Belle met de omliggende parochies van Nieuwkerke, Niepkerke en Steenwerck die allemaal hetzelfde lot als Poperinge ondergaan. Daarna komt Cassel-Ambacht aan de beurt en dan Arques in de buurt van Sint-Omer.

Die van Cassel zijn ondertussen op hun hoede en vooral uit op een revanche voor de dood van driehonderd van hun medeburgers enkele maanden geleden. Ze blazen verzamelen voor 5.000 Casselnaars. Waarom zouden ze de buit van de Engelsen niet kunnen recupereren? Hoogbaljuw Colaert vander Clyte die zich ophoudt in zijn kasteel van Renescure verbiedt de geplande actie van die van Cassel. Het is een dwaas idee om het op te nemen tegen een overmacht van volk met daarbij dan nog een getrainde cavalerie. ‘D’Engelschen vertrocken hun op die wijse seer gerustelick van Arcke naer Cales, vergezeselt niet alleen van al hemlieder roof, maer noch vijf hondert kinders der rijckste lieden die sy genomen hadden, ende die sy daer naer ten rantsoene stelden.’

Ieper, Veurne en Diksmuide mogen zich verdorie gelukkig achten dat de inval van de Engelsen zich voorlopig en voornamelijk beperkt heeft tot de gebieden ten westen van de Ijzer. Maar ook vanaf het noorden blijkt er nu gevaar te dreigen. Op 10 augustus landt er een Engelse scheepsvloot aan de kust van Oostende waar grote konvooien ontschepen en hun weg inzetten richting het Oostvrije, de streek van Maldegem en Eeklo. Overal weer grote schade natuurlijk.

Jan van Hoorne, de heer van Bausigny en Hondschoote, pas benoemd tot kapitein-generaal van West-Vlaanderen, verlaat zijn bolwerk te Sluis om, in naam van de hertog, een riem onder het hart te steken van die van Veurne en van Nieuwpoort. Hij besluit om incognito te reizen en dat wordt hem noodlottig. Maar dat lezen we in een volgend hoofdstuk van de jaarboeken van Veurne. Ik kan alvast vertellen dat de oorlog in het Westland nog lang niet voorbij is.