Oostenrijkers buiten

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     357 Views     Leave your thoughts  

Zoals iedereen wel weet, maakten onze streken in de tachtiger jaren van de 18de eeuw deel uit van het Oostenrijkse keizerrijk. Jozef II (de “keizerkoster”) regeerde met vaste hand als verlicht despoot en hij wilde grondige hervormingen doorvoeren. Zijn energieke aanpak, waarbij hij erin slaagde zowat iedereen, met inbegrip van adel en geestelijkheid, de leidende klassen op dat ogenblik, tegen zich in het harnas te jagen, leidde uiteindelijk tot een diepgeworteld ongenoegen, culminerend in een opstand.

Enkele van zijn maatregelen: in 1786 liet hij een kadaster van de kerkelijke bezittingen aanleggen en een nieuwe, rationelere, indeling van de parochies opstellen; op administratief vlak zou het land een nieuwe administratieve indeling in 9 kreitsen krijgen; het gerecht werd ook aangepakt en de pijnbank en de heerlijke rechtspraak werden samen met een aantal oude feodale voorrechten afgeschaft. Dat ook de derde stand, die vooral in de steden de dienst uitmaakte, niet vergeten werd in zijn initiatieven, mag blijken uit de voorgenomen beknotting van de “vrijheden” van de steden.

De keizer plande en nam al deze maatregelen zonder ook maar enige inspraak te dulden van de verschillende bestaande adviesorganen waarvan de “provinciale” staten de belangrijkste waren. Ieder landsdeel of provincie had immers zijn eigen staten of standenvertegenwoordiging, met afgevaardigden uit de drie standen of “staten”: de adel, de clerus en de derde stand, of de (rijke) burgerij. Dit soort parlement, dat overigens niet democratisch verkozen werd, had niet veel reële macht, want het kon zelf geen beleidsdaden stellen of ondernemen. Het kon alleen een aantal raadgevers-specialisten aanduiden die de keizer of zijn plaatsvervanger (de gouverneur) konden bijstaan in het bestuur of een aantal kandidaten voor bepaalde ambten voorstellen. Verder was het alleen bevoegd om de belastingen goed te keuren.

En aangezien adel en clerus praktisch vrijgesteld waren van belastingen, kan men wel raden wie telkens het gelag mocht betalen. Het feit dat de derde stand telkens voor alle belastingen mocht opdraaien, zonder ook maar enige zeggenschap te krijgen in het bestuur, was één van de oorzaaken van de ontevredenheid bij de burgerij die juist in deze periode van beginnende industrialisatie in een financieel sterkere positie kwam te zitten. De evolutie van een “grond”kapitalisme, waarbij de adel en de clerus als de grootste grondbezitters het voor het zeggen hadden, naar een “ondernemers”-kapitalisme waarbij de burgerij op de eerste rij kwam te zitten, ging niet gepaard met een evenredige evolutie van de voorrechten.

Beïnvloed door het ideeëngoed van de Franse filosofen die de “gelijkheid” predikten en door de geslaagde revolutie van de Engelse kolonies in Amerika, heerste er ook bij ons in de intellectuele kringen een latent revolutionair klimaat. Het kwam (voorlopig) nog niet tot een uitbarsting omdat de drie standen nog niet op één lijn stonden. De eensgezindheid kwam er echter wel in het begin van 1787, wanneer de keizer een nieuwe reeks maatregelen doordrukt, o.a. de nieuwe administratieve indeling van de Nederlanden.

Met het nieuwe edict werd er geraakt aan de voorrechten van de adel en clerus, vooral door de afschaffing van de feodale en de kerkelijke rechtbanken én van de rechtbank van de universiteit van Leuven. Voortaan zou de rechtspraak gebeuren via de, voor die tijd revolutionaire, getrapte indeling van de rechtbanken, die bovendien centralistisch ingericht zouden worden: er zouden rechtbanken van eerste aanleg, hoven van beroep en een herzieningsraad komen. Hiermee weze het duidelijk dat de Code Civil van Napoleon met zijn nieuwe gerechtelijke indeling niet zo nieuw was.

Na de edicten die de kerkelijke eredienst regelden, de invoering van de gelijke berechtiging van de godsdiensten, de afschaffing van een aantal religieuze orden, de sluiting van de bisschoppelijke seminaries en de oprichting van het grootseminarie van Leuven en de afschaffing van een groot aantal kermisdagen, plus de beknotting van de macht van de lokale adel door het invoeren van een sterk gereglementeerd en vlot werkend ambtenarenkorps, was dit nieuwe edict de druppel die de emmer deed overlopen. Toen daar bovenop ook nog de aloude keuren en voorrechten van de steden (lees: de burgerij) werden afgeschaft, gingen de poppen aan het dansen.

Nu waren die keuren een soort grondwet die de verhouding tussen de soeverein en zijn onderdanen regelden. Het verzet tegen de nieuwe reglementen begon in Brabant, dat de “Blijde Intrede” en de voorrechten van de Brabantse steden afgeschaft zag. Het protest tegen de verregaande keizerlijke bemoeizucht begon tijdens de vergadering van de Brabantse Staten. Op 23 april 1787 las advocaat Hendrik Van der Noot voor de Staten zijn “Memorie van de rechten van het Brabantse volk en de aanvallen erop” voor. De vlam sloeg in de pan en een periode van ongehoorzaamheid en opstootjes begon.

In die tijd werd de keizer op drie manieren in de Nederlanden vertegenwoordigd: er waren de landvoogden, die de ceremoniële plaatsvervangers van de keizer waren en die buiten het feit dat ze de officiële vertegenwoordigers van de kroon waren en als dusdanig de verordeningen van de keizer moesten doen naleven, weinig concrete macht hadden. Deze landvoogden waren bovendien meestal familieleden van de keizer. Naast deze landvoogden was er een militaire gouverneur die alles wat met landsverdediging te maken had en de troepen in het land controleerde. Tenslotte was er de gouverneur, een ambtenaar, meestal gekozen uit de Oostenrijkse elite die het werkelijke bestuur in handen had, want hij controleerde het ambtenarencorps en gedeeltelijk ook de magistratuur. Na de relletjes te Brussel, probeerde de gouverneur gedurende de volgende dagen de gemoederen tot bedaren brengen.

Zijn bemiddelingspogingen hadden geen succes, want op 30 mei 1787 weigerden de Brabantse Staten zelfs nog langer belastingen te betalen. In de loop van juni verboden diezelfde Staten ook nog de uitvoering van de nieuwe keizerlijke edicten in Brabant. Jozef II riep daarop de gouverneurs naar Wenen voor consultatie, samen met een delegatie van de Brabantse Staten. Ondertussen werd de uitvoering van de aanstootgevende edicten opgeschort. Na onderhandelingen te Wenen besliste de keizer een aantal maatregelen (o.a. in verband met de nieuwe administratieve indeling en de rechtbanken) op te schorten. Wel werd er een arrestatiebevel uitgevaardigd tegen de “patriotten” die oppositie voerden tegen het keizerlijke beleid. Die patriotten die overigens grotendeels uit de Cité Ardente kwamen, hadden echter al wijselijk de benen genomen en een toevlucht gezocht in Breda.

Halfweg september beval de keizer de administratie weer aan het werk te gaan zoals voor de betwiste edicten. Er volgden echter weer rellen in Brussel, en de gouverneur, de graaf van Murray, gaf toe aan de druk van het gepeupel en schafte, zonder ruggespraak met Jozef II, alle keizerlijke edicten af. Deze handeling viel echter niet in goede aarde bij het hof in Wenen en hij werd uit zijn functie ontheven. Hij werd vervangen door generaal d’Alton. De keizer deed echter meer en hij stuurde een handig diplomaat naar de Nederlanden als gevolmachtigd minister, graaf von Trauttmansdorff-Weinberg. Die slaagde er wel in de gemoederen in Brabant tot bedaren te brengen. Het lukte hem zelfs in de Staten de “subsidies” (= belastingen) te doen goedkeuren, waarna de vergadering ontbonden werd en uiteen ging.

Ondertussen begonnen de Staten van Henegouwen die nog bijeen waren om de belastingen goed te keuren, zich ook te roeren. Ook zij verzetten zich tegen de keizerlijke maatregelen. Begin 1788 weigerden ook zij de edicten van Jozef II te publiceren. Ondertussen te Brussel, zette gouverneur d’Alton de Brabantse Staten onder zware druk om de keizerlijke ordonnanties toch te laten publiceren en uitvoeren. Uiteindelijk stelde hij een ultimatum dat erop neerkwam dat hij de aanvaarding van de edicten desnoods manu militari zou afdwingen. In de straten van Brussel kwam het ondertussen weer tot relletjes en de patrouilles van d’Alton die in het nauw gedreven werden, openden het vuur op de burgers.

Uiteindelijk gaven de Brabantse Staten, onder druk van een mogelijk militair ingrijpen, morrend toe. In de loop van augustus 1788 verzamelde Van der Noot ondertussen naarstig gelijkgezinden in Breda. Zij stelden zich tot doel de onlusten in de Zuidelijke Nederlanden verder aan te wakkeren. Terzelfdertijd riepen de Vonckisten, zo genoemd naar Jan Frans Vonck, op tot veranderingen door het bijeenroepen van de Staten en de hervorming van de derde stand (precies wat er één jaar later te Parijs zal gebeuren met alle gevolgen van dien …). Vervolgens weigerden de Staten van Brabant en Henegouwen in de loop van de maand november de subsidies goed te keuren.

Als reactie hierop schafte Jozef II begin 1789 definitief de privileges van Brabant en Henegouwen af. In april 1789 probeerde de keizer met een hervorming van de derde stand in de Raad van Brabant te troebelen te sussen. Het opzet was de overmacht van de grote steden in de raad te breken, door de plattelandsgebieden en de kleine steden, waar de keizer meer aanhang had, een grotere vertegenwoordiging te geven. Dit lukte echter niet, omdat ook deze tradioneel keizersgezinde gebieden de kant van de opstandelingen kozen. De opstandigheid duurde voort, en in het prinsbisdom Luik kwam het in de loop van de maand juni tot een uitbarsting.

De prinsbisschop werd verjaagd en de drie standen begonnen aan een vergadering waarbij uiteindelijk de privileges van adel en clerus afgeschaft zouden worden. Dit revolutionaire klimaat in het zuiden van het land sloeg over naar het noorden. In diverse steden van Vlaanderen kwam het tot rellen en de keizer trad hard op. Als reactie werd de klok volledig teruggedraaid en de edicten werden ten volle van kracht. De tijd van overleg was definitief voorbij voor de keizer. We mogen rustig stellen dat de keizer op deze manier handelde in een poging zijn gezag te herstellen, voor het land afgleed naar een echte revolutie, zoals die ondertussen al aan de gang was in Frankrijk.

Door deze keizerlijke beslissing ontstond een uitermate gespannen klimaat, dat een moeilijke situatie creëeerde in het land, die voortduurde tot in oktober, tot wanneer de Oostenrijkers manu militari de orde wilden herstellen. Ondertussen was er in Breda een vrijwilligerskorps gevormd, dat de grens overschreed en slag leverde met het Oostenrijkse leger te Turnhout.

Dit patriottenleger stond onder de leiding van Generaal Jan Andreas Van der Meersch, een voormalig officier van het Franse en het Oostenrijkse leger die in Menen geboren was. Na verbeten gevechten in de straten van Turnhout, slaagden de patriotten erin de Oostenrijkers op de vlucht te jagen. Enkele weken later werden de Oostenrijkers ook uit Gent verjaagd en dit was het sein voor de algemene opstand. De Oosterijkse landvoogden vluchtten uit Brussel, terwijl graaf von Trauttmansdorff-Weinberg nog een laatste poging ondernam om het Oostenrijkse gezag te herstellen, zonder resultaat.

Eind november stuurde de keizer tenslotte een onderhandelaar om tot een vergelijk te komen. Ook hij ving bot en het enige wat hij uit de brand kon slepen, was een twee maanden durende wapenstilstand. Ondertussen waren alle Oostenrijkse ambtenaren gevlucht en had het leger zich teruggetrokken op Luxemburg. Eind december werd de Staten-Generaal bijeengeroepen op verzoek van de Staten van Brabant. Tijdens de eerste vergadering van deze StatenGeneraal, verklaarden deze Staten zich soeverein en weigerden zij Jozef II nog langer als staatshoofd te erkennen. Op 10 januari werd de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van België uitgeroepen. Onder de leiding van de Staten van Brabant kwam er een tamelijk losse confederatie van de verschillende provincies tot stand.

De provincies behielden hun eigen Staten, rechtspraak en wetgeving. Alleen oorlogsvoering, vrede en diplomatie kwamen onder het gezag van de Generale Staten. De werkelijke macht kwam in de handen van een klein permanent, soeverein congres, dat onder de leiding van Van der Noot stond. Dit congres probeerde alle facetten van de machtsuitoefening onder controle te krijgen, maar kreeg af te rekenen met oppositie van de Vonckisten, die de Franse, meer democratische, revolutionaire principes genegen waren. Ook het leger onder Van der Meersch weigerde trouw te zweren aan de Staten Generaal.

Terwijl de kerk zijn banbliksems uitsprak tegen de Vonckisten, die als te progressief bestempeld werden, overleed keizer Jozef II op 20 februari 1790 na een lange ziekte. Hij werd opgevolgd worden door zijn broer, Leopold II, die de politiek van zijn broer verder wenste te zetten. In de strijd om de macht moesten de Vonckisten of progressieven het onderspit delven. Jan Frans Vonck moest uit het oproerige Brussel vluchten en hij trok naar Rijsel. Overal in het land werden de huizen van Vonckisten aangevallen en geplunderd. Met de tegenstand in eigen rangen uit de weg geruimd, herstelden de conservatieven of Statisten de instellingen van het Ancien Régime. Op het einde van de maand maart capituleerde ook het garnizoen van Antwerpen. In Luik hervormden de revolutionairen het bestuur in democratische zin.

Op 8 april werd generaal Van der Meersch aangehouden, beschuldigd van hoogverraad – hij had immers de eed van trouw aan de Staten Generaal geweigerd, terwijl hij toch het leger controleerde. Van de Meersch zat in een erg oncomfortabele positie, gevangen tussen de Statisten en de Vonckisten. Omdat hij uiteindelijk naar de kant van de Vonckisten leek te gaan overhellen, werd hij uitgeschakeld. Hij vormde immers een latent gevaar voor de machtspositie van de volgelingen van Van der Noot. Hij werd vervangen door de Pruisische generaal Schönfeld. Onder diens leiding leed het leger van de patriotten een nederlaag bij Beauraing op 23 mei 1790. Ondertussen ontstonden er her en der opstandjes op het platteland, gericht tegen de adel en de clerus en tegen de Verenigde Staten van België.

Vooral boeren en handwerkslui kwamen in verzet en ze noemden zich de ware patriotten. Ze voerden de keizerlijke vlag en ze bedreigden de adel en de clerus die ze als het “profitariaat van de notabelen” bestempelden. Er werden detachementen van het leger en van de patriottische milities op hen afgestuurd. De onervaren rebellen vormden geen partij voor de getrainde troepen en ze werden in de pan gehakt in de omgeving van Oudenaarde.

Er werden zware straffen uitgesproken en de leiders van de opstand werden zelfs opgehangen. Op het einde van juli 1790 kwamen de Vonckisten in opstand in Gent, en weer moesten de Statisten ingrijpen. Ondertussen bleven de schermutselingen met het Oostenrijkse leger voortduren en op 13 augustus slaagden de Oostenrijkers erin de patriotten in serieuze moeilijkheden te brengen nabij Herve. Dooreengeschud door dit voorval, besloten de Staten op 18 augustus tot het uitschrijven van een gedwongen lening ten belope van 10 miljoen gulden. Het was de bedoeling het leger beter uit te rusten en meer soldaten te ronselen om het tij te doen keren.

Begin september behaalden de patriottische troepen een overwinning in de buurt van Andenne, maar het was een Pyrrusoverwinning: het patriottische leger was uitgeteld. Het patriottenleger trok zich terug naar het noorden en ondanks de aanvallen van Schönfeld en zijn troepen, waren de Oostenrijkers ondertussen al tot aan de Maas opgerukt. Op 14 oktober beloofde de keizer amnestie aan iedereen die de wapens vanaf 21 november zou neerleggen. De Staten weigerden echter op dit voorstel in te gaan en de keizerlijke proclamatie werd op 1 november publiekelijk verbrand op de Grote Markt van Brussel .

Terwijl de druk van de Oostenrijkse troepen onder de leiding van generaal Bender langzaam groter werd, ondernam het congres nog verwoede pogingen om de revolutie te redden. Zo werd er op 15 november opgeroepen om de strijd verder te zetten en als ultieme zet benoemden ze de derde zoon van de keizer, aartshertog Karel, tot erfelijk groothertog van de zuidelijke Nederlanden. Het mocht echter niet baten, want naast de militaire druk was er ook de innerlijke verdeeldheid. Alles verliep dan plotseling heel vlug: op 24 november namen de Oostenrijkers Namen in. Op 30 november volgde Mons, op 2 december werd Brussel bezet, Mechelen capituleerde op 4 december, Antwerpen hield het nog uit tot 6 december en Gent gaf het op 7 december op. Tenslotte hadden de Oostenrijkers op 10 december het hele grondgebied weer in handen.

Het patriottenleger werd ontbonden in de omgeving van Aalst en de soldaten keerden naar huis teruggekeerd, terwijl het Congres de benen genomen had en Van der Noot naar Nederland gevlucht was. Meteen keerde men terug naar de situatie van voor de revolutie. Er bleef nu nog één verzetshaard over: het prinsbisdom Luik. Daar werd de revolutie uiteindelijk teniet gedaan in de loop van februari 1791. In de loop van dat jaar volgt de Oostenrijkse restauratie … maar niet voor lang. In Frankrijk had de revolutie ondertussen een andere wending genomen… Begin 1792 werd er in Parijs binnen de kringen van de gevluchte Belgen en Luikenaars een revolutionair comité gevormd. Op 1 maart overleed keizer Leopold II. Hij werd opgevolgd door zijn zoon, Frans II, een bekwaam diplomaat en militair, gevormd door zijn oom Jozef II. Hij kreeg echter nogal vlug problemen met Frankrijk, dat hem op 20 april de oorlog verklaarde.

Een hele reeks schermutselingen eindigde met de nederlaag van de Pruisische troepen nabij Valmy. Meteen lagen de Nederlanden open voor de Franse sansculotten. Op 21 september 1792 riepen de Franse revolutionairen de republiek uit en ze begonnen actief aan het uitdragen van de revolutie. Op zes november werden de Oostenrijkers nogmaals verslagen nabij Jemappes en op de 7de vertrok de Oostenrijkse overheid uit Brussel. Op 28 november viel de citadel van Antwerpen in Franse handen. De Franse troepen stonden onder het commando van generaal Durmouriez die de Belgen blijkbaar goedgezind was.

Hij sprak immers van “bevrijding” en niet van “bezetting”. Op 15 december volgde er een decreet van de Conventie van Parijs dat de “bevrijde” gebieden onder Franse soevereiniteit plaatste. Meteen werden ook alle eigendommen van de overheid, openbare instellingen, gilden en leken- of kloosterorden, onder de “bescherming” van de republiek geplaatst. Dumouriez was het hiermee echter niet eens, omdat hij vreesde de sympathie van de bevolking te verliezen. In alle steden werden er voorlopige, Fransgezinde, bestuurders aangesteld. Begin 1793 begon het tij weer te keren. De slechte organisatie en de interne problemen deden de Franse troepen de das om.

Op 1 maart begonnen de Oostenrijkse troepen onder de leiding van de hertog van Saksen-Coburg aan een tegenoffensief. Tegelijkertijd liet de gevolmachtigde minister von Metternich-Winneburg weten dat de Franse administratieve veranderingen van nul en generlei waarde waren. Ondertussen hadden de Franse sansculotten hun vriendschap met de “bevrijde” landen zo goed betuigd, dat generaal Dumouriez zich verplicht zag om op 11 maart een algemeen verbod op het plunderen uit te vaardigen. Zijn ongedisciplineerde troepen werden door de Oostenrijkers bij Neerwinden op 18 maart verslagen.

De Oostenrijkers waren terug. Aartshertog Karel, de derde zoon van Leopold II werd de nieuwe landvoogd. De Fransen werden teruggedreven en op 8 april liep generaal Dumouriez over naar de Oostenrijkers, omdat hij vond dat het Congres in Parijs hem in zijn persoonlijke ambities hinderde. De strijd met de Fransen verplaatste zich ondertussen naar Noordfrankrijk, waarbij de geallieerden (ieder koningshuis in Europa was nu immers bedreigd door de Franse republiek), keer op keer slaag kregen van de Fransen die ondertussen hun lessen geleerd hebben: ze winnen in september de slag bij Hondschoote en in oktober de slag bij Wattignies.

Ondertussen was de tweede Oostenrijkse restauratie in volle gang. Op 23 april 1794 kwam de keizer, Frans II, zelfs naar Brussel om er zich te laten kronen. De krijgskansen keerden echter weer en de Fransen, onder de leiding van heel jonge generaals plunderden het zuiden van het land. Op 6 juli kwam het tot een treffen bij Fleurus, waarbij de Oostenrijkers moesten wijken voor de Fransen. In de loop van de maand juli vielen Brussel en Antwerpen tenslotte ook in Franse handen en de Oostenrijkers verlieten definitief de Zuidelijke Nederlanden. Eind juli werden de Franse verordeningen betreffende de assignaten van kracht en de greep van de Franse republiek werd steviger. Stap voor stap werden de “verworvenheden van de Franse revolutie” ingevoerd, o.a. het burgerlijk huwelijk, de naasting van de kerkelijke goederen enz. … Op 1 december deed de Pruisische koning uiteindelijk afstand van de Zuidelijke Nederlanden ten gunste van Frankrijk.

Jean-Jacques Lambin – voormalig stadsarchivaris van Ieper