Bedevaart naar Deizel

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     1194 Views     Leave your thoughts  

«Zé», zei Modesta, «dat moet en zal hier gedaan zijn op ’t hof; ’t weet hier van geen uitscheiden: de ene tegenslag na den anderen, eerst met de zwijns en dan met de koeibeesten. Cesarke, » zei ze tot ’t poesterke, «we gaan een van die dagen op beevaart naar Deizel», «Gaan dienen?» vroeg Cesarke. «En moet ik mee? Te voete? ’t Is meer of vier uren verre van Staên: viere deure en viere were! ‘k Zeggen maar dadde ! Goed om stijve kieten op te doene en de voeten vol blazen.»

«Je gaat gij mee», zei Modesta. «Om. ’t pakske te dragen met de stuiten. En ook omdat ne mens zeerder avanceert met tweên dan allene.»

Modesta besprak ’t werk met Alvarez en nen dag of twee later, op ne koele ochtend – ’t was nog maar rond de zessen – waren Modesta en Cesarke al in route naar Deizel. Van ’t hof, tegenaan Staên-Plaatse, trokken ze in de richting van Sleihage om, voordat ze daar aankwamen,. ne binnenwegel naar Oostnieuwkerke in te slaan. Ze stapten goed deure: Modesta op kop en Cesarke alzo op ne meter of vijve. ’t Were was niet kwaad. De lucht was wel overtrokken, maar ’t regende toch niet, en dat is al vele al t’huizend. Best ook, want Modesta had heur schoonste kleren aan, viere boven malkaar, die bijkans tot op den grond hingen, en natuurlijk met heur nieuwste opperkleed ten toge, bestikt met van die fijne pareltjes en pailletjes, en met heur ne besten hoed op, ne zwarten, ook met pereltjes bewerkt en chiek gegarnierd met een roze: een rode; juist gelijk een echte.

Modesta las den ene weesgegroet achter den anderen, van Staên naar Deizel. 20 kilometers verre zou ze niet anders doen dan paternosteren om te bekomen dat de stallingen van mu voort gespaard zouden mogen blijven van al die miseries waar ze in de laatste tijd op ’t hof mee af te rekenen hadden en die ne mens zijn couragie zouden doen verliezen: «Wees gegroet, Maria, vol van gratie, de Heer is met u; gebenedijd zijt gij boven alle vrouwen, en gebenedijd is de vrucht uws lichaams, Jesus. Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, arme zondaars, nu en in de uur onzer dood.» En Cesarke volgde met zijn pakske stuiten, en met ne panen broek tot juist onder de kniên, en met ne warme baai, en met een klakke op zijn hoofd.

Deizel (soms ook «Daisel» geschreven en gedrukt, is eigenlijk Dadizele (in ’t Amerikaans Daddytown), waar dat: Onze-Lieve-Vrouwe op een kurieusche manier – reeds lange geleden – heur een keer of twee is komen togen, namelijk aan een eremiet, aan wien ze verklapte dat er ne rijke boer hier uit ’t gebuurte twee zwarte ossen zou kwijtspelen. Met al zijn knechten en rneissens zou hij de hele streke vruchteloos afzoeken en eindelijk, bij den Elzenbosch, niet verre van zijn hofstee, in plekke van twee zwarte ossen, twee witte vinden. Ehwel, zei Onze-Lieve-Vrouwe, ‘k zou geerne zien dat er daar een kapelle gebouwd wordt en ze gaf de eremiet den opdracht den boer hiervan kond te doen.

Zo gezeid, zo gedaan! En ’t viel allemale goed uit, zowel met de ossen als met de kapelle. De kapelle werd een kerk, die op ne zekeren dag met ne rode, zijden draad, zonder begin of einde, omspannen, was: weeral werk van de Moeder Gods, die op die manier het bewijs achterliet dat ze daar geweest was en zelve de kerk – inmiddels een bekende bedevaartbasiliek geworden zijnde- had gewijd.

Modesta en Cesarke hadden reeds een uur goed doorgestapt en waren Oostnieuwkerke al voorbij, «’t Is te hopen», zei Modesta luide tegen haar eigen zelven, «dat mijn bedevaart geluk bijbrengt en dat we op ‘t.hof niet langer met zovele tegenslagen hebben af te rekenen. Gelijk of dat jeweet, Onze-Lieve-Vrouw-van Deizel, was ’t eerst met de zwijns te doen: passeerde jaar zaten we met een heel stal zwijnejoengen met kwalijke afgang: .. altijd maar braken, altijd maar meer en meer, ,en daarbij met ne waterigen afgang, waardoor de beesten deshydrateerden en tenslotte door zelfvergiftigingstierven.

En van de jare kwam den expert om vaste te stellen dat we met een ziekte zaten, veroorzaakt door het virus van Smedi, gelijk hij het zei, en waarbij ‘embryonale sterfte’ optrad van de ongeboren biggen, in de baarmoeder van de zeuge, die in normale omstandigheden, gelijk gij ook wel weet, Onze-Lieve-Vrouwe-van-Deizel, na drie maanden, drie weken en drie dagen dracht, aan het jongen gaat. T’huizend bracht de moere zwijnemummies ter wereld: weeral ne helen hoop tijd- en geldverlies! Wees gegroet, Maria, vol van gratie …»

In Passendale waren onze bedevaarters al halfweg, en buiten de Plaatse gingen ze langs ne graskant zitten om een.beetje uit te blazen en een paar stuitjes binnen te spelen. En als ze daarmee klaar waren, zei Modesta « Cesarke, kijkt een keer al ginder.» En scherreldewijd over ’t grachtje deed ze een maal. Vele jaren later, in 1980, zou er in Deizel een bronzen ‘Daiselse Pompeschitter’, in het domein van Ridder Jan geïnstalleerd worden, terwijl voor de rest het politiereglement de «Lieve Mensen/Chers Amis» vriendelijk verzoekt het historisch terrein en het genadeoord Mariarozenkranspark ‘Rosarium’ te eerbiedigen.·

“Onze-Lieve-Vrouwe-van-Deizel, in de zwijnestallen hebben we op ’t hof ook nog met ‘de vlekziekte’, gezeten, gelijk deze in vroegere jaren veelvuldig voorkwam, alzo van te meie tot ten septembertijde, de periode van ’t nieuw graan en ’t uitdoen van de patatten. We hebben t’huizend weten gebeuren dat de beesten in een paar uren helemaal blauw uitsloegen en steendood waren voor we het wisten. Wees gegroet, Maria, vol van gratie … »

En alzo waren ze in Moorslede, “Onze-Lieve-Vrouwe-van-Deizel, met onze koeibeesten hebben we ook al ’t een en ’t ander tegens gekomen. Zo. hebben we nog ‘de plage’ geweten, die een ziekte is die je gemakkelijk kunt herkennen aan het opkomen van aften, dit zijn blaren op de tonge en muilrand en op de kroonrand van de poten: de muileplage of poteplage, zoals ze vroeger zeiden, en thans zo goed als helegans is uitgeroeid, aangezien den dag van vandage alle koeibeesten wettelijk verplicht tegen het zogenaamde mond- en klauwzeer moeten worden ingeënt.

Wees gegroet, Maria, Vol vangratie … Maar in de plekke zitten we nu met des te meer complicaties bij het kalven. De gestadige vooruitgang in de kweek van koeibeesten brengt mee dat de kalvers altijd maar groter en groter ter wereld komen. En alzo, Onze-Lieve-Vrouwe-van-Deizel, zaten we van de weke op ’t hof weeral met een keizersnee. Alvarez probeerde onze Blare langs de natuurlijke weg te helpen kalven; in zijn bloot bovenlijf, dat dampte van ’t zweet, trok hij en trok, zovele of dat hij kon, en, een .beetje met een keer, kwam ’t kalf uit de koe.

Maar halverwege kon hij het er geen halve centimeter méér uit krijgen, en was ik verplicht met mijne velo zere den expert te gaan halen. We zaten dus were met een batje! Eerst moest den expert het kalf doormidden zagen, en dan, den achterhand van het kalf door, blindelings aan het werk gaan om het helegans uit de koe te krijgen. Door al dat trekken en sleuren en wroeten. was Blare vanbinnen hier en daar geblesseerd, zodat ze niet meer koste rechte geraken. Van den ochtend, als wanneerwe voor Deizel uitzetten, lag ze daar nog te liggen en zag ze er al ferm vermagerd uit. Wat ze nog geeft aan melk is bijkans niemendalle meer.

Tussen haakjes, OnzeLieve-Vrouwe-van-Deizel, zoals ze daar ligt, probeert daar maar een keer aan te melken .. Gij, die gebenedijd zijt boven alle vrouwen, zoudt dat voorzekers al niet vele beter kunnen doen dan ik. Maar, surtout, Onze-Lieve-Vrouwe-van-Deizel, alles ’t hope geteld, weet je gij wat dat betekent voor onze portemonnee? De kosten van den expert, geen kalf, bijkans geen spetter melk meer van Blare, en haast zo goed als zeker dat de beeste gaat moeten afgeslacht worden. Wees gegroet, Maria, vol van gratie … »

«Cesarke, couragië. joentie, nog een ure en we zijn in Deizel. ‘k Zie ze al were vliegen: bij aankomste gaan we eerst nog een part van onze stuitjes eten, in ne staminee, met een tasse versche kaffie. En dan gaan we in de basiliek voor Onze-Lieve-Vrouwe-van-Deizel een kaarse of vijve doen branden en nog een half uurtje voortlezen en binstdien rusten, om daarachter in het ‘Rosarium’ de vijf blijde, de vijf droevige en de vijf glorierijke mysteriën aan te doen. ’t Kan Onze-Lieve-Vrouwe-van-Deizel zekerlijk niet anders dan welgezind stemmen te mogen zien wat we vandage allemale voor heur over hebben.»

Modesta en Cesarke naderden altijd maar meer en meer de grote toren van de basiliek van Onze-Lieve-Vrouwe-van-Deizel en hoe dichterbij ze kwamen, hoe meer van heur kleine torentjes dat ze zagen.

Maar wat is me dat nu? In ene keer begon het te regenen, wel niet vele, maar van dien ambetante Vlaamsche smuk. « Onze-Lieve-Vrouwe-van-Deizel toch! Mijn schoon nieuw kleed en mijne besten hoed! Moet dat nu in Deizel ook al begunnen tegenslaan?»

En wat deed Modesta? Zoals gebruikelijk in dien tijd trok ze haar opperkleed achterwaartsover boven heur ne besten hoed. Cesarke deed hetzelfde met zijne baai over zijn klakke. En alzo kwamen Modesta en Cesarke op de Plaatse van Deizel aan.

Met dat fleeuws were was er al niet vele volk te bene, maar toch genoeg om in ene keer een groepje mannevolk, dat voorzekers niet op beevaart was, zo aan ’t gieren van het lachen te brengen, dat de Plaatse schier overende stond, een groepje dat Modesta en Cesarke bleef volgen en dat gestadig aandikte. En in ene keer kwam het uit waarom. In stee van heur opperkleed allene, had Modesta, zonder dat ze het geware was geweest, ook heur drie andere tot boven heur hoofd ,meegetrokken.

Met het gevolg dat ze door Deizel liep met heur hespen bloot: «Wees gegroet, Maria, vol van gratie, de Heer is met u; gebenedijd zijt gij boven alle vrouwen, en gebenedijd is de vrucht uws lichaams, Jesus. Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, arme zondaars, nu en in het uur onzer dood. Amen.»

Modesta was nog niet danig ontsteld wanneer ze tot de constatatie kwam waarom de groep mannevolk die achter haar bleef aanlopen zulk een leute had. Als van de hand Gods geslagen en van alteratie rood tot bachten haar oren, bracht ze, zonder nog tijd te hebben om te asemen; heur kleren van boven heur hoofd weer omlege en droei heur omme naar Cesarke en gloeiend van koleire gaf ze het poesterke een lap tegen zijn oren:

– Ehwel, heb ie gij dat niet gezien?

– Be ja ‘k, zei het joentje. En goed!

– Da’s nu nogal de moeite! En waarom heb je gij mij dat niet gezeid?

– Omdat ik peinsde, zei Cesarke, dat dat alzo moeste als er een vrouwmens naar Deizel op beevaart ging.

.

Tandermanneke in ‘Het Manneke uit de Mane’ van 1985.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>