Op café in de Sixties

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 year ago     570 Views     Leave your thoughts  

Mijn allerverste herinneringen aan mijn ‘uitgaansleven’ situeren zich vanaf het eind van de jaren vijftig.

Ik zie mij aan de dikke pol van mijn grootvader samen naar een motorbal gaan. Dat was geen dansbal, maar een (voet)balmatch tussen motorcrossers op het veld van de Blue Star op de Abeelseweg. Ik herinner me hoe die motorduivels zo fel tekeer gingen en de ‘knoape’ van het plein daarna zo kwaad was omdat ze – zoals hij voorspeld had – “heel ’t pling aan de kloaten hadden gereden.”

Alhoewel mijn grootvader beroepshalve – en ook uit eigen beweging – zeer veel op café ging, herinner ik me zeer duidelijk het café waar hij mij voor het eerst meenam. Dat was zijn stamcafé in de buurt. Het heette ‘In de Melkerij’ bij Valère Ryckewaert (“!” 1978) en Maria Cappelaere (t 1994 ), vlak tegenover de bedrijvige SintBertinusmelkerij aan de toen nog Provenseweg (nu in de Duinkerkestraat opgenomen).

Dat was een typisch volkscafé van de Sixties. Vrouwentongen (sanseveria’s) voor het raam en binnen – de ‘voorplekke’ noodgedwongen in het café opgenomen – een bruinhouten toog met pakjes Sprint en Armada in een klein vitrinekastje op de hoek. De kleine, rechthoekige cafétafeltjes hadden onder het kaartersblad uitgespaarde nisjes waar juist een pintglas in paste. Op die tafeltjes stonden roodbruine, bakelieten asbakken en verder in de hoek stond een rotan slang met kleine hangplantjes in. Er was ook een jukebox en er hing een kleine vogelpikblok aan de muur en, buiten was er een ‘vertrek’ met een hartje in de deur (waarom dat precies een hartje was, heb ik nooit geweten).

Op de toog stond een aluminiumkleurige chicletten-bak in de vorm van een soort grote gloeilamp. In het bolle glas staken de kleurrijke kauwgomballen die – als je 1 Fr. in de gleuf had geduwd – met één lange trek aan de haak uit de keel kwamen gerold. Met die bonte ballen moest je dan proberen zo groot mogelijke bellen te blazen; dat was de kunst!

Verder stond er ook een bak met gezouten apenootjes. Die was echter kubusvormig en, nadat je een frank in de gleuf had geduwd en aan de kruk had gedraaid, kwam er een handvol peanuts van achter dat klepje gerold. Ik vond dat maar een ‘kiezig vuulbaksje’ want de keel ervan was altijd vunzig wit van de achtergebleven zoutkorrels.

Zoals gezegd, hing er ook een vogelpik. Niet zo’n groot kleurrijk karrenwiel van kokosborstels zoals nu, maar een klein kurkblokje op een ruitvormig bord met een ‘kooksje’ bij. Dat ‘smieten’ vond ik maar een riskant spel want vlak daarnaast was de deur naar de ‘Cour’ en die was – net als de deurstijlen – precies als van de houtworm doorboord. Ik dacht dan altijd wat er zou kunnen gebeuren, als een zatlap eens misgooide op het moment dat er juist iemand van de ‘piscine’ terugkwam …

Mijn grootvader dronk daar altijd een export van zijn lievelingsmerk Pilsor Lamot. Dat was véél beter dan het ‘zwienezeejk’ van Leopold Three Stars, beweerde hij. Ikzelf kreeg een ‘zymtje’ uit een slank en geribd flesje van het merk Colibri. Trouwens in zo’n volkscafé hadden ze niet al die nieuwe glittermerken zoals Seven-Up of Looza. Die waren toen nog maar aan de kust en in het Brusselse bekend. Een Cécémel mocht ook. Daar was trouwens zelfs de Melkbrigade mee gediend. Maar, Coca-Cola moest je niet drinken, zei opa, die ‘zwarte zym’ was toch maar ‘roare bucht’ en je kon er de ‘kolieken’ in je buik van krijgen (een voorspelling voorwaar!). Ik dacht toen dat die ‘kolieken’ een soort gevaarlijke gezwellen waren die latent inje darmen woekerden …

Rock Ola … ola rok!

Maar in dat volkscafé was het vooral die magische music-box die voor mij de show stal. Dat audiovisueel wonder vond ik toen een fascinerend schouwspel want met de gekleurde ‘running lights’ leek het wel een soort anachronistische kerstboom. In de trommel zaten, naast een aantal zeemzoete fifties-hits, de vele Vlaamse meezingers en musette-plaatjes, enkele toffe pop-singletjes.

Ik kende al vlug de meest populaire ervan van buiten: Pat Boone’s olijke ‘Speedy Gonzales’ (’62), Paul Anka’s leuke meezingertje ‘The Story of my Love’ (’61), Caterina Valente’s dromerige ‘Buongiorno’ (‘574., ‘Zeeman’ van Jo Leemans (’61), een cover van het Engelse ‘Sailor’, het melancholische walsje ‘Adios Amigo’ van Jim Reeves, het romantische ‘Come closer to me’ van Nat King Cole (’58) en Elvis’ robuuste tango ‘It’s now or never (’60).

In die tijd bleven de hits trouwens nog aanzienlijk langer in de hitparades en bijgevolg vond je in die volkse Rock-Ola’s soms hits van vijf jaar terug waardoor ze tot de status van ‘evergreen’ waren gedraaid. Al die ‘moderne’ platen waren door Lieve, de ‘snelle’ dochter van het café, gekozen want Maria en Gerard hoorden veel liever de hartenbrekende smartlappen van de Zangeres Zonder Naam of de opgewekte accordeon-deuntjes van Hector Delfosse dan “al die moderne tsjingle-tsjangle”. Nu, wilde je wat “joenk vook” over de vloer krijgen, dan moest – bovenop Lieve’s nieuwe vichy-bloes – daar toch een prijs voor betaald worden, zo concludeerden de wijze uitbaters. Ik herinner me ook dat daar later nog vooral Franse plaatjes bij kwamen zoals de tedere tango ‘Sans toi, mamie’ van de in-het-Frans-zingende Italiaanse Belg Adamo en, last but not least, Henry Salvador’s olijke ‘Zorro’ (est arrivé) dé meezinger van 1964, letterlijk grijsgedraaid in dat – voor mij althans – memorabele jaar van mijn plechtige communie.

Kissing cousins

Rond en aan die jukebox hingen de ‘vrijers’ uit de buurt en toen iemand het tedere ‘Tes tendres années’, een stapvoets walsje van Johnny Halliday (’63) had gedrukt, durfde een vrijend paartje het wel eens aan om enkele timide danspasjes op de gladde dambordvloer te wagen. De jukebox stond nooit hard zodat je soms het schuurpapiereffect van hun lederzolen duidelijk boven de muziek hoorde.

Toch werden de tafels wel eens aan de kant gesleept vooral als uit de trillende ‘haut parleur’ Lieve’s nieuwste aanwinst klonk. Dat was het ritmische ‘Je me sens bien auprès de toi’ van Petula Clark uit ’63 (pas veel later heb ik geweten dat dit een bewerking was van The Shadows’ ‘Poot Tapper’). Dan swingde Lieve daarbij zo vervaarlijk datje haar kanten onderrok zag … En dan was ’t ‘cinema’ natuurlijk.

Als jong kind wist ik nog ‘van de wereld’ niet maar toch besefte ik wel ergens dat er meer was dan dat geflikflooi op de dansvloer. Maar, kinderen zijn voyeurs, voyeurs van volwassenen. Zoals Desmond Morris, dé zoöloog van de Sixties, toen letterlijk schreef:

“Kinderen worden groot door hun ouders na te apen”. Maar, vóór het na-apen komt natuurlijk het observeren. Kinderen kennen hun ouders bijzonder goed en zien veel meer dan een volwassene vermoedt. Alleen begrijpen ze niet alles … of, zien ze het niet altijd in de juiste context.

Zo herinner ik mij hoe wij als kinderen ons op zomeravonden in de sloot verstopten om vrijende paartjes uit de straat “af te muizen”. Dat vonden we eigenlijk zeer opwindend, een beetje mysterieus eigenlijk. Meestal hadden we daarna de grootste discussies over wat die daar eigenlijk uitspookten. We konden bijvoorbeeld maar niet begrijpen waarom ze niet kusten zoals in de film, namelijk lippen op )ippen. En, aangezien we van tongkus nog geen weet hadden, fantaseerde een wat oudere jongen uit de buurt dat ze “hun sjieken aan mekaar – mondeling – doorgaven.”

.

Bertin Deneire, Poperinge © – Uit ‘Aan de Schreve’ van 2001

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>