Oudenburg, het oude Alenbruc

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       9 months ago     364 Views     Leave your thoughts  

Oudenburg. Eertijds hoofdplaats van de oever der Saksers (littus Saxonicum) en later van het Brugse Vrije, was zij, met Brugge, Gent en Ieper, een van de vier leden van heel Vlaanderen; zij was daarenboven een vermaarde koophandelstad, die door kreken met de zee in gemeenschap kwam. Latere geschiedkundige voorvallen tonen duidelijk dat ze merkwaardig was en dat zij daardoor bij het geestelijk en wereldlijk opperbestuur een groot aanzien had.

Het is waarschijnlijk dat het opperhoofd van de H. Kerk, van de eerste eeuwen af van het christendom daar geloofsverkondigers zond om het evangelie uit te breiden: de heiligen Amandus, Elisius en Ursmarus, welke in de 7de eeuw het geloof in Vlaanderen verkondigden, hielden zich bijzonderlijk op te Oudenburg, die alsdan Alenbruc genaamd was, en ze bekeerden er de inwoners.

De heilige Bisschop Ursmarus, abt van Lobes, timmerde er, omtrent het jaar 700, twee kerken in hout; de ene, ten westen, wijdde hij toe aan de Allerheiligste Maagd Maria; zij werd onder het bewind van Boudewijn van Bergen (1056), in steen gebouwd, en, nu verwoest dan hersteld, bestaat zij heden nog gedeeltelijk. De voornaamste weg die er naartoe leidt, wordt nog de Onze Lieve Vrouw of de Mariastraat genaamd. De andere kerk, ten oosten, toegewijd aan den H. Petrus, werd later de kerk der abdij, welke afgebroken is; maar de rechtstreekse weg die er naartoe liep, draagt nu nog altijd de naam van de St-Pietersstraat.

Karel de Grote deed in 811 Oudenburg en eveneens Torwalt versterken tegen de aanvallen det Noormannen. Onder het bestuur van Robert de Fries, graaf van Vlaanderen (1081), gaf Radbodus, bisschop van Doornik, de kerk van de Heilige Petrus, die hij te Oudenburg in bezit had, aan de H. Arnulphus, bisschop van Soissons; deze herstelde ze luisterlijk en bouwde er in zijn nabijheid eeneabdij, in dewelke hij stierf en begraven werd ten jare 1087. Deze kerk, met de genoemde abdij werd vernietigd in het jaar 1798.

Oudenburg, gelijk we straks zullen zien, werd dikwijls overvallen en ten dele of helemaal verwoest; maar de graven van Vlaanderen, en in het bijzonder Boudewijn II, Boudewijn III en Boudewijn VII, herstelden de verwoestingen en deden de stad schitteren naast de vermaardste van het oude Vlaanderen. Willem van Normandië, ontrent het jaer 1128, omringde de stad met muren en wallen.

Na de nederlaag van de Vlamingen en de Engelsen in de veldslag bij Damme tegen Philips-Augustus, koning van Frankrijk, in het jaar 1313, stelden de Oudenburgers er eer in, de herbergzaamheid te kunnen oefenen ten opzichte van menige Vlaamse edele krijgslieden, die de dood hadden kunnen ontvluchten; en, vijf eeuwen later, na de verovering van Oostende, de 6de Juli 1706, ontvingen zij zegevierend van Ouwerkerke, de bevelhebber van de verenigde legers van België, Oostenrijk, Engeland en Holland.

Margareta van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, bouwde te Oudenburg in 1260, een hospitaal of gasthuis, hetwelk in de 16de eeuw, door de Geuzen, helemaal verwoest werd. Niets is er van overgebleven, tot zover dat men zelfs heden niet weet waar het gestaan heeft.

De zelfde gravin verleende, in 1260, aan Oudenburg het voorrecht van een vierschaar of rechtbank in te richten, waar allerhande vonnissen en veroordelingen mochtentgesproken worden. Ze gaf deze rechtbank enkele statuten of regels te onderhouden in het onderzoeken en in het veroordelen van misdadigers.

Mevrouw Heve, gezellin van jonkheer Hercules Thieryn, baljuw van Oudenburg, verrijkte in het jaar 1474 de kerk van deze stad met een wonderlijk beeld van Onze Lieve Vrouw, hetwelk heden aldaar nog nauwkeurig bewaard en god-vruchtig geëerd wordt.

Oudenburg was in oude tijden ook vermaard, als zijnde eene aanzienlijke dekenij, zich uitstrekkende over Jabbeke, Torhout Gistel, Oostende en over al de gehuchten, parochiën en dorpen, die zich bij en tussen deze steden bevonden, belopende tot het getal van zesenveertig. Deze hoofdstad werd te voren, voor het geestelijk bestuur geleid door twee pastoors, die, in latere tijden, door twee deservitors vervangen werden.

Oudenburg was eertijds nog vermaard door een grote oppervlakkige uitgestrektheid: men veronderstelt immers dat zij, ten tijde van de Romeinen, zelfs ten tijde van de Franken, en nog later, paalde aan Torwald, aan Ghistela, aan Vorne, aan Broeka en aan de zee, en dus een uitgestrektheid had van verscheidene uren.

Maar, door het opkomen van andere sterkten, van burgen en van gemeenten, verminderde deze uitgestrektheid van eeuw tot eeuw, zoo dat zij gaandeweg in het vervolg van de tijden geëvolueerd is tot de tegenwoordige kleinheid van oppervlakte. Heden paalt Oudenburg aan Bredene, Klemskerke, Ettelgem, Roksem, Snaaskerke, Stalhille, Stene, Westkerke en Zandvoorde.

De afdeelingen of wijken worden onder de volgende benamingen aangeduid: 1° het Fort, 2° de Hagebrugge, 3° het Hooge, 4° het Oudenburgsteedje, 5° het Oudenburghoekje, 6° den Papenhoek, 7° Plassendale, 8° de Polder, 9° de Ponte of het Pomptje, 10° de Remparts, 11° den Verloren kost of Verloren hoek, 12° het Middelburg, of het Vrijhoekje of Vrijboomtje, 14° de Zandvoordebrug, 15° de Zwaanhoek, en beperkt zich aan een oppervlakte van 1474 hectaren, en aan een bevolking van 1560 inwoners.

Van het begin af is deze stad aan veel onheilen en rampen onderworpen geweest; ze werd beschadigd door herhaalde overstromingen, door kwade ziekten, door hongersnood, door onweders, door vijandelijke invallen, door oorlogen, door brand, door plunderingen, en andere onheilen die wij hier voor een deel voorbijgaan, omdat Oudenburg dezelve niet uitsluitend te meer lijden had dan de haar omliggende plaatsen. Wij zullen hier alleen die rampen aantreffen, dewelke specifiek op haar eigen inwoners drukten.

Er heerste in Vlaanderen, ten jare 1062, zo een grote en algemene hongersnood, dat er veel menschen van gebrek stierven: om aan dit onheil te weerstaan deed de graaf van Vlaanderen, Boudewijn van Rijsel een algemeen graanmagazijn te Oudenburg inrichten, met een gebod van er levensmiddelen aan een goedkope prijs te verkopen. Geschiedkundigen hebben bijgedragen dat dit magazijn dat daar ingericht werd, omdat deze stad aanzien was als het middelpunt van de armoede en van de ellenden; anderen beweerden echter dat het daar gebouwd werd, omdat Oudenburg destijds een van de aanzienlijkste steden van Vlaanderen was.

Oudegherst verhaalt dat in het jaar 1070, de kerktoren van Oudenburg, door een groot onweer zo gebogen werd, dat iedereen meende die direct zou kunnen naar beneden storten. Maar de toren bleef hangen tot in het jaar 1074 wanneer hij, door een ander onweer, tot zijn voormalige rechtlijnigheid teruggebracht werd.

In het jaar 1087, had Oudenburg veel te lijden van zo’n grote hitte dat er veel inwoners hierdoor stierven; deze hitte werd hetzelfde jaar, gevolgd door eene besmettelijke ziekte, die weleens de vurige pest dan het heilig vuur genaamd werd, en die een groot getal mensen ten grave sleepte.

Gedurende de opstand tegen Lodewijk van Nevers, graaf van Vlaanderen, van het jaar 1325 tot 1329, heeft deze stad veel rampen moeten doorstaan, vooral omdat er dicht in de buurt een vreselijke veldslag plaats vond, in de welke de opstandelingen de nederlaag kregen.

In het jaar 1334 noteerden we een schromelijk onweer, vergezeld van storm, regen, donder en bliksem. De zee verhief zich boven de duinen, overstroomde het land en veroorzaakte een onherstelbare schade: veel bomen en verscheidene gebouwen werden omvergeworpen en vernietigd.

Eene gruwelijke pest ontvolkte in 1436, bijna heel Vlaanderen. Er bleven volgens de overlevering te Oudenburg, te Roeselare en in veel andere plaatsen maar weinig inwoners over.

De oorlog tussen Albertus en Isabella en graaf Mauritius van Nassau, dompelde Oudenburg in een zee van rampen. Mauritius, na de stad veel beschadigd te hebben, nam ze stormenderhand in, de 27ste Juni 1600; vijf dagen daarna, verjoeg Albertus de Hollanders en nam op zijn beurt de stad weer in.

In het begin van het jaar 1647 kwam het vijandig garnizoen van Kortrijk naar Oudenburg, plunderde er de abdij en beschadigde grotendeels de burgers met het roven van vee, van geld, enz.

Indien men de hoge ouderdom van Oudenburg aanvaardt, moet men veronderstellen dat deze burg, met andere omliggende plaatsen, herhaaldelijk beschadigd en verwoest werd door de herhaalde zeebreuken en overstromingen, aan de welke onze streken in vroegere eeuwen dikwijls blootgesteld waren. Met waarschijnlijkheid nochtans kan men beweren dat deze stad verwoest werd, ten jare 450, door de Saksers, die in Vlaanderen een geweldigen inval deden en zich van Oudenburg meester maakten.

Wat de vermeende verwoesting van de stad door Attila, in dit zelfde jaar (450), aangaat, zullen wij er verder iets van zeggen. Van zodra herbouwd, deze stad was binnen de kortste tijd weer bloeiend geworden, wanneer ze in 837 en 880, door de Noormannen zodanig verbrand en verwoest werd, dat zij maar een puinhoop uitmaakte, en dat, enige jaren later haar onbeduidende overblijfselen, stenen en bouwstoffen naar Brugge vergevoerd werden, om er ginder de Burg te voltooien.

De geuzen, die – uit geloofshaat probeerden het volksleven, de welvaart, kunstdrift en vrijheid te versmachten, plunderden en vernietigden er veel kerken en kloosters; zij kwamen in 1578, de abdij van Oudenburg verwoesten, die maar een veertigtal jaren later herbouwd werd (1618).

Het vijandig garnizoen van Oostende maakte zich in 1590 van Oudenburg meester, en vernietigde er de bolwerken en vestingen. Spinola, in 1604, na een beleg van vier jaar nam Oostende stormenderhand in, welke stad de Hollanders bezaten. Gedurende dit beleg, werd nog eens heel Oudenburg vernield.

De rampen en herhaalde verwoestingen, hebben van Oudenburg welke ooit een aanzienlijke stad was uiteindelijk een bescheiden gemeente gemaakt, haar niets overlatende dan het geheugen van haar voormalige grootheid en vermaardheid; zodanig, dat men op vandaag niet de minste overblijfselen vindt van de sterkte of burg die aan haar oorsprong lag. Men weet zelfs niet waar ze precies gestaan heeft.

Er is niet veel meer overgebleven dan een onbeduidende naam van de muren, van de wallen en van de andere versterkingen, waarvan Willem van Normandië deze stad voorzag, zoals we eerder al aangehaald hebben; wij zeggen onbeduidende naam, want, alles bepaalt zich hieraan, dat, ten zuidoosten van het stadje, enkele groentetuinen op vandaag nog altijd de naam van de remparts dragen; waaruit men zou moeten veronderstellen dat het daar was dat de voornaamste bolwerken zich bevonden.

Zo is het ook gegaan met het stadhuis, dat herbouwd werd in de 19de eeuw en waar de belangen van heel de provincie onderzocht en beschikt werden!

Met het hof en met het paleis der forestiers en der graven van Vlaanderen, die aldaar, boven de andere gebouwen praalde!

Met het kasteel van de heer van Gistel, die te Oudenburg zijn verblijf hield! — Met de Halle of Beurs, waar de akten van koophandel plaats hadden, waar de nijverheidszaken geschikt werden en waar de vreemde kooplieden het jaar door bijeenkwamen!

Men vindt niet de minste sporen meer van de machtige vierschaar en van het vreselijk gevangenhuis, die de inwoners met vrees vervulden! Een dervan de oudste gebouwen, een deel van het huis van de Heer, de kerk, die deze oude grootheden heeft zien opkomen en beurtelings heeft zien verdwijnen, is alleen overgebleven, zegepralend over de verwoestingen!

.

Uit ‘Geschiedkundige aanhalingen over Menapië (Oud Vlaanderen)’ uit 1866

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>