Over aalputten en aalkartelen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     874 Views     Leave your thoughts  

AAL, ALE, v. Mestgier. De ale wordt uit den aalput opgepompt om op den akker gegoten te worden. Ale voeren. Ale slaan (met den aallepel over het land spreiden). Raapkoeken in de ale roeren.
· Drek, als hij ale wordt, wil gereén (of gevoerd) zijn, anders gezeid: die van niet tot iet komt. kent zich zelven niet.
· De ale verschilt van het messingzop (mest-sap). De ale is het vloeibaar mest, de drek en de zeik die uit den stal wegvloeit of gedreven wordt langs eene grip in eenen gemetsten put; het messingzop is het vocht dat uit het strooisel zijpelt, welk strooisel, tot leger gediend hebbende voor het vee, en met mesthaken uit den stal getrokken zijnde, samengehoopt ligt in eenen kuil die niet gemetseld is. Het messingzop wordt dikwijls overgebracht in den aalput.
· AALBAK, m. Zie AALKARTEEL.
· AALDUTS, m., nw. -dutsen. Eene dot of wrong stroo die in eene kuip ale ligt om, onder het vervoeren, de uitswanseling te beletten.
· AALKARTEEL, o., mv. -karteelen. Groot houten vat dat bij den landbouwer gebruikt wordt om de ale of het vloeibaar mest te vervoeren naar den akker. Een aalkarteel dat rond is gelijk eene ton, heet ook Aalstuk; maar is het bovendeel plat, dan heet het Aalbak. Een aalkarteel inhoudende zes tonnen. Twee peerden trokken het aalkarteel over den akker.
· AALKELDER, m. Gewelfde put in de aarde gemetseld, waarin men de ale bewaart die uit de aalputtcn getrokken wordt. Een aalkelder te midden de akkers.
· AALKUIP, v. Eene kuip waarin men ale voert op eenen kordewagen, of draagt met aalstokken.
· AALLEPEL, m. Groote lepel van hout of ijzer om ale over den akker te slaan, fr. louche.
· AALMANNEN, m. Beermanen, een gesteert insekt dat in de ale leeft, fr. ver à queue de vat, larve d’élophile ou d’éristale. Ale waar veel aalmanens in zitten, is hare jeugd kwijt, en wordt bij dc boeren minder gezocht. ·
· AALPOMP(E), v. Pomp om de ale uit den aalput in het karteel over te pompen.
· AALPUT, (wvl. ook AELPIT), m. Gemetste put waarin het vloeibaar mest uit de stallen samenloopt. Als de aalput vul is en dat men hem op den akker niet kan uitvoeren, dan ijdelt men hem uit in den aalkelder.
· AALREUTEL, m. Aalroerder, lange stok niet een dwarshout aan ‘t uiteinde, dienende om de ale om te roeren in den aalput.
· AALSCHIJTE (wvl. AELSCHITE, zie IJ), V. Bij landbouwers en veeartsen. De aalschijte hebben, wordt gezeid van eene koe wier drek dun is lijk ale.
· AALSCHIJTSTER, fr. Béte, bovine atteïnte de diarrhée chronique.
· AALSTOK, m. Bij landbouwers. Elk van de twee dikke draagstokken waarmede twee mannen eene kuip aal of bold in den akker dragen.
· AALVLIEGJE, o. Soort van zwart vliegsken, zeven of acht millimeters lang, dat men veel in en bij de pisbakken vindt.
· AALVOERDER, ALEVOERDER, m. Deze die met eene kuip op eenen kordwagen ale voert. De aalvoerders doen grooten arbeid.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>