Over prullen, prut en prutselen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     610 Views     Leave your thoughts  

PRULLE, v., mv. prullen, vklw. prulleke (iets zonder weerde, nietigheid, beuzeling), fr. bagatelle. Zich met prullen bezig houden. Zijn geld besteden aan prullen. Dat zijn al maar prullen. Al wat hij u daarover gezeid heeft zijn prullen. Een prulle van niet. Iets koopen voor eene prulle van niet. Zich gram maken en kijven voor eene prulle van niet. Een groote twist ontstond uit eene prulle van niet. Bekommerd zijn met eene prulle van niet.

· Logen om te schertsen, een bedrieglijk gezegde. Het zijn al prullen,( fr. des contes). Iemand eene prulle ophangen (hem iets wijs maken dat valsch is). Prullen vertellen.
· Slechte zaak, een dwaas of mislukt werk of gezegde, dat zwarigheden meebrengt of meebrengen kan. Die onderneming is eene geheele prulle. Hij heeft daar eene leelijke prulle uitgesteken. Het is eene groote prulle van zoo gevaarlijke artikels in de gazette te drukken. Ik maak niet van zulke prullen.
· In den zin van vodde, oude lap, zeggen wij plulle, palulle (en niet prulle).

PRULLEMAN, m. Die zich met beuzelingen bezig houdt, die gewoon is ijdele praat te verkoopen. Hij is zoo een prulleman. Ge moet u met zijn gezegde niet bekommeren : ‘t is een prulleman. Gij zijt een prulleman, ik geloof u niet.

PRULLEN, prulde, heb gepruld, o. w. Beuzelingen vertellen, schertsen, leugens verdichten om te lachen, ijdele praat verkoopen. Hij is bezig met te prullen. Hij prult geern, maar ik hoor hem niet geern prullen. Hij verdriet mij met zijn prullen. Dat prullen verveelde haar. Hij prult wederom.

PRULLERIJ, PRULDERIE, v. IJdele praat, logens en bedrog die niemand benadeeligen maar dikwijls vervelen.
· Bucht, dingen van geen weerde, beuzelarij.

PRULLEWERK, o. Onbeduidende bezigheid, werk van geener weerde, prullerij. Zich met prullewerk bezig houden. Al dat prullewerk is belachelijk.

PRUT, m., zonder mv. Gebrande chicorei in poeder, die men in den kaffi mengelt, of ook enkelijk op heet water laat trekken. Die prut is van den besten niet. Er is te veel prut in dien kaffi. Kaffi zonder prut. Ook Frut.

PRUTS, m. zonder mv. Bucht, steurie, brol, vodden, dingen van geener weerde. Pruts van boeken. Pruts van alaam. Gansch zijn huisraad is maar pruts. Den pruts verkoopen en het beste voor zich bonden. Pruts van volk (slecht volk). Het is al pruts (dwaze praat), wat die redenaar verkoopt.

PRUTSELEN, prutselde, heb geprutseld, o. w. Bronselen, mooschen, knoeien, broddelen, onbehendig iets verachten, (fr. bousiller). Wat prutselt hij daar? Een schoemaker of ander ambachtsman die prutselt.
· Prutselen aan. Die slechte schilder heeft aan dat tafereel geprutseld, dat het niets meer beteekent.
· Prutselen met. Die geneesheer prutselt met dien zieke.
· Afl. Prutselaar, Prutseling, enz.

.

.

.

Uit ‘Westvlaamsch Idioticon’ van 1873

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>