Over uitpeuren, uitpinsen en uitrakelen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     514 Views     Leave your thoughts  

UITPELLEN (wvl. UUT-),pelde uit, ben uitgepeld, o. w. Uit den dop komen, fr. éclore, sprek. van kiekens. De aandekiekskens zijn nauwelijks uitgepeld, of zij zwemmen al in ‘t water.

UITPEUREN (wvl. UUT-), peurde uit, uitgepeurd, b.w. Uitvisschen met de peure, of de sleepnet, of de palingschaar. Eenen vischput uitpeuren.

– Uitzuiveren. Het water van gekookte aardappels uitpeuren, of aleenlijk. De gekookte aardappels uitpeuren (er al het water van uitgieten). In dezen zin misschien beter uitpuren.
· Uitzoeken, uitziften. Die een woordenboek maakt, mag alles nauw uitpeuren. Die wrek peurt het al uit om geen centiem meer te betalen dan hij moet.

UITPIJKELEN (wvl. UUTPIKELEN, zie ui en u), pijkelde uit, uitgepijkeld, b. w. Met de pijkhouweele uitkappen, fr. extraire a coups de pic. Oude grondvesten uitpijkelen. Uitgepijkelde steenen.
· Zie PIJKELEN.

UITPINSEN (wvl. UUT-), pinste uit, uitgepinst, b.w. Pinsende uitknijpen. Een nageltje uit het hout uitpinsen met een nijptangsken. Zie PINSEN.

UITPLOEVEN (wvl. UUTTPLOUVEN), hetzelfde als uitploegen.

UITPLOOSCHEN (wvl. UUT-), plooschte uit, uitgeplooscht, b. w. uitdoppen, fr. écosser. Boonen of erwten uitplooschen. Uitgeplooschte okernoten.
· Uithalen, uitzoeken. Alles uitplooschen. Het beste uitplooschen. Die boek is slecht geschreven, maar er zitten goede gedachten in, die gij weet uit te plooschen. Hij plooschte geheel zijne geldkas uit om zijnen schuldeischer te kunnen betalen.
· b. w. met zijn. Uitgeplooscht worden. Die erwten plooschen moeielijk uit.

UITPLUIZELEN (wvl. UUTPLUZELEN), pluizelde uit, uitgepluizeld, b. w. Hetzelfde als uitpluizen. Eene oude koord uitpluizelen.
· b. w. met zijn. In pluisjes uitrafelen of losgaan. Versleten touwwerk pluizelt uit.

UITPULKEN (wvl. UUT-), pulkte uit, uitgepulkt, b. w. uitpeuteren, al pulkende uithalen. Een kork uitpulken dat als prop in eene flesch zit.
· Ook uitpilken.

UITPUREN, b. w. Zie UUTPEUREN.

UITRAKELEN (wvl. UUT-), rakelde uit, uitgerakeld, b. w. uitharken, met den rakel uit den grond ontgraven. Het onkruid van een wegel uitrakelen. Hij rakelde een oud muntstuk uit.

UITRATELEN (wvl. UUT·),
· Uitbabbelen. Wie heeft er dat geheim uitgerateld ?
· Iemand uitratelen, hem beklappen, iemand verraden door onbezonnen gebabbel. Let op dat gij mij niet uitratelt.

· In dezen zin hoort men veel uutruttelen.

UITREBBELEN (wvl. UUTR-), rebbelde uit, uitgerebbeld, b. w. Uitrabbelen, uitbrabbelen, haastig uitspreken. Wat hebt gij daar uitgerebbeld bij den gebuur?

Uit het West-Vlaams Idioticon van 1873

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>