Peegie en de stapel koekestuuten

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     469 Views     Leave your thoughts  

– Alla, zei de Eerwaarde. En ze duwde op ‘t elektrische belleke. Een potje koffie zal ons deugd doen en een koekestuutje met korenten. Peegie is op bezoek in het nonnenklooster.

– Wel, zei Tanite. En ze schoof Sint Gerardus wat verder op tafel. Ge moet geen ruzie doen, mamère. Me zijn niet ten achteren. M’heen djuuste geeten voor da me voorts kwamen.

– Wuk zouden we! zei Peegie.

– Zwijgt van dienen kleinen, bromde Tanite, ‘t es de punaize van mijn doodkiste.

Van zodra het belleken van Mamère gescheld had, veerde zuster Sofietje recht en spoedde zich met haastige tred naar de keuken, waar zusterke Marguerite de l’Enfant Jésus, met haar zilveren stemmetje, reeds verdoold liep van de ene kast naar d’andere op zoek naar koffielepeltjes en tasjes, brood ende boter.

-Spoed u, zei zuster Sofietje. Mamère belt geen twee keers. Mijn mage, mijn arme mage. En ze moeten schoffelen. Kan het missen da’k mijn gezondheid zie smelten lijk margarine voor de zon?

En Bikarbonadesoet, Alkasédiene, ol zever in paksgies. Z’hen hebben hier algelijk geen compassie met mij. Moeste ik Overste zijn? Enfin…De Profundis clamvi ad te Domine, Domine exaudi vocem meam. En voorts lamenterende vertrok het naar de paloir.

Zuster Sofietje en Marguerite dekten de tafel, stil en devotelijk, onder het alziende oog der Eerwaarde moeder.

Een prachtig tafellaken met grote vierkanten op…
– Verdorie, dacht Tanite, Tarzan heet de deze hier geleverd, diene lelijkaard!
En servetjes…

– Dat zijn der van Pietjie, ‘k Zie ‘t aan de grootte, je snijdt ze zelve… Es dienen loebas hier wok ol binnen gerocht’
En tasjes met bollekens op…
– Dat zijnder van Docus!
En een groot bord vol koekestuuten.
– Allà smakelijk, zei de Eerwaarde moeder.
– Smaakwoklijk !!

En Peegie pikte een dikke vette boterham van onder de hoop zodat heel ‘t gelunte ommeklaaide.
Tanite schoffelde de boterhammen bijeen en legde se terug op de hoop.
– Doet da nog ne keer! daverde ze. Zodat Mamere begon te beven van ‘t verschot ,
– En ‘k sla joen g…. of. E ge zijt olgelijk nen eindlijken bandiet gie! Peis je da je in de Pspercijne zit di? Ge moet hier schone manieren heen, verstaan?
– Je jaak. moedre!

En Peegie stortte van ‘t verschieten een klad koffie op zijn vers servetje.
– Eh snotverdomme gij lelijke pleute!
En Tanite’s machtige arm zoefde de lucht in
– t Is niekske. bibberde Mamèrè, die Tanite’s gestalte eenbaarlijk zag oprijzen, ‘t Is niets. Met een beetje zont. en ‘t zal wel uitgaan.

Tanite snakte Peegie’s servetje van onder zijn kin, zodat ge heel ‘t ventje met zijn stoel meekwam En ze wreef er ‘t zout vaatje in.
– G’heet chance vintjie, dat ‘t up joen beste costume niet en is, ‘k gelove da’k joe zou verdummeliercn !
Ze aten lustig door en Peegie peuterde de krenten uit zijn boterham en pikte hier en daar eentje dat er neven lag op tafel. Tanite sloeg op zijn handen en Mamère zei
– Laat het maar begaan ! ‘t Is teken dat het hem smaakt.
– Ziet zi, zei Peegie schalks
En langs zijn neus weg pikte hij er nog twee uit mamère’s teljoor.
– En waar is Peegie nu op school, mevrouw Tanite?
– Wel om ‘t ene te zeggen en ‘t andere niet te verzwijgen, en Tanite voelde zich enigszins op haar ongemak Z’heen hem buutengesjareld in ‘t college, ‘t had te veel jukte in zijn bloed, zei de Econome. Z’en kosten der gelijk genen pastre van maken den basis mankeerde.

‘n Stadhuiswoord da’k niet ol te goed versta. Basis, in ieder geval, en zijn geen centen, van m’heen der ten uptelle.

Verstand es ‘t wok niet, ‘t es ‘t booste vintjie van den Nieuwmarkt. Godsvrucht en kan ‘t niet zijn, van je loopt er scheef van.

‘t Is verzekers omdat zijn posteure niet en paste. Nu mamère me gaan der oes geen kwaad bloed in maken ‘t Es hem thuus en ‘t es wel thuus. Me gaan t leren leuren, den heerlijksten stiel dat Godjenneere in zijn rijk geschapen heeft.

-Zo, zei Mamère, in de grond is dat zo mis niet. Zijn broodje is op voorhand gebakken. En Peegie? Hebt gij veel geleerd op school?

– Ne gehele pot vul. Schone vertellingsgies weie en rare. Van Caicn en zijn broere, van Adam en Eva, Isaak en van Noè.
– Noè, vroeg Tanite, wat voor ‘n historie was dadde?
– Wel, zei Peegie: Noè zat ollene met geheel zijn familie up nen boot. t Water ging oltijd maar omhoge zonder uitscheen. Ol dat er up de wereld wos versmoorde: de stoute mensen, de garden, de controleurs, de gendarms. de kemels, de veugels en de vissen, ‘t Versmoorde ol dat poten en oren had. Maar Noë had olgelijk gelukkiglijk van ol de beesten er twee mee up zijnen boot: Nen leeuw en ‘n leeuwinne, nen ezle en ‘n ezlinne, nen tetting en ‘n tettinginne, ne paling en ‘n palinginne. j’Had zelve twee duustpoters mee. Dat wos ‘n sport, zei dc meester, ols de deze hunder kloefen ofdeden. En ols ze ol versmoord waren up de wereld. Noè, ging dan op het dek. En weet je wuk dat ne da dei?

– Nink. zei Tanite vol spanning
– Je stak zijnen vinger omhoge, om te weten vanwaar dat de wind kwam. En ton nog veel straffer Je liet een duve vliegen. Dat wos wel een groot mirakel, néé mnnère?
– Zonder twijfel, zonder twijfel.
– Mamère. bofte Tanite, Peegie kan olgelijk wel zijn religie néé? Es dat geen zonde Gods da zc daar genen pastre van gemaakt heen? Zc kosten der ton ten minste olgelijk nen patre uut krijgen.
– Dat is waar, knikte Mamère. Gods wegen zijn ondoorgrondbaar. Maar Peegie, ‘k zou toch eens willen een mooi fabeltje van u horen declameren
– Allé. zei Tanite Peegie hef joen g… Up en begun maar. Het gedicht ging over een paard, dat viervoetig huisdier, en daarna boog Peegie en tuimelde hij met zijn stoel op de grond.

Tanite was ontroerd en de zusters zaten paf .

Zuster Marguerite bracht voor Peegie een molentje in karton met veel goud belegd en bezaaid met parels cn een koordeke om er aan te trekken.
Tanite kreeg een bakske met een glazen deksel op en langs onder een driehoek met de oude Vlaamse spreuk: God ziet mij, hier vloekt men niet.
– Djuuste entwodde voor mijn pere, riep Peegie.
– Voor uw vader vroeg zuster Sofietje verbaasd Vloekt die?
– Maar ba neen hij, excuseerde Tanite, maar Peegie kent ‘t verschil niet tussen nen echten en ncn volsen
Peegie was een en al vreugde om de mooie molen. Hij trok met vaste greep aan het koordeke en liet de molen draaien. Nu en dan trok het wat te straf, zodat het touwtje verstrikte. Maar zuster Marguerite bracht met engelengeduld het speeltuig weer in orde.
Tanite betoonde haar vreugde om het glazen bakske:
‘Hier vloekt men niet’
– ‘k Gaat boven mijn deure hangen, lispelde ze, dat ze het ne keer goed zien; Sissen en Tarzan. Met Pee den Ouden moet ik er niet aan begunnen. den dezen kan niet lezen, dienen olijkaard.

– Hee je nu ol zuster Margucritje bedankt. Peegie?
– Merci, zuster, zei Peegie, Hee je nog van dat tuig?
– Ai, gij schooier, bromde Tanite. ‘t kan ol gaan olzo zekre?
– ‘t Es maar een vrage, en Peegie trok zijn neus op.

Zuster Marguerite was ondertussen op haar crêpe slefkens geruisloos verdwenen en kwam blozend van fierheid terug met een Ons Heer op een kruis san stekjesdozen genageld. Eigen fabrikaat.
– Ni, zei ze. Wuk zeg je daarvan? Maar voor dat ik het u geef, Peegie, moet u ook een schoon complimentje voor mij op zeggen.
– ‘n Kleintje of een groot?
– Een kleintje.
Peegie zette zijn molen op tatcl. hoog diep en zei:

Bak ‘k doe

Mer djozef wos nog geen drie weken

Met Jan getrouwd..of hij dronk weer.

Het wos och God, zijn oude zonde,

Nen droenkaard betert zich niet meer.

‘Zo was ‘t niet overeengekommen’

Dus sprak zijn vrouw….’G’en kan niet man,

Uitzetten en ook mij beminnen…’

Bak ‘k doe… zei Jan.

wordt vervolgd….