Peegie in de kakschoole

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     529 Views     Leave your thoughts  

Het was een plezier om Peegie te zien opgroeien. In ‘t begin lag het gehele nachten te kriepen en te tuiten. Tanite wilde dat Pee uit zijn bed kroop en er mee rondwandelde al zingend, tot het was ingedut, maar Pee zei: – ‘k Hee der affairens mee! ‘t Ga wel vantzelfs zwijgen ols ‘t moe getuit is. Daarbij ‘t moet n bitjie leren zijn stembanden oefenen… – G’ en heet geen herte gie, zeurde Tanite. maar ze bleef ook liggen en zo kwam het dat Peegie het schreien moe werd, ‘t was toch niets gekort.

Het heeft nu precies niet te lang van zijn wasmand geprofiteerd. Het kroop er op zekere dag mezinke alleen uit en botste met zijn schoon kopke op de vloer, ‘t Gevolg was een grote opzwellende buil. Sedertdien zette Tanite het ‘s morgens met zijn bloot achterkasteel op een grijze deken en Peegie kroop rond de keuken met zijn gatje voorop en het peuterde aan alles wat het vond, het vuilste het eerste.

Op een schone morgen stond het rechtop, het hield zich vast aan een stoel. Hoe bevallig hem daar te zien staan met zijn kromme pikkels en een rokske aan, met ne groten tutter in zijn smoelke, te zeveren dat het van hem liep. Het sjiokte rond lijk een kwakende gans en cijferde tegen Tanitens naaimachine en in Pee zijn kloefen.

Het trok al de laden open. liep verward in de streng sajet van Taniten’s breiwerk. Het hing aan ‘t tafeltapijt, zodat het spel meekwam, met tassen, teljoren en geheel de kom bruine stroop erbij. Het viel op zijn dik gat en kreeg gans de bazar op zijn kopke.

D’ eerste buil was nog niet verdwenen of ‘n andere rees omhoog. Zijn kopke was de helft van de tijd als ‘n omgekeerde pan om paardogen te bakken. Sint Niklaas had een schommelpaard gebracht ‘n schuifel en nen katsebal midden een hoop sneukeldingen. Het speelde gans de dag door. Tegen de avond lag de paardenstaart al tenden de Nieuwmarkt. Het was pas gewassen en geschuurd of daar verdween zijn wijsneusje onder een greep gesmolten chocolade.

Op zekere dag was het bezaaid met rode puistjes. Tanite zat erg in verlegenheid. Pee moest hals overkop aehter Knuppel, een soort wonderdokter. Knuppel trok zijn neus op, betastte de puistjes en mat hoe verre van mekaar ze zaten… “‘t Ja”, zei hij ”t zijn mazels of distle. ‘k Ga een flosselkie thee maken van pemen en dokwortes. Maar ge zoudt best doene van te gaan dienen.”

Tanite liep naar Belpairen’s aan het station om een potje nagels, gratis en ongeteld, en ging ze devotelijk uitstrooien voor de voeten van Sinte Laurentius bij de Grauwe Zusters. Ze stak twee kaarsen aan en prevelde: – Zoete Sinte Laurentius van mijn herte, maak dat oes Peegie niet ziek ‘n komt. Spaar het van de mazels en diergelijke. Ols ‘t olgelijk dadde is maakt da ze niet in ‘n slaan, maar goed uitkomen. Is ‘t de koek-aan-‘t herte-gespan of zit de kinkhoeste in de streke, laat dat passeren…. ge gaat er olle profijt van heen…

Ze miek langs achter in de kerk een schoon kruiske met wijwater voor honderd dagen aflaat en dan nog eentje en nog totdat ze er tienduizend had.

Peegie had de ene valling na d’andere. Tante en Bakovia gingen dan om de beurt gaan dienen: naar Kachtem bij Sinte Jan. naar Krottegen. bij Sinte Niklaas, naar Blazegies te Rumbeke en naar al de specialisten uit de omtrek tegen d’excessen, kolieken ofte keelpiene.

Als Pee den Ouden welgezind was kroop hij op de grond en Peegie mocht op vaders rug zitten en jutte-peedjie spelen Pee liet zich dan aan zijn oren trekken en aan zijn klak moorsen en was kind met zijn jongen.

Tante ging de zondag fier lijk dertig met Peegie wandelen door de Ooststraat. ‘t Was gekleed in een witte teddy met een rode pullemuts tot over zijn oren en witte getjes aan. Peegie hing aan moeders hand en liet zich nu en dan slepen lijk een aap aan een slingerplant, zodat het op de grond terecht kwant Zijn teddy was pottezwart en zonder er verder over te mediteren gaf tante hem daar een opstopper zodat ‘t vent|e gans de straat op stelten zette.

Zo schreeuwde het. Tanite tierde en hield een lawaai van alle duivels en liet Peegie alleen achteraan slenteren. Iedereen zei dat Peegie zulk een bevallig manneken was. Tante geloofde het en om te zeggen lijk het is, ‘t was een schoon: golvend zwart haar, blozende dikke kaken, twee pientere oogjes die pinkelden van gezondheid, ‘n olijk smoelke en flink uitgegroeid buiten zijn kromme pikkels.

Toen Peegie zo een jaar of vijf was, moeht het naar school bij de zusterkens, – t schietschoolkie.. Geduffeld als ‘n eskimo, met dikke wanten zonder vingers aan en gekleurde kloefkens versierd met koperen nagels trok het mee met Pietje Kadul een dertienjarige knaap, die mee ging voor de leute.

Aan zijn arm hing een blikken koker met een hondje op geschilderd, waarin een boterham met een reep chocolade. Zuster Adeltrude werd goed op het hart gedrukt dat ze speciaal voor Peegie moest zorg dragen. Dat het geen vollinge kreeg, in zijnen broek niet ‘n cijferde en geen koude voetjies kreeg.

Nu en dan gaf Tanite ‘n cadeautje mede.

– Meï een klutsgie fiegen, zei ze en ge kunt er ol van bekommen da je wilt.

Peegie leerde schietgebedekens, godvruchtige en andere… De gewijde geschiedenis met haar wonderbare verhalen interesseerde hem buitenmate. Het droomde ‘s nachts van Caïn en Abel.

Caïn? Dat was nen droeven, zijnen rook ging omlege en de rook van Abel ging omhoge, vertelde het tegen Tanite.

– Wuk nen rook? vroeg Tanite, die niet de eerste letter ervan verstond.

– Wel, Abel verbrandde één van zijn schapen, ‘t Wos ton nie vele wind zekre, van de rook ging omhoge, om God te behagen.

Maar Caïn pakte den ofvol van karoten, spruten en kauwels en verbrandde dadde. Maar de wind kwam up en zijnen rook ging omlege, zo dul wos God up hem. Caïn wos jaloers van zijn frere, j’heet ton nen poot van nen eezle gepakt en Abel dermee naar ‘t pierenland geslegen.

Maar Gods stemme zat der aehtre, achtre Caïn… en geheel zijn leven lang heet ‘t ne het meugen horen : Caïn, Caïn, Wuk hee je nu uitgestoken?… J’es ervan dood gegaan.

Peegie sprak van God lijk van zijn broeder! Het zei dat Eva een schaap was. (de zuster had gezegd: geschapen). Dat God ne vint tekende in de klijte en der ton nekeer gildig in blaasde, lijk in nen luehtballon en ols ‘t ne upgekommen wos, riep Hij met luide stemme: Adam sta op!

En je stond up, vaagde d’eerde van zijn kleren dat ‘t ne niet aan hadde, en je ging gaan wandelen.

Ol ‘t ne hem daar olzo moedermins ollene liep en hem begoste te vervelen, had God compassie met hem dat er nog geen vrouwvolk was waartegen dat nebitje koste kouten, J’heet ton en rebbe gepakt uit Adam en Je stak de deze in Eva.

– Moedre had re zij ton maar een rebbe?

– Ja vintjie hoe zou kik da weten? ‘k Was der nie bij. weie!

Tanite luisterde met veel verwondering naar al die schone dingen. – Hoe dat da mannegie dat ol onthoudt? ‘t Es enig. Ze was vroeger nooit op school geweest, ze kon lezen noch schrijven en wist van de religie al niet veel meer dan datgene wat de deken de zondag van op zijn predikstoel wilde kwijt zijn.

Op een goede zondagnamiddag toen ze een koetong hadden binnengspeeld kwamen Sissen en Tarzan hun facies binnensteken om een potje koffie te proeven. Sissen speelde een tijdje met Peegie en deze profiteerde ervan om Sissen aan ‘t vertellen te krijgen.

Ze noemden Sissen de ‘Godvruchtige zattepulle’ op de Nieuwmarkt. Geen leurder kende zo goed de gewijde verhalen als Sissen en iedere keer dat hij aan ‘t vertellen ging, deed hij er nog ‘n schepke bij.

Na lang vragen en bedelen, begon hij dan zijn histories uiteen te zetten met kanten en bouten, op voorwaarde dat iedereen luisterde en zweeg, wat allen graag deden.

Toen begon Sissen aldus:

– Adam en Eva kwamen goed overeen in hunder park. De peren en d’appels waren geheel ‘t jaar deure rijpe en up geheel de wereld ‘n wos er gene vorten andjoen te vinden. Ol de wilde beesten waren ton nog tem. De leeuwen gingen up schok met d’ ezels, de tijgers met de keuntjis, de katten speelden niet de muizen; de vlooien beten niet, de meuzen staken niet en de distels pikten niet.

Maar ol met nekeer van met dat Eva. dat dom kraam in den appel gebeten had, en Adam, deen haze. wok!

‘t Spel veranderde subiet. D’appels en de peren vielen of, d’andjoens begosten te vorten, . de distels pikten, de katten fretten de muizen op, de tijgers de keuntjes, de leeuwen d’ezels. ‘t Vochte ol da poten en oren had.

‘t Kwam nen Engel ondersteboven uut den hemel getuumeld, met een djakke van vier.

-Hef junder buuten, rie ne. Heraus! Appelfretters!

Ge kunt giendre olgelijk niemendolle gerust laten. Dadde zijn toch endlijke dingen néé met jundre.

‘t Es gedane met lange te slapen en ‘t schoon leven. ‘t Ga van nu voorts warme en koud zijn en ge met toekommen met de kleren da je aan junder lijf heet.

Ge kunt jundernen kost zelve gaan verdienen in ‘t zweet van uw aanschijn.

– Wuk moeten me ton doene? vroeg Adam met den daverare up zijn vel. Eva en had niet meer te piepen…

– Gaan leuren! zei den Engle. – ja, ja. ‘k versta ‘t… maar ols me niet verkopen?

– Ge moet ton maar gaan doppen.

En ton begost het voor den eersten keer te regenen up de wereld dat ”t zikte” en te waaien, zodat ze hunder moesten schoren om enigte blaren van de bomen thope te foefelen voor een kleed en ‘n schabbe te maken.

– Ja. ja. klapte Tanite voorts, dat ‘n waren olgelijk maar dommekuls. Nu ‘t es oltijd ‘t zelfste in ‘t leven. Die ‘t niet en heen. schooien derachter en die ‘t heen, smijten het deur vinsters en deuren.

– ‘k Zie ze kik ol gaan, zei Tarzan, met hudernen steert ingetrokken. Dat ‘n dei verzekers maar vies olzo joenen bon krijgen en ‘t vier aan de schenen geleid zijn van nen engle. ‘t Wos verzekers van schuift uit de route…

– En sedertdien, vervolgde Sissen, hee’t mannevolk moeten ‘n klakke dragen en ‘t vrouwvolk hoog hielkies, en hij schoot in nen lach.

– Hewel. Sissen, ge kunt gij olgelijk goed vertellen, smekte Peegie. Ken je der nog?

– ‘t Is nu aan joenen toer, mannegie. ‘t Is voor entwodde da je naar schole gaat! Toog nekeer wuk da je olzo ol kent.

– M’heen geleerd van Abraham en Isaak!

– Allé, zei Tanite. vertel ne keer zere wuk voor een historie da dadde wos.

– Wel. God zei tegen Abraham: Abraham teure achter joene zeune en kap zijn hoofd of!

Dat wos om te weten ols Abraham da ging doene, dat God dat zei. ‘t Wos eigentlijk voor de leute… Maar Abraham wist dadde niet.

– Gauw, zei Abraham tegen Isaak, pakt nen bussel hout uit ‘t koolkotjie en draait er een sterkte koorde rond. Vergeet t kapmes niet. ‘k Ga joenen kop afkappen. En Isaak dei dadde. Ze gingen te voete langs de Hoogleedse kolsie, den berg van Hooglede up.

Abraham die ol nen ouden vint wos, negen honderd jaar en twee weken, zweette nogol stijf en je moest olle stappe ‘n bitjie stille staan om uit te rusten. Isaak ‘n dei zijnen mond niet open. Je peinsde te vele up zijnen kop.

Ols ze den berg van Hoogleê up waren, zei Abraham langs zijn neuze weg: Leg joenen bussel daar maar nere en leg joen drup.

Isaak, denen tjotelare, dei dadde. Abraham pakte zijn kapmes, je keek ols ‘t goed geslepen wos, wreef der nog ‘n bitjie zijnen wetsteen aan. Ton speektege hij nog nekeer up de grond om coerage ‘t heen en ‘t spel begoste.

Je lei zijn een hand up Isaak zijnen buuk en perdaf… met nen groten zwaai ging den anderen m de lucht…

– Moord! riep Tanite…

– Olmetnekeer, vervolgde Peegie. je kreeg zijnen arme met dat kapmes niet meer omlege, je wos stakestijf. ‘t Stond daar nen groten duvle van nen engle in de lucht, met een wolksgie onder zijn voeten. J’had Abraham vaste bij zijnen puls.

– Halt. riep ‘t ne olzo, halt Abraham! scheed nu maar uit!… God es ol blij genoeg. Je sloeg zijn vlerken nekeer of vier thope en schoot lijk nen schicht den hemel in.

Isaak verschoot hem hijkans dood en Abraham liet zijnen arme zakken Gauw. zei ‘t ne. en je vaagde zijn zweet of, gauw hef joen doze up en vergeet joenen bussel niet vint; ‘t es kwarijgs. Me gaan naar moeders.

Ze strompelden traag den berg af. Isaak was toch zo blij dat zijnen kop niet af gehouwen was. Alle stappe tastte hij er aan. Hij was in de hoogste hemel omdat hij een engel van dichtbij gezien had. ‘t was zulk een gildige, met pluimen en vlerken op zijn rug, al rood en goud en purper, precies de zuster van Pietje Kadul als z’in de processie gaat, maar een weinig groter.

-Zeg moedre! Isaak heet daar ‘n kwart chance g’het néé?

-Jaa’j me mannege, ‘k gelove het een bitje. Wukke vreê dingen zijn dat toch ollemale… wuk gan me nu nog ol horen?

Waar halen de nunnen dat uut? Zijn dat toch rare tijden da me beleven?

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>