Petat’n in de pele

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     634 Views     Leave your thoughts  

achterkommertje : jongste kind uit een familie met groot leeftijdsverschil.
broewre : broer.
goe menoajze : een goede gezinsrelatie.
joenges : kinderen.
joenkman : ongehuwde man.
joenge dochter : ongehuwde vrouw.
kennisse : een bekende.
meetje : oma, stokoude vrouw.
peetje : opa, stokoude man.
speelvojoazje : huwelijksreis.
vint : man.
voader : vader.
wuf : vrouw.
schonbroere:schoonbroer
schonzeune:schoonzoon
overgrotvoader(moewder):overgrootvader(moeder)
noenkel:nonkel
kozien of kozzen:neef
e verre kozzen of nichte:een achterneef of nicht
.
Voe de poar sukkeloars die nog gin Westvlams verstoan (Uls! Kiekens!) ek’ er ton moa de vertoalinge bie gezet. Ge ziej det: k’ zien noch de slichtsten nie!
Ot de melk smakt noar stront, is de koeie oegezoend: als er zich problemen voordoen, kun je maar beter op zoek gaan naar de oorzaken die eraan ten gronde liggen
.
Beter een blende ip je dum, dan een plumme zoender gat: draag zorg voor je flesje bier op plaatsen waar je door omstandigheden vaak een onverwachtse en ongewilde duw te beurt valt
De kiekens zitt’n deure den droad: dat meisje daar draagt geen beha
Ge ziet der an gelik me de schiette: welke truuks je ook uit je mouw schudt gedurende het verdere spelverloop, ik ga winnen.Wat je ons ook wilt wijsmaken we geloven je toch niet.
Giv moa pulle of goaze: zorg er maar voor dat het snel vordert
Tis al gin ‘oar snien: het is niet allemaal even gemakkelijk
Kuust mo je schipp’of : maak maar dat je weg komt
‘k goan daddier ekeh rap goan doen : ik zorg er wel voor dat het zo snel mogelijk in orde komt

Te dom vor ooi teet’n: zo dom als t achterste van een koe
Joen oend in zien zak biet’n dat t’oar aje mulle plakt….: zo’n miserie hebben dat..
’t Fienste is ook zen ‘oar : hij is niet erg slim, doet nogal vreemde dingen De lucht ut doen : het licht uitdoen

’t Regent mollejoengn : het regent echt heel hard
Een vies meubel : een onaangenaam vrouwelijk persoon
’t Woait lik de vroede beisten : het waait heel erg
E stoet ransel : vrouw die niet op haar mond gevallen is
Jeet e twien e kloat ofgetrokk’n: Hij heeft iemand beetgenomen
Giv moa /sjette/gaaze/slunse/petrol/ : Begin er maar snel aan
’t Regent dat zikt: ’t regent mollejoeng’n :het is frem aan het regenen
Je kund’em deure de ghoote trekk’n: Hij is graatmager
tsjakut tsjakin: in alle richtingen, chaotisch
Ol da poowten en owren et: iedereen
Een bescheet’n commisje: iets wat je niet graag doet maar waarvoor men je in t gat gestoken heeft
De preut’ of zien : doodop zijn

Transponeern: verzetn
Brokkeloare: oen, sukkel, nietsnut.
O je med us wil koarten moej wel weet’n oewe daje de vierkoart’n moed utspreek’n in’t Westvlaoms: Ertes, Piekes, Koekes en Kloavers.
K’en me poane broek an:ik heb mijn velouren broek aan.
Wa zie je doar an t’schamateren:wat ben je daar aan het uitspoken.
Brikkoleren=foefelen in de zin van werken.
Met de poepers zitn:bang zijn
Jeet er e sperke van:hij heeft of doet hetzelfe als…
Ik voeln mien lik e slunse:ik voel mij niet goed of ziek.
ik gon gon maffen:ik ga gaan slapen.
ik zitn derdeure:ik ben zeer moe,ik zie het nie meer zitten.
k’zien zo stief lik e stoake:ik ben stijf ik heb overal pijn
e boanestoake:een mager persoon
t’go kattejoengn braoken:het zal weer zeer hevig gaan regenen.
Je komt bin’n ip ze sluffers:hij komt zeer voorzichtig binnen.
We gon ‘em e kloat oftrekken:we zullen hem eens beetnemen.
Z’is zie nogal e bitje ipgetuttematoajt:ze is zeer erg geschminkt of opgemaakt!
Je doe nie anders da vroent’n de heile dag:hij doet niet anders dan werken de hele dag.
’t Sop of zien:vermoeid zijn
Jeet an ze flassche:hij heeft het zitten,t’is aan zijn beurt.
E jin je bedde gepist deh:dit zegt men als men ergens vroeger aanwezig is dan gewoonlijk.
J’is tuureluure of jeet de poalinksteke:hij is dronken.
E roare toote trekk’en:een grimas maken
Allemolle tegoare:allemaal tesamen
Etwoarsten of iveranst:ergens
De soepappe van me wiel:het ventiel
’t Begint te noazen:het begint te naderen.
Van etwa kwoa persoensche ‘en:van iets een slecht gedacht hebben
J’is were koentekroafs:hij is weeral tegendraads.
Wa sloat den deen ut ze’n kloeffe:Wat zegt die daar(op verwijtende wijze)

T’is a junder toer:Het is nu jullie beurt

K’ent je nog gezeid: Ik heb je er nog voor gewaarschuwd

Je kost’er nieks an doewn: Hij kon er niets aan doen

Z’is ter nie goed van: Ze heeft het niet goed verwerkt

Je zeid’et nogtangs oak: Hij zei het immers ook

Dad’a je nie gepeizd é:Dat had je niet gedacht he?

Z’e je liggen: Ze hebben u in de maling genomen

Ze wierd’et beu: Ze was het moe

Je schart alles mee: Hij neemt alles mee

Je zied’et eran: Het is er echt aan te zien

Je zegd’eki wer’etwa: Hij praat nonsens –

Je kost’er nie ip kom’n :Hij kon er niet opkomen

Das biekans vo nieks: Dat is zeer goedkoop

J’eet deure:Hij heeft het in de gaten
Een ambetanterik: Een klaploper
Je moest’et’e ki weet’n:Je moest eens weten

Zeedet nogal e kè zit’n: Het is haar dagje niet

E karo w’emde: Een ruitjeshemd

Ku ‘kik joen el’m: Kan ik u ergens mee van dienst zijn?

E jet deure of e jet in de mot:Heb je het door?

Je drojt d’ie deure zé’er:Hij is zeker gek of een beetje zot

Jeet er e zootje va gemakt wè: Hij heeft er een rommelige situatie van gemaakt hoor
J’is ie ze’er e blokzwien?:Hij is zeker iemand die veel studeert?

Wa moe jen?: Wat had je zoal graag gehad

Wa zei’tie: Wat heeft hij gezegd ?

Wa doe’tie nu were: Wat doet hij nu weer?
Oewe stoa je do nu te kieken:Wat sta je daar nu te kijken

adjuns:ajuinen
bavette:een slabbetje
beschutten : beschuiten, geroosterd brood.
bloewoste : bloedworst.
blomme : meel, bloem.
blomsause : witte saus.
bootsje : boterhammetje(peutertaal).
brien : smeren.
buufstik, buustik, bistik : beefsteak(en), biefstuk, rundslapje.
crème : ijsje.
Conisjoangs:augurken
demie : halve liter bier(50 cl), grote pint bier(nu 33 cl).
dorre : eidooier.
dust : dorst.
druppel : borrel.
eet’n vo snugtes : ontbijt.
eet’n vo snoewes : middagmaal.
eet’n vo soaves : avondmaal.
foersjette : vork.
fluttebier(wijn) : bier (of wijn) zonder pit, minderwaardig brouwsel.
friesko : frisco(merknaam), balkvormig ijsje, meestal met een bovenlaagje van chocolade.
gekapt : gehakt.
geluksbintsje : borstbeentje van kip, bijgeloof : wie van 2 personen grootste stuk afbrak, werd gespaard van onheil.
gestampte patatt’n : aardappelpuree.
girnoars : garnalen.
groewsels : groenten.
grus kaffiegrus: zemelen koffiegruis
kaffie : koffie.
kiekefret : voeding voor de kuikens, minderwaardig voedsel.
kermesse : kermis, feestmaaltijd.
kèrremelk : karnemelk.
kalliesjestok : zoethout, snoepje.
koantjes : korrels van verhard varkensvet,gebakken reuzel.
kouke, kouksjes : koek(en).
koukebrowt : koekebrood, melkbrood.
Koukebrowt me rozien’n : krentenbrood.
zoewtekoeke : peperkoek, honingkoek.
lekstok : staafvormig snoepgoed.
mergpuppe : mergpijp.
neutebeschoate : noix de muscade(fr), muskaatnoot.
nunnetetten of neigerinnetetten : halve bolvormige cake met een laagje bruine chocolade, melo-cakes (merknaam).
oarink : haring.
onze lieve vrowtjes : gekleurd kindersnoepje in de vorm van een o.l.vrouwbeeldje of klompje(witdrop).
Perselle:peterselie
Pareije:prei,porei
petat’n, : aardappelen.
petat’n in de pele of kazakken: aardappelen in hun schil.
petat’n in den noov’n : aardappelen in de oven, aardappelpuree.
piekniekken : picknicken, letterkoekjes, bestaat ook in versie met torentje gekleurde suiker.
piente : glas bier.
pèrdepiese : urine van paard, bier of drank zonder pit, zonder enige smaak.
pèrdooge : spiegelei.
poater : abdijbier.
poallink : paling.
puddink : pudding.
pulle : drinkbus.
pateetje : gebakje, stukje taart.
reeke sjokla : reep chocolade.
servola : paardenworst.
sosiesse : braadworst.
sjiekoreie : chicorei.
adjunsowse : saus op basis van ajuinen.
sjieklitte : kauwgum.
sjieke : tabakspruim.
sjikons : witloof.
sjieke toebak : tabakspruim.
saloa : salade.
slapmutse : drankje vóór het slapengaan.
smoezen:het fijnpetten van spijzen in je bord
mulletrekker : pikant snoepje.
sulferblomme : zwavelbloem.
sjokela: chocolade.
sosieson : saucisson, boerenworst.
spekke : hard snoepje, caramel.
spekkepapier : papieren omhulsel van een snoepje.
stoverieje : stoofvlees, vlaamse karbonaden.
stikstje ip ze heiln: varkensgebraad uit één stuk.
sardien’n : sardinen.
taljowre : eetbord.
utsepot : hutsepot, alles door elkaar, eenpansgerecht op basis van groenten en vlees.
ooflakke, oofdvleis : preskop, hoofdvlees.
vès gerégeld : buikspek.
witte van ei : eiwit.
zjatte : tas.
zop : sap.
zwientjeskermesse : feestmaaltijd op basis van varkensvlees.
zwiennevleis : varkensvlees.
E mazoetje:bier met cola
E tempertje:maïsbloem vermengt met vloeistof om een saus te binden
Oentbein’n:ontbenen van vlees
Fiensnien:fijnsnijden
kapp’m:hakken van groenten of vlees

a’geliek : bijna.
alijk : toch.
ba h… : natuurlijk …, nochtans …
ba jooi : natuurlijk, deed hij dat.
ba joak : natuurlijk, deed ik dat.
ba neik : nee, dat niet.
ba nij : nee, dat deed hij niet.
ba nink : nee, dat deed ik niet.
ba nink gij : maar nee …
dawwe : indien we.
ba toet : jawel.
ba toet gie: maar natuurlijk.
j’eet, geet : jij hebt.
Je zoet : jij zou.
ik en : ik heb.
ik zoen : ik zou.
joak : ja, ik deed het.
joak zulle : jawel.
joam : ja, wij doen het.
joas : ja, ze deden het.
joat : ja, dit is waar.
joat toe toet : toch wel hoor.
jakkedoe : toch wel, ik doe het.
jakkendoe : nee, dat doe ik niet.
joam : ja, wij deden het, wij zullen het doen.
Jo medoent: toch wel, wij doen het.
jommendoen : nee, wij doen dat niet.
jooij : ja, hij deed het.
ken : ik heb.
koan : ik had.
kzoen : ik zou.
men, wen : wij hebben.
neek zulle : nee hoor.
neis : zij niet.
nie sjuuste : niet juist.
siejewel, zietse : zie je wel.
toet zulle : toch wel hoor.
omme : indien we, hadden we.
oonze : indien ze …
wa peisje : want denkt u.
zen : zij hebben …
wender : wij hebben.
We zoen : wij zouden.
zen: zij hebben.
ze zoen : zij zouden.
zoek wel : misschien doe ik het.
zoemme wel zouden wij wel…
zoetiewel : zou hij wel……..

e’n’ancien : vanaf 6 maanden bij het leger.
biermarsjang : bierhandelaar op ronde.
beistemarsjang : dierenhandelaar.
bleu : recruut, eerste 6 maand bij het leger.
blommiest : bloemist.
boeffer : beroepsmilitair, alles opeter.
burgemeister : burgemeester.
dopper : werkloze, stempelaar.
garde : rijkswacht.
dieplom : diploma.
gazepiet : gasflessenverdeler op ronde, gasventer.
karotetrekker, karotjee : plantrekker.
kant’nier : kantenier, kantonnier.
koolputter : mijnwerker.
kovekuscher : schoorsteenveger.
kunstemoaker : acrobat.
mekaniesjièn : mekanieker.
menoagewuf : ménage(fr), huismoeder, huishoudster.
metsediender : metseldiener, aspirant-metselaar.
metser : metselaar.
noenderpaster : onderpastoor.
nooge piet : hoogwaardigheidsbekleder.

paster : pastoor.
potraittetrekker : fotograaf, soms ook fototoestel.
plote : handelaar.
poater : pater.
rondloper : huis aan huis leurder.
champetter : veldwachter.
schoenmokkre : schoenmaker.
schriever : bediende.
slunsemarsjang : voddenhandelaar.
sint eloei : sint elooi, patroonfeest metaalbewerkers op 1 december.
spijzer : voeger.
stoelwuf : vrouw welke het stoelgeld komt ophalen in de kerk gedurende de kerkdiensten.
tantiest : tandarts.
tapietsierder : behanger.
tjoldre, tjooldre : harde werker, iemand die het moeilijk heeft om zijn doel te bereiken.
velomoaker : fietshersteller.
veterienair : vétérinaire(fr), veearts.
werkmens : arbeider.
witte kiel : bediende.
zandstuver : infanterist bij de landmacht.
zwaontje : gemotoriseerde rijkswachter.

achterklappen : iemand nazeggen, ná-apen met de stem.
achtersteek’n: vowrentrekken: iemand benadelen, iemand bevoordelen.
achter ’t gat : achter de rug, te laat, nadien, stiekem, zonder medeweten.
affeceren : avancer(fr), snel opschieten, vooruitgang maken.
affreus : affreux(fr), ontzettend lelijk, foeilelijk, overdreven.
afsmiet’n : afbreken (gebouw).
ofschoij’n : afschooien.
afschoepern : iets aftroggelen, afhandig maken.
akkellen : stotteren.
vanzelevens : reeds een ganse leven, voor zover ik het mij kan herinneren.
somtieds : soms, bij gelegenheid.
altroasie : verbazing.
ansturbansies : problemen, verwikkelingen.
ambrasseren : uitbundig omhelzen.
ofscharten : onmiddelijk vertrekken, zich uit de voeten maken.
a je klowten : reken er maar niet op.
iptijd : op tijd, tijdig.
bassen : blaffen.
bedissln : stiekem iets onderling afspreken.
bedoomd : beslagen, aangedampt.
momentje : ogenblik.
tonne : straks.
bemooisen : iets bevuilen, vlekken maken.
bendig : zuinig, spaarzaam.
bepowtelen : iets beduimelen, vingerafdrukken nalaten, handtastelijk zijn.
bescheeten kommisje : een misverstand.
Bie zen koljee pak’n : bij de kraag vatten.
blauw’n : smokkelen.
bloaz’n : blazen.
blekk’n : schitteren, blinken.
blieje : blij.
blitt’n, schreim’n : wenen.
Bloed spuug’n van coleere : bloed braken van gramschap – zijn koelbloedigheid verliezen.
boemvul : overvol.
bricoleer’n : knutselen.
buis’n : hard kloppen.
Butten smietten : afdanken, aan de deur zetten.
de radio verzet’n : een andere zender kiezen op de radio.
den duvel andoen : iemand pesten.
der twers deure : er dwars doorheen.
der were deure kom’n : herstellen van een ziekte, terug de oude worden [mp3].
‘t verste, ‘t verst ;het verst verwijderde.
deuredrooi’n : wartaal spreken, op hol slaan, zijn koelbloedigheid verliezen.
deureduwen : doorduwen.
deugnietrie : bedrog.
deur den band : dooreen genomen, gemiddeld genomen.
die vieze droait zot : de schroefdraad is beschadigd, de schroef draait door.
dowedip : op einde van je krachten, uitgeput.
doef, laf : zwoel, drukkend weer.
doom: damp, rook.
doppe drip : onmiddellijk daarna, zonder tussenpoos.
drollig : eigenaardig
effennip : oppervlakkig, alledaags, doodgewoon.
ermee ipgeschept zitt’n : er met bezadeld zitten.
fiejaskoo : fiasco, mislukking.
floe onscherp, onduidelijk.
foele : menigte.
foetr’n : vooruitgaan, vlotten.
gleddig : effen, glad.
spekkeglad : spiegelglad.
ge moe azo nie gepresseerd zien, edde ke e bitje pasensje : wees niet zo ongeduldig.
gebas’n : gebarsten, opengebarsten.
gekappelt : geschift, mislukte bereiding.
geklakt, opengeklakt : gesprongen (ballon), opengesprongen.
geldklopperieje : geen waar voor je geld krijgen.
geloan : geladen, zwaar geladen.
geplekt : bevlekt
gepresseerd :onder druk iets afwerken, gehaast zijn.
getieketakt : er op belust zijn, niet kunnen wachten om tot de aktie over te gaan.
gescheten en gebrakt, overoop en overende : enorm rommelig, warboel, alles overhoop.
gesmijerd : geplet.
getjoolt : gesukkeld.
zoppig : sappig, vloeiend, op zijn gemak, zonder moeite.
geistig : leuk.
gildig : ruimschoots.
geiren : graag.
goan nieuwjoaren : familie en vrienden bezoeken met nieuwjaar.
goeste : goesting, er zin in hebben.
Gereit moaken : klaar maken.
da besan nie: het geeft niet.
ietende bietende koet : bitterkoud weer.
j’ee gebirt tegen de wind zeekre : persoon met sproeten.
j’is paraplu : krom en scheef, in elkaar geplooid, onbruikbaar geworden.
J’ is ter deure : hij is geslaagd.
je piepte niet : hij liet niet van zich horen.
je verschoot’em en bulte : hij kreeg een bochel van schrik, hij schrok zich een aap.
je zat gestopen : gebogen zitten.
je zat t’er twes deure : hij zat helemaal aan de grond, op het einde van zijn krachten.
je zit versmowrd van’t geld : rijkkaard.
ingeduffeld : ingeduffeld, warm aangekleed.
in de reke : in de rij.
in friet’n : onherstelbaar beschadigd.
in ne stroent terten : in (honde)poep trappen.
i je nan klakken : in de handen klappen, applaudiseren.
in ze gat weun : in zijn gat wonen, iemand te veel verwennen, vertroetelen.
I ze liere droajen:iets smakelijk opeten, naar binnen werken.
ip de toafel klop’n : op de tafel kloppen, eens duchtig zijn mening zeggen.
ip toer zien : op de baan zijn, onderweg zijn, zijn ronde doen.
ip zen intje : op eigen houtje.
ip zen eigen : op zijn eigen, statuut van zelfstandige.
in zin roape schieten : in zijn rapen schijten, iemand zwaar beledigen, een relatie verzuren.
ipbloazen : opblazen.
ipgieten : opgieten(van koffie), aanvullen.
etwien deripleggen : iemand beetnemen, bedriegen.
ipzett’n : zich opsmukken, zich uitdossen.
ip zin pietsebeste : mooi uitgedost zijn, zijn beste pak dragen.
ip zen nuk, ip men nuk : hij zat gehurkt, ik zat gehurkt.
ip zen schoanst gezeid : op zijn mooist gezegd.
ipgoan : zick boos maken, opstijgen.
ipheffen : opheffen, optillen.
ipkotteren : opstoken.
ipkuuschen : alles opruimen.
d’erip peizen : er op peinzen , er aan denken.
ipsulferen : opofferen.
iptutten , ipgetut : opsmukken, bijwerken, opgesmukt.
jeun’n : zich amuseren.
k’zitten der e brokke mee in : ik zit er beetje met verveeld.
kalfoat’ren : knoeien, in elkaar flansen.
kaffiebal, kaffieklets : samenkomst met koffie, koffiekransje, roddeluurtje.
kardjasse geven : er een lap op geven, er snel met opschieten.
K’ent a min klowten : ik zit er mee, ik moet het oplossen.
kent mis ip : ik ben verkeerd, ik heb het verkeerd voor.
keure : keuze, kans, de kans krijgen, de gelegenheid krijgen.
kerjeus : nieuwsgierig zijn.
klappen : spreken.
kletsenat : druipnat.
klowieren : door de drukte heen stappen of rijden.
kwoad klap’m : kwaad spreken.
koekeloeren : zomaar rondkijken
koleire : woede.
konkelfoezen : onderling iets in stilte afspreken.
koejonneren : pesten, vernederen.
kommeren : kwaadspreken, roddelen.
Kommissje(s) : boodschap(pen).
kompasje : medelijden.
koentekroafs : met het achterwerk eerst, totaal verkeerd, omgedraaid.
koekegoed : zo goed zijn als een koek, te goed voor deze wereld.
koeroasje : moed.
krijtewit : lijkbleek, spierwit.
kuln : foppen, plagen.
lammeren : een bedrag neertellen, het gelag betalen.
lampetten : iets gulzig (uit)drinken.
leven moaken : (storend)geluid maken.
lijerschole : leerschool, ervaring.
ludde : hard, luid.
maffen : slapen, een dutje doen.
Me je kliekken e je klakken butten vliejgen : met hebben en houden eruit vliegen.
me pak en zak : geladen met pakken en zakken, alle nodige gerief bij zich hebben.
mee rusje : met moeite.
me zen stirt tussen zijn bein’n : afdruipen.
Meeklap’m : meepraten, meeveinzen.
memmen : morren
mutt’n : ruiven, pluimen verliezen.
verklappen : zich verspreken, onvrijwillig iets openbaren.
mispakken : zich vergissen.
moederziejle aliene : gans alleen.
moager lik e pannelatte : graatmager.
mowschen : onhandig bezig zijn, ernaast gieten.
vernégliesjéren: nègliger(fr), verwaarlozen.
e keir ip e weg : af en toe eens, een zeldzame keer.
e snak en e beette : brutaal en nors antwoorden.
e vroenk deran geven : iets omwringen of ombuigen.
e trek geven : er een slag op geven.
nis : zacht, smeerbaar.
nie klapperig : het was er stil, de dialoog verliep moeilijk.
Nie me mee zien : de tel kwijt geraken, moeten lossen.
nistig : naarstig.
no de klowten: het is om zeep, naar de knoppen.
scheif : schuin.
oeresjanse :een grote kans hebben, veel geluk hebben.
oklugoaries : verwikkelingen, bijkomende complicaties.
andenals : om den hals(oud nederlands), naar de knoppen, naar de vaantjes.
ontzieën : er tegen op zien.
oflezen : aflezen.
overechts : andersom, : averechts, verkeerd, achterste voor.
opensmieten : iets uit elkaar nemen.
overeffen : zich overheffen, iets boven zijn krachten opheffen of verplaatsen.
verzopt : ondergedompeld in een vloeistof.
parlesanten : met veel woorden weinig zeggen.
parlee : praats.
peizen : nadenken.
tjafflen : moelijk stappen.
pasensje : patience(fr), geduld.
pielerechte : kaarsrecht.
briel’n : prutsen.
piessen, zeik’n : plassen, wateren, urineren.
plukkevort : helemaal rot.
Poje lappen: iemand een voetje lichten.
poepgooij’n : niets te doen hebben, lui zijn.
poerdroge : kurkdroog.
pompaf : buiten krachten.
pottezwart : zo zwart als roet.
preus : fier.
Partieje trekken : iemands mening delen, iemand bevoordeligen.
‘t sop of : radicaal uitgeput, totaal uitgeput.
rammasseren: ramasser(fr), verzamelen.
rappelleren : eraan herinneren.
rats der neffest : ernaast.
rats versleten : op de draad versleten.
riebedebie : er van door, met de noorderzon verdwenen.
riejen en rotsen : alles afdraven.
roefeln : grasduinen, door elkaar halen om iets te zoeken.
roespeteren : redetwisten, negatieve kommentaar geven.
ruzje moaken : ruzie maken.
saluweren groeten.
seffes, seffest : seffens, onmiddelijk.
scharten : krabben.
scheifsloan : iets gratis op de kop tikken.
schietteschuw : ontzettend bang.
schiettewit : bleek van de schrik, lijkbleek.
schorteblauw : blauwe vlekken, kneuzingen, bont en blauw.
sjcharten : krabben.
sjchruln, tiern : hard roepen.
slieren : glijden.
steeg van afgoan : een moeilijke stoelgang hebben, moeilijk te overtuigen van iets.
stront reg’n : aanhoudende regenbui.
smekken : smekken, met open mond (vol speeksel) het eten kauwen.
smèr’n : smeren.
smeieren : platdrukken, pletten.
smietten: werpen.
smowren : roken, er is veel mist.
smoetrijke : steenrijk, ontzettend rijk.
sneuklen : snoepen.
snuffel’n : typische neusgeluiden bij een verkoudheid.
snokken : rukken, trekken.
spuggen : spuwen, sproeien, spuiten.
sturten : vloeistof morsen.
pekkedonker: pikdonker.
stiendroenke, poepeloere zat,: stomdronken.
stokkestief : stijf
strie’n : strijden, zich kwaad maken.
stroente … : zéér …
stroente zat : zéér dronken.
stroente vies : zéér slecht gehumeurd.
stroente koud : bitter koud.
stroente vuil : zéér vuil.
stroente koud : zéér koud.
stroente vort : helemaal rot.
stroente beu : het erg beu zijn, er genoeg van hebben.
stroentweerre : rotweer.
stupt e e ki : buig je eens voorover,.
sturten, gesturt : morsen, gemorst.
zjuuste : juist.
teine achter tander : de ene gebeurtenis volgde de andere op.
t’gieng doarr vreit sjchurdig an toe : het ging er daar erg aan toe.
te powte : te been.
tegoare : samen.
kloeffe derip : er juist bovenop, in de roos.
te zochte : te zacht.
Ip tende : op het einde.
T’is geleen van … : het is geleden sinds …
T’is gespogen, gegoten em,j’is terut gesneen: hij lijkt sprekend op hem, hij heeft zijn negatieve trekjes
keirdekeh wére: ga eens terug.
thuswiezzen : de herkomst vaststellen van iets of iemand.
twieflen : aarzelen, sukkelen.
tiedpasseren : de tijd doorbrengen.
toekom’n : aankomen, ter bestemming geraken, juist genoeg hebben.
t’onze : het onze, onze eigendom.
tralala : poespas, toeters en bellen.
t’trekt’ier : het tocht hier.
treuzeln : aarzelen.
tummelette : vallen met bijhorende salto.
toppezot : stapelgek.
toope : samen.
tooppe gekoekt : samengeklit.
toopesmeeten, : iets slordig samenstellen.
tooppekom’n, tegoarekom’n : samenkomen.
tooppestee’en : iets samenstellen.
toopegeprest : samengeperst.
toopegestukt : samengedrukt.
tureluut : van de kaart, niet meer alles op een rijtje hebben.
tutte : fopspeen.
T’go nie goe : de relatie loopt mank, er heerst een minder goede verstandhouding.
T’is zwemwere : het was prima zwemweer.
t’go je e koentje voaren : je zult het niet meer zo comfortabel hebben.
e kiend koop’n : bevallen van een kind.
e népe geven : in de huid knijpen.
utspo’en : iets uitspoken.
oardig : eigenaardig , misselijk, onwel.
tt trekt ip gin klowten: het lijkt op niets, het is niet mooi.
va zin neuze moaken : zich kwaad maken.
vantieds : regelmatig.
vant’siets : aan de zijkant, langs de zijkant.
vant’wersten : dwars , dwars erover, dwars liggen.
van ze latte geven : plots heftig te keer gaan, amok maken.
van ze sus valn : bewusteloos worden.
veezln : fluisteren.
Vierkant’ utlachen : iemand bespotten.
vies ipzicht : nors uiterlijk.
verdoen : verkwisten, geld uitgeven.
verbloeit : verschroeid door de hitte.
verschoeperd : enrstig verbrand.
vermassakreren, vermowschen : kapotmaken.
vernikkelt : niet kunnen wachten, ongeduldig zijn.
verrompeld, verrumpeld : gekreukt, vol met rimpels.
verschiet’n : schrikken.
verslunst : verwelkt, verwaarloosd.
versmowren, versmowrd : verdrinken, verdronken.
verwoateren : verwateren, dit ook willen eten, hebben of meemaken.
verwooit : verwaait, in de war zijn.
utweun : een woning verwaarlozen.
verzendertjesdag : 1 april, dag van de aprilgrap, b.v. iemand om 100 gram klompenzaad(nep) sturen.
ves : vers, fris, zopas, daarnet.
vloan : afstropen.
vowrenleezn : voorlezen, voorbidden.
vowrentrek’n : voortrekken, iemand bevoordeligen.
voniet : gratis.
verlezen : sorteren, één voor één bekijken.
verfrommeld : gerimpeld, gekreukt.
vulle manieren : onkuisheid, seks bedrijven.
vulle parlee : vieze praat, schunnige praat.
vulle zeiver : vuilpraat, vunzige praat.
vreid : wreed, erg, ontzettend.
wakkig : vochtig.
we zit’n in t’slameur : wij zitten in de rommel.
were zeggen, deure zeggen : terugzeggen, doorvertellen, rondbazuinen.
wegbloazen : wegblazen.
wegslieren : wegglijden.
weun’n : wonen.
werren : zich weren, zich inspannen.
zieg’n : zingen.
zeeg’nen : zegenen.
zeire : rap, snel.
zeiveren : kwijlen, zeveren, onzin uitkramen ook lichte regen.
zen brouk verwarmen : een slag op het achterste geven.
zen vet geven : een pak slaag uitdelen, een rammeling geven.
zochte : zacht.
Zuppende nat, zeikenat : druipnat.
zottenalf : half gek zijn, dol van vreugde zijn.
zin gat gedrooid : hij is pas vertrokken.
zinnen stirt intrek’n : op zijn stappen terugkomen.

Cursus West-Vloams
1: Kontraksies / (ook: toapetrekking’n of tegoaretrekking’n)
Int Westvlams kujje dikwils gijlle zin’n vervang’n deure ein woord, azo e bitje gelik in ’t duts mo ton nog ekstremer. ‘k goan e keh e simpel vorbeeltje geev’n omt e bitje duddelikker te moak’n.
O je int ABN wil zeggn: “Ik kan U verzekeren dat ik de door U zopas
aangehaalde acties niet ondernomen heb”, ton ku je gijl die zinne
in ein ki int ‘Westvlaoms zeg’n: “Jammojakkendoe”.
Zo simpel ez da dus, ge ziedet, Westvlaoms is zo simpel lik dat ’t growt dis, en lik of damme getoogd en: wiender zegg’n alles korter, dus t’is nie da we stief groot doen!
Nog e poar voarbeeld’n:
-Hoatgoanjoat: Gelieve in de actuele omstandigheden van enige kalmte blijk te geven
-Geziegiezekerzot: U vergist zich schromelijk
-Bielangenie: Ik kan U met aandrang verzekeren dat hetgeen U beweert geheel en al uit de lucht gegrepen is
2. Utdrukking’n

3. Vervoegingn van onvervoegbaore dingn
Der zien e geileboel persoann, zowel in ’t ienkelvowd gelik int’ meirvowd, mo ge moe nie peizen dan ze doar in’t ABN e twa mee doewn. Da moe ekeeh gedoan zien, en wa ister nu beter dan’t Westvloams voe do e ende an te moaken! We goan dor dierekt ne keh invliegen me e poar klassiekers:
JA
-1e persoon enkelvoud: Joak
-2e persoon enkelvoud: Joaj/Joag
-3e persoon enkelvoud: Joaj (mannelijk), Joas (vrouwelijk) en Joat onzijdig)
-1e persoon meervoud: Joam/Jow
-2e persoon meervoud: Joag
-3e persoon meervoud: Joas
NEE
-1e persoon enkelvoud: Neik / Neiëk
-2e persoon enkelvoud: Njeig
-3e persoon enkelvoud: Njeinnie / Nei (mannelijk), Nins (vrouwelijk) en Nint (onzijdig)
-1e persoon meervoud: Njiem / Nimm
-2e persoon meervoud: Njeig
-3e persoon meervoud: Nihns
4. Verdubblinge in onze toale
Gihtadde overre overolstnt, oej een tale begunt te klappn, moej de vervoeginge van zin e eehn ljirn. Int Westvlams es da wok ezoa. Mo bie oes es dadde nog een bitjen anders; meehn wulder nog de dubble vormn:
EEHN
-1e persoon enkelvoud: keeh kik
-2e persoon enkelvoud: geih(t) gie
-3e persoon enkelvoud: jeehd em (mannelijk)/ zeeh sie(vrouwelijk) / Theet tet (onzijdig)
-1e persoon meervoud: weehn wiedder
-2e persoon meervoud: geih giedder
-3e persoon meervoud: zeehn ziedder
ZIN
-1e persoon enkelvoud: kben kik
-2e persoon enkelvoud: ge zih gie
-3e persoon enkelvoud: jis em (mannelijk)/ zis sie (vrouwelijk) / tis tet (onzijdig)
-1e persoon meervoud: me zin wiedder
-2e persoon meervoud: ge zih giedder
-3e persoon meervoud: ze zin ziedder
5. Ne formidoabele woardnschat
Oster 1 toale vor olles en nogentwa goeklinknde woordn eeht, est ollik wel Westvlams zekers! Of wuk peisdjiervan:
-Affeceern : goaze geevn
-Andjoen: ajuin
-Antertn: vertrekken
-Antidns / Tielik: vroeg
-Oakre: zie Seule
-Ballanswoore, Juttekakokuhr, Renne: schommel
-Bollekette : een king-size knikker
-Buzze geevn: goaze geevn
-Kamelot: goedkoop en duurkoop
– Cornisje: dakgoot
-Deur: door
-Deure: deur
-Dilte: “zolder” boven stallen, dient op hooi/stro te stockeren
-Geistekakker: dikkenekke
-Ertefretter: een zeurkous
-Ersatz: vervangmiddel van mindere kwaliteit
-Fikke: een gebrekkig mens
-Flusj: vangtros
-Flutse: misser
-Frottn: flemen
-Furnin: ongedierte (bij insecten)
-Gerre: een gat, kier – bv. de deure stoat up e gerre
– G?s-oere: vrouwspersoon dat meestal in de struiken gevonden wordt
-G?s-gjeete: vrouw met de intelligentie van de gesoere maar met minder succes bij de mannen
-Gjil die santeboetik: heel dat zaakske
-In kweiste zin: Ruzie maken
-’t Upperste: de zolder
-Jeunn: zich amuseren
-Kariot: oud vehikel
-Keunesniederke: cuttermes
-Kissak: vettigaard
-Kluntn: onhandig mens
-Klutters / Kluttergelt : kleingeld
-Kontroarie: integendeel, tegendraads
-Kalisheklutser: nietsnut met grote mond
– Kortwoagn: kruiwagen
-Krudekoeke/zoetekoeke/pennepisse: peperkoek
-Kwihstje/kitzwonders: Ik ben benieuwd
– Lattestwoors: rolluiken
-Lettre: weinig
-Lochtink: moestuin
– Lutte geevn: goaze geevn
-Marbels/Marbeln: knikkers/met knikkers spelen
-Meuzje: mug
-Meuzel: boodschappentas/zak
-Messink :mesthoop
-Miern zjihkn: zeveren
-Mullepeehre/mot: klap in t gezicht (muilpeer)
-Oalkartjeel: beerkar
– Pallulle: Pannenkoek
-Pallullewuppre: Drogegrappenmaker
-Pekker: iemand die op cafe blijft hangen
-Pernikkel: klein, onbeduidend mannetje
-Pertank: nochtans
-Pielle: batterijtje
– Frutnier: wesp
-Porre: een goe gebouwde vrouw [kloeke porre], vandoar pur ytbreidinge oor meisje
-Preus/Preus lik tvjirtih: trots/ enorm trots zijn
-Puppegoale/Bakwoagn: kruiwagen
-Passensje: geduld
– Joen Puste skeurn: geniepig vertrekken
-Rutte: venster
-Rulle: meikever
– Sarze/Soaze: deken
-Sk(e)uttels, de sk(e)uttels doen: de vaat doen
-Skufln: fluiten, ook vogelzang
-Skurdug/Skurdugoard: roekeloos, roekeloos persoon
-Skuw: gevaarlijk/geweldig (let op het verschil in betekenis)
-Seule: emmer
-Sjette: wol
-Sjette geevn: rap voortdoen, goaze geevn
-Slunse : vod/vrouw met lichte zeden -cfr. den tring en den tram in derover ewist
-Sloare: sloor, arme vrouw
-Smeirlaprie: goederen van bedenkelijke kwaliteit
-Smuk [Smukk’n]: motregen [motregenen]
-Stoffoasje: materiaal
-Sturtn: morsen
-Stuttn: boterhammen
-Stuteskooijer: boterhammenbedelaar
-Tefeihte: direct
-Tettink: regenworm
-Tjeehle: Teil
-Jattetoet: jazeker
– Trunte: treuzelaar
-Ulle: deksel
-Ullewuppre: kroontjeswipper, flesopener
-Van tweistn: Dwars
-Verzekers: waarschijnlijk
-Veugl, veugln: vogel, ook figuurlijk, vandaar het werkwoord
-Vlerke, vleire: vleugel
-Vrommins: vrouw
-Wietn: onnozelaar
– Wikkeln / Roern: bewegen

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>