Petrus Franciscus Savatte, ik doop u

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     666 Views     Leave your thoughts  

Het was op een stemmige septemberavond dat het Mevrouw Tanite behaagde ter wereld te brengen in al zijn glorie: zonder haar, zonder tanden, zonder fatsoen en al lelijk doen ” Peegie” (uitgesproken ‘peejgie’) van de Nieuwmarkt, een rasechte en waardige afstammeling van Cyper, stamvader dezer vroede gemeente.

Het kwam op de wereld met een dorstige lever en een gezouten maag. Pee den Ouden bekeek met onverholen trots de wasmande, waarin zijn pasgeboren spruit lag te spartelen en d’ oneindigheid scheen toe te lachen en te bedanken omdat het op de Nieuwmarkt gearriveerd was.

Sissen en Tarzan, Sjutte en Savatte, Barbaraaigie en Bakovta zaten er rond, rond Tanitens bedsponde, deze grote familiegebeurtenis te bekouten. Het mannevolk dronk een ferme borrel Schiedam en ‘t vrouwvolk knabbelde suikerbollen.

– D’eerste dat Peegie gedraaid heet, pronkte Tanite. goudne en zelverne, lange en fijne, witte en rosne met amandelnotjies in.
– Me gaan t binnen nen dag of twee doen dopen, zei Pee den Ouden. Sissen, ge meugt petjie en Bakovia metjie zijn, als t met junder weerdigheid overeenstemt.
– ‘t Es oes zeer aangenaam, zeiden ze allebei.
– En wuknen name gaan w’ aan oesnen perluut geven? vroeg Tannite. De metre mag kiezen.

– Hewel, zei Bakovia. en ze beet een suikerbol in twee. k vinde kik nogol vele in Ourson.
– Hè ja, viel Sissen in, ‘t es nen raren name, maar je klinkt nogal schone, ‘t Moeten precies niet ol geen gelijkige zijn.

– ‘t Es dadde, onderlijnde Bakovia.

Twee dagen later trokken ze ‘s namiddags te drie uur met een koets naar de Sint Michielskerk. Peegie zat geduffeld in een schone witte sjaal van de zuiverste wol en Louise de vroedvrouw droeg het. Peter en Meter en Pee den Ouden zaten erbij en ze moesten zieh schoren om er alle vier in te kunnen. De koetsier had voor de gelegenheid zijn buishoed opgezet en witte linten aan de klinken vastgemaakt.

– ‘k En ga niet te zere meugen rijen, dacht hij. van met ol dat gewichte ‘t dinkt mij dat mijn ressords gaan deurebokken.
– Houd het ‘n bitjie met zijn kopkie in de zunne. Louise. zei Bakovia, dat ‘t schone warme heet.

En als ze voor de grote kerk kwamen gereden, insisteerde ze wel vier keren:
– Goed induffelen nèè. vroevrouwe. dat ‘t genen trek ‘n vangt. oes kleen kraam.
Langs achter in de kerk was alles gereed gemaakt. De koster en de onderpastoor van de week waren al gekleed en de ceremonie begon op staanden voet. De koster had niet veel tijd, zei hij
– Ge meugt niet te vele zout op zijn toensgie sturten zei zei Bakovia haastig, ‘t vintje es ol gezouten genoeg uut zijn zelven, ols ‘t gaat slachten van zijn pere, ‘t es ol te vele da je der op doet.

Pee den Ouden grolde even.

Als de Eerwaarde het kanneken water nam vroeg Bakovia ‘ Ols ‘t en bitjie verwarmd wos? En ols den onderpastre ging upletten dat ‘t niet te stijf ‘n verschoot? En gij Sissen teure zet nekeer
een stoel voor de poorte, ‘t trekt hier te vele.”

– Hoe zullen wij dat kindeken noemen? vroeg de Eerwaarde
– Bè ‘k hèè kik gepeinsd Ourson, zei Bakovia.

De onderpastoor keek verbaasd boven zijn brilglazen: Ourson madame, dat wil zeggen berejong.
– Da kan wel zijn, Menhere, maar ‘k hore kik da geerne en ‘t klinkt schone, zegt Sissen.

– Lijk of da je zegt, bromde Sissen een beetje op zijn ongemak dat hij de onderpastoor zijn gareel moest vasthouden.
– Dat gaat toch niet madame, misschien Ursus san Ursula?
– Ursus? niet te doene. zei Bakovia wrevelig. Ourson en daar mee uit.

– ‘k Zou het zere Peegie dopen, zei de koster, Peegie zeune van Pee. Wuk zegt de vader daarvan?
– ‘t Es ‘n gedaeht. vint, zei Pee gevleid, baja ‘Peegie’, noemt het maar naar zijn pere, den appel volt toch niet verre van den boom.

– Zwijg zere, beet Bakovia. de meter decideert. Zo lijk da me gezeid heen: Ours…
Maar voor dat ze nog de keuze had van te roespeteren klonk de zware stem van de onderpastoor in de Sint Michielskerk: Petrus Franciscus Savattus… Ik doop U in de naam de Vader, en deZoon en des Heiligen Geestes.
– Amen. zei Sissen en Pee sloeg een kruisteken.

Als Peegie voor de eerste keer water op zijn kletskopske voelde vloeien, zette het zijn keel rekkewijd open en ging aan ‘t schreeuwen als een bezetene..

De tranen sprongen Bakovia in de ogen. ‘t Ging dwars door haar hart.

– Mijn kleen kullegie, troostte ze en ze kittelde eens onder zijn kin.

– Zwijgen, potferblomde Pee, die zijn vaderlijk gezag wilde handhaven.
– Pee, ge zijt hier in de kerke, zei Sissen, God ziet oes, hier vloekt men niet.
– Hè je ‘t verstaan, gien olijkaard. siste Bakovia.
– Ga je olgauwe ollemale een bitjie zwijgen, gebood de onderpastoor.

Bakovia en Sissen moesten dan luidop helpen verzaken aan de pomperijen van de ‘duvle’ en Peegie kreeg de medalje en ‘n “sinctjie” van d’heilige Kindsheid.
Na de doop stapte Bakovia teweeg in de koets, maar Pee en Sissen trokken naar het café Roularius, reeht over de kerk.

– ‘t Es doop of ‘t es geen. loech Pee. Bazinne ‘n flosse champamper, me gaan oes Peegie wok nekeer dopen en binst da’k er op peinze, Bakovia, ‘k gelove da me vergeten heen van drinkgeld te geven, ze gaan oes leeg up heen…

Ni lopt nekeer naar ‘t kosterkie, ‘t zit verzekers nog in de doopvonte te moorsen.

Toen ze thuis kwamen stond de portrettentrekker Miel al gereed.
– Totetrekkerkie, zei Tanite en ze richtte zich schuins op, trekt maar nekeer goed zijn bekkeneelkie. En gie Sissen doe ‘n bitjie zot dat t schone lacht.

Allé, zei Miel en hij verdook zijn schone artistenkop onder n zwart doek achter ‘t toestel, ollemale rond Peegie… deuren toe vinsters dichte en d’hulle up tt vertrek, zegt nu ollemale ne keer pruim …en ge moet rechte in ‘t gatjie kijken, ‘t gaat daar ‘n veugelkie uutvliegen.

– Ne struusveugle zekre? gekscheerde Tarzan, die der ook rap bijwipte.
– Sssst… En ‘t was afgelopen.

– ‘k ga ‘t in mijn étalage zetten, junder Peegie, stoefte Miel.
– Doet dadde, vint. riep Tanite, ‘t es ‘t schonste mannege van geheel de Nieuwmarkt. Stik het maar in ne grote kadre met vele goud rond. Maar ols ‘t niet schone is “k schippe er mijn kloefen deure. ,

– Ge meugt gerust zijn, zei Miel en hij vergaarde zijn kraam. Sissen en compagnie waren habitués bij Tanite, bijna meer dan familie, ‘s Avonds kwamen ze rond de buizestoof palaberen. Het ging er over de triem, de eommerce, hun kwajongenstreken, de geburen, de rouwen en de trouwen.

Evenals de andere vrouwen van de Nieuwmarkt was Tanite de properheid zelf. Haar huis was altijd net onderhouden en ‘t was een schoon huis. De muren in de gang glinsterden van de witte marmeren bekleding, met hier en daar een krinkeling in. In haar salon stonden zetels en divans gans het jaar door overtrokken met witte batist, tegen ‘t vuil maken. Een grote luster, die ze gekocht hadden op speelreis, hing pleehtig aan een groen panen lint.

Hij was met gaze overtrokken, tegen de vliegeschitjies, beweerde Tanite! ‘t Was maar met de grote kermis of bij een familiefeest, zoals vandaag met de doop dat alles gestoft ontdaan en gebezigd werd. Buiten deze zeldzame gelegenheden was alles onder slot en grendel. Gelijk de andere Nieuwmarkters woont Peegie’s familie in ‘t stal. In de gang ligt er embalage in jute en degene die willen binnentreden kunnen zien dat ze uit hun kloefen stappen.

Vroegertijds leurden ze met vis en garnalen. Ze hielden trafiek met hun paardjes en karrekes tussen de kust en de stad en ze fourneerden geheel de streek van verse vis. Als ze ‘s avonds thuis kwamen, staken ze hun beestje in ‘t stal. Maar de tijd staat niet stil. Toen de eerste stoomketels op rails door Roeselare puften was ‘t gedaan met de trafiek. De vis kwam toe met de trein en met de slag lag hun commerce dood en begraven

Ze verkochten hun mooie ‘peerdjes’ en ‘karregies’ en trokken de wereld in met stoffen, zeep, zeemvellen, mortiers, peper en honderd duizend dingen en nog, die de mensen gemakkelijk aan de deur kopen. Aldus gebeurde het dat ze zlf hun stal betrokken.

– ‘t Was in Tanite’s salon dat de doopkermis van Peegie gevierd werd. ‘t Was een schoon feest met zes schotels en vijf verschillende soorten van wijnglazen voor iedere genodigde. Als ze dik en rond gegeten waren, kwam ern nog koekebrood op tafel, met krenten in, en cacao en voor het slot een grote taart met in vlammende letters erop: ‘Leve Oursonsgie’.

– Den bakker ‘n koste der olgelijk niet aan doene dat den onderpaster deen name ging veranderen, deen haze wok, excuseerde Tanite. Het stond er nu op en ‘t stond er wel.

Zo kwam het dat een gat in de nacht, Sissen en Tarzan, Savatte en Sjutte, arm aan arm, en zat als een patat, van het trottoir in de goot en van de goot op het trottoir naar huis veerden al zingende

c’ est l’amour!

En Pee-ee-gie slaapt-aapt toujours!

c’est l’amour!

En iedereen krijgt zijnen toer!

c’est l’amour..

En dan begon Tarzan opeens krampen te voelen rond zijn maag. Geheime kraehten grepen ernaar en duwden erop als op een spons zodat een borrelende fontein omhoog spoot en op straat terecht kwam. Hij schreeuwde als een verken dat gekeeld wordt. Sissen was nog nuchter genoeg om op Tarzan’s maag te duwen wijl Savatte zijn voorhoofd aehterover gekneld hield.

Tanite sliep zacht en droomde van ‘t eerste tandje en het eerste krulletje.
Pee den Ouden kroop op handen en voeten de trap op, vlijde zich in zijn vlobak en begon dadelijk te snurken als ‘n varken. Hij droomde van niet anders dan van kristalklare Schiedam en lichtgroene Pernod.

Peegie overdacht precies nog niemendal. Alleen was het gewaar dat zijn doeken nat werden. Pas had Tanite hem een verse doek om zijn zacht poepke gewenteld, of het kon niet nalaten van nogmaals dezelfde toer te spelen.

Dit is het inleidende hoofdstuk van het boek ‘Peegie’, geschreven in 1949 door Willem de Hazelt en uitgegeven door drukkerij Sansen van Poperinge.

In de nabije toekomst volgt het verder relaas van onze jonge spruit.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>