Peuren aan de Gapaard

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     459 Views     Leave your thoughts  

Een jaar of vijftiene geleden reed ik per velo langs de vaart van Veurne naar Lo. Zulk een tocht is een soelaas voor hert en ziele. Daar was nog een die ’t zelfde ‘peinsde: een bruine pater op blote voeten, die zijn brevier aan ’t lezen was en die stap en half zijn weg ging naar Lo.

Toen ik hem voorbijstak riep ik: – Goe devotie, pater Franciscus!

– Stop vent, riep de pater terug, kende gij mij?

Ik wipte van mijn velo af.

– Nee, pater, ‘k en kenne jou op geen duizendste part.

– Maar ik heet pater Franciscus !

– Van haar en pluimen zijde gij een echte Franciscus. En ‘k sloeg dus de bal niet mis toen ik op goed-vall-e-‘t-uit pater Franciscus riep. Je loopt hier ook zo dichte bij de vogels en de- vissen, en met de wind van, ’t blakke Veurne-Ambacht in je baard…

– Alle jaren kom ik voor enige dagen naar huis. Ik ben uit de streke. Ik heb hier gerooid en geriesterd in mijn jonge jaren.

Bij dat woord stak hij zijn brevier in zijn wijde paterszak. En samen stapten we te voete voort.

Binstwijle vertelde pater Franciscus reke-aan de fiorette van zijn jonge jaren… Dat schoot hem te binnen, omdat er langs de vaart een visser stond, die precies zijn peurhaak in ’t water sloeg en zalig ging zitten peuren.

– Zo ne peurder was mijn vader ook. En dat leer je zere achter. De helft van mijn vakantiedagen heb ik zitten vissen.

– Ja, ‘k kan ’t verstaan. Met je Franciscaans herte: de eenzaamheid, wind en wolken, nie reiger en ne zwerm kieviten…

– Nee, niet in de eenzaamheid, mijne vriend. Want ik had een maat – Thomas was zijn name – een kerel die een paar jaren ouder was dan ik. Hij liep geerne mee en zat geern naast me te kijken naar de dobber. Totdat hij zelve een peurhaak kocht en naast me te peuren zat. Een danige goe maat, die Thomas Maar met een lelijke plage: een droge kele.

Op een drietal steenworpen van onze peurplekke stond er een oude herberge, de Gapaard. Iedere keer dat we kwamen visen ging hij in zeven haasten een pot pakken. Potten pakken kost geld. En bij hem thuis waren ze hondegierig. Ze hadden voor zonelief wel een vislijne gekocht, omdat ze van mijn thuis wisten dat we met vele en lekkere vis naar huis kwamen, maar zijn ‘permis’ om te vissen moest Thomas van zijn drinkgeld betalen.

Thomas vond dat je je drinkgeld moest verdrinken – allee hoe anders dè! – en hij viste zonder permis. Och God, ’t gebeurde nog geen keer per jare dat de gendarmes kwamen controleren. En gendarmes zie je gemakkelijk komen hier in dat wijd en open gebied, waar je op een uur verre een zwalm rond een kerktorre ziet wentelen.

Zo zat Thomas dan met een gerust herte naast me te peuren. Jammer dat hij zijn eeuwige dorst niet meester was. ‘k Rischierde nu en dan eens een woordje om hem van de Gapaard weg te houden, maar ’t was al boter aan de galge. Integendeel, hij zat van langsom langer weg. Maar ’t kwam uit: op een achternoene toen ik weer allene zat, begon het te regenen. Ik liep één steke deure naar de Gapaard. Toen ik de deur openstak, stond Thomas met de schone dochter in zijn armen. Nu zag ik klaar. Thomas had in de Gapaard zijn peurderie voortgezet; achter Paulientje, de dochter van de Gapaard gevist.

Al is ’t van een pater gezeid, toch mag je ’t geloven: een verdomd schone dochter. Thomas was ook een pronte kerel, die daarenboven nog kon sjiek en gemanierd doen, als ’t in zijn kraam paste. De reste kan je met je ellebogen tasten. ’t Liep op een straffe vrijage uit. Toen ik hem betrapte, verschoot hij geweldig. Ik gebaarde van ko. Hij ook. En verder heeft hij nooit over die vrijage gesproken. Hij wist dat ik voor pater leerde, en tegen paters en nonnen wierd er vroeger over dien artikel gezwegen in zeven talen.

Maar die vrijage kreeg een steertje. De facteur die elke dag ’t Nieuws van de dag bracht in de Gapaard, had ook een oogje op Paulientje. Hij wachtte alleen nog op de okkasie om zijn liefde uit te spreken. Maar op een zekere noene is hij er op gekomen dat Thomas en Paulientje stonden te trekkebekken lijk duiver en duivinne. De fakteur vloekte binnensmonds gelijk een trimard. Dat zou niet lange meer duren. Hij had een plan. Hij was erachter gekomen dat die monsieur, die hem de kaas van ’t brood gapte, zat te vissen zonder permis. Wacht maar, kale ridder!

Veertien dagen later zei de commandant van de gendarmes tegen mijn vader, en dat binst hun wekelijks boompje bieden:

– ‘k Heb gehoord dat de vismaat van je zeune vist zonder permis.

– Klaps, commandant, zo ne treffelijke jongen.

– Vader vertelde ’t tegen mij. Ik verwittigde mijn vriend Thomas. Maar hij wilde van geen permis weten. Ik maakte hem benauwd. ’t Was toen immers een tijd dat vissen zonder permis, jagen zonder pordarm en pensejagen criminele baldadigheden waren. ’t Ging er niet in bij Thomas.

Maar op een herfstdag kropen de wolken met hun buik tegen de verte en de wind weisterde en buiste zo geweldig dat Thomas en ik dichte bijeengekropen waren achter onze peurhaak. Zo hadden we ’t gevaar niet zien aankomen. Ik sloeg ineens mijn ogen op en schreeuwde:

– Thomas, de gendarmes!

Thomas vloekte een grote vloek. Hij sprong tewege rechte.

– Blijf zitten en gebaar van ko, riep ik.

Ik sprong zelf op, liet mijn peurhaak in de brand en zette het op een lopen, een haze heeft er niets aan. De gendarmes – ze waren toen nog te voete – schichtten me achterna.

Ik schoot de brugge over, in de richting van Oeren. Ik keek naast me. En zag hoe ze zonder de minste achterdocht mijn maat Thomas voorbijliepen. Toen ik vijf minuten later achter me keek, zag ik dat Thomas al verdwenen was. Maar ik zag ook dat de gendarmes veld wonnen op mij.

De olijkaards liepen lijk in een koers, overhands kop. Ik liet Oeren rechts liggen en schoot naar Alveringem toe. God almachtig, ik won het op de gendarmes. Ze verachterden. Met nieuwe moed perste ik de laatste kracht uit mijn longen, maar ‘k hijgde en steende gelijk een oud wijf dat een moest een kind kopen…

Ik riep om hulpe naar mijn engelbewaarder en Sint-Maarten. En “k zag ne grote schelf staan. Ik liet me vallen en kroop wel tweehonderd meters verre in een diepe veure, rechte naar- de schelf. Ik klom er aan de achterkant op, ‘k foefelde mezelven in de gleis van de schelfkappe en wachtte, wachtte…

Nee, niet lange. Want de boer op zijn hof had ’t gezien. Hij zag ook de gendarmes komen, riep ze naderbij en verklapte waar ik zat, daar hij peinsde dat ik zo entwad van een Bakeland of een blauwbaard moest zijn.

Beteuterd gleed ik van mijn schelf af.

– Je … je … permis, steende de oudste gendarm.

Ik schoot in mijn binnenzak – Alsjeblief, zei ik.

De gendarmes stonden lijk aan de grond genageld.

– Heb je van me leven, vloekte de chef, waarom loop je gij dan?

– En waarom loop je gij? vroeg ik.

– Achter jou, snotvent. Maar jij zijt toch beginnen te lopen van als je ons zag komen!

– Dat gebeurt nog dat ik rechte springe als ik visse, en een eindje lope. Een mens zou anders wel- stakestijf worden…Maar als ik zag dat je ’t op mij gemunt had, ja, dan werd ik benauwd. Een mens misdoet altemets zonder dat je ’t weet…

– Kom, zei de chef tot de andere gendarm. Ze pakten hun biezen en keken niet meer omme.

– En Thomas? vroeg ik aan de pater.

– Is niet meer komen vissen. Hij had ook zorgen. Hij is kort daarop getrouwd Paulientje. ’t Zijn nu ook twee oude mensen. Ze kunnen hun kleinkinderen op geen twee handen meer tellen. Ze wonen nu allene in een net huizetje niet verre van de vaart. En als ’t zont en zomert, zit Thomas zalig te peuren op zijn eentje. Alle jaren ga ‘k hem opzoeken. ‘k Ben op weg, vriendschap.

– De complimenten aan Thomas, Pater Franciscus.

– ’t Zal niet mankeren, vriendschap!

.

.

’t Houtmanneke in ‘Het Manne uit de Mane’ van 1971

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>