Pierens bulte

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 weeks ago     70 Views     Leave your thoughts  

De toversseknok te Rumbeke

In ’t Belfort van 1886 nummer 7, vinden we op bladzijde 356 een oude Vlaamse zeis over Lucas de bultenaar. De eigenlijke zeg heb ik een tijd geleden afgeluisterd op de toveresseknok te Rumbeke.

Die knok ligt langs de Moorselestraat. Het is een bergje met een grote boom in het midden. De berg zelf bestaat uit verschillende aarden trappen die de boom omringen tot op een hoogte van omtrent 150 centimeter.

Het verschil van onze zeis met deze van het Belfort bestaat hierin dat in de plaats van katten die feest vierden het hier jonge toveressen waren, die toch zo schoon zongen terwijl hun stemmen iedereen verleidden. Met inbegrip van de ongelukkige die twee bulten kreeg in de plaats van één, en zo voer was voor de reden dat hij op een donderdag terugging om recht getrokken te worden terwijl een maandag vereist was.

Dus, zo vertelde men mij, de toveressen zongen allemaal samen;

Maandag, dijsendag, woensdag, zijn
wij nu al bijeen,
al bijeen.
Maandag, dijsendag, woensdag,
hoe zullen we scheên
hoe zullen we scheên?

En ze namen daarna Pieren zijne bulte af.

En Cissen, die ook een bulte had, wilde ook naar de toveressenknok, maar in plaats van op een maandag, het was op een donderdag dat hij optrok. En de schoonste stemmen zongen:

Donderdag, vrijdag, zaterdag,
’t is morgen zondag,
Donderdag, vrijdag, zaterdag,
’t is morgen rustdag.

En Cissen danste mee en als het laat werd zongen de jonkvrouwen:

Wat gedaan, wat gedaan,
met deze arme waan?
Tra la la! Tra la la!

Een onder hen zong:

Hem nog aardiger maken
En hier laten staan.
Tra la la! Tra la la!

In een haai en een draai was Pierens bulte van de boomstam en op Cissens borst geplakt. De arme waan stond daar nu met een berg van voor en een berg van achter.

Heel dit zeisel staat te lezen in het opstel van ’t Belfort. Een oude vrouw vertelde nog meer over de toveresseknok. Ze vertelde dat haar grootheer, dat was haar vaders grootvader naar verluidt op een avond langs de knok thuiswaarts keerden.

Het sloeg 12 uur op de toren als hij aan de toveresseknok belandde. Al met eens zag hij op de knok een groot getal jonkvrouwen die bezig waren met kermessen. Grootheer was geen beauwderik en hij trok recht naar de vrouwen, zette zich onbevreesd aan tafel en deed mee.

Hij bemerkte dat alles louter zilver was. Maar als hij ging eten zag hij dat er geen zout op tafel stond. Toen hij nu al hartelijk zijn buikske deugd gedaan had, zei hij tot de vrouwen:

‘Het was toch al zo goed en niets was er te kort, uitgenomen zout.’

Hij legde per toeval zijn hand op zijn zilveren tafelgerief, en ziet, gelijk dat de man van zou sprak, vlogen de toveressen al met eens weg, en grootheer zat daar alleen met het zilveren tafelgerief onder zijn hand, hetwelke hij heel eenvoudig opnam en meebracht naar huis.

De vrouw vertelde dat dit tafelgerief door grootheer zorgvuldig bewaard werd. Waar dat het nu is, geen levende ziel en zou het ons kunnen wijs maken.

A. Verwaetermeulen in ‘Biekorf’ van 1891

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>