Poperinge in de vroege middeleeuwen

Onder impuls van de grote beschermheer, de machtige abt van Sint-Bertijns te St.-Omer, evolueert de bescheiden Frankische villa Pupurningahem tot de agglomeratie Poperinge die nog voor het einde van de 13de eeuw 10.000 zielen kent. De proost van Sint-Bertijns en de heren van Reninghelst kleuren de eerste eeuwen van het jonge Poperinge.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

In het eerste deel van de ‘Kronieken van de Westhoek’ hebben we kunnen lezen over het ontstaan van de Frankische villa Pupurningahem. De Pupurninga villa evolueert in de 11de eeuw van Poperingahem tot Poperinghem in de 12de eeuw en uiteindelijk tot Poperinghe in de 13de eeuw. We houden even halt bij het prille Poperinghem en het leven in de Westhoek tijdens de vroege middeleeuwen. Vol bewondering kijk ik naar de proefschriften van F. Thevelin (1960), B. Creus (1963) en W. Tillie (1987) die zich allemaal erg verdienstelijk maken met het vertalen en het interpreteren van een reeks historische studies van hun stad. Opdedrinck, Altmeyer, Dhondt, Ganshof en Vanwerveke zijn hun belangrijkste inspiratiebronnen.

En ik ben op mijn beurt maar wat blij dat ik een stukje van die overlevering mag doorgeven en dat ik mijn historie van Poperinge op hun werk mag baseren. Poperinghem dus. Ontstaan langs de steenstraat die Bavay, die volgens de oude kronieken de eerste hoofdstad van Belgis was en er ook zijn naam aan schonk, verbindt met het noordelijk gelegen Aardenburg.

Naast Poperinghem situeren ook Steenvoorde, Elverdinge, Merkem en Torhout zich langs die Romeinse ‘steenstraete’. De kruising van de steenstraat met een bijrivier van de Ijzer bleek een prima plek om er een landbouwnederzetting te beginnen: villa Pupurninga aan de Fleterna, de Vleterbeek, die zowat tien kilometer verder stroomopwaarts uitmondt in de Ijzermonding aan de Noordzee ter hoogte van Oostvleteren. Poperinghem en Oostvleteren bevinden zich allebei in het hart van de pagus Iseretius.

De Ijzergouw. Twaalf km westelijk prijkt de flink uit de kluiten gewassen stad Ieper. Niet dat Poperinghem veel uitstaans heeft met Ieper. De exploitatie is helemaal verbonden, zeg maar getrouwd met een plaats die zich op een afstand van ruim veertig kilometer bevindt: Sint-Omaars. Het oude Sithiu. Met in de hoofdrol de abdij van Sint-Bertijns van wie Poperinghem volledig afhankelijk is, net zoals dat het geval is voor bijvoorbeeld Koekelare en Neerwaasten.

Gezien de relatief grote afstand tussen Sint-Bertijns en Poperinghem, vaardigen de abten een proost af om toezicht te houden op hun Poperinghems filiaal. Het hele gebied van Sint-Omaars, Poperinghem inclusief, bevindt zich in het bisdom van Terwaan.

Het lijkt eigenaardig dat er in 1107 een oorkonde ondertekend wordt waarbij Arnulf, graaf van Vlaanderen, de villa Poperinghem schenkt aan de abdij van Sint-Bertijns. Hoe kan dit? De abdij is toch al veel eeuwen eigenaar van Poperinghem? Wat heeft dit te betekenen? Sithiu is al sinds 658 eigenaar van de villa na de schenking van graaf Walbert die het domein van Arkes, ‘villa Arcarum’, waartoe ook Pupurningahem behoort, schenkt aan de abdij van Sithiu. Abt Adalard van Sint-Bertijns zorgde tussen 844 en 859 voor een uitgebreide omschrijving van de ‘villa Pupurninga’.

Er bestaan geschriften die dateren van 877 waarbij de Franse koning Karel de Kale, de schoonvader van de Vlaamse graaf Boudewijn I, Poperinghem als eigendom van de abdij van Sint-Bertijns identificeert. Voldoende bewijzen dus. Het Poperinge van 850 is de helft kleiner dan op vandaag. Het gedenkboek van abt Adalard, in het Latijn ‘polypticum’ genoemd, omschrijft vrij gedetailleerd hoe de villa er uit ziet. Zowat twee derde van de 2.400 hectaren bestaat uit landbouwgrond die in een driejarencultuur wordt beboerd.

Haver, tarwe, gerst en rogge wisselen af met erwten en bonen. Eén jaar op de drie blijven de gronden braak en doen ze dienst voor het vee en de dieren. Er is in de 9de eeuw eigenlijk nog geen sprake van weideland. Gaandeweg zullen bossen plaats maken voor weideland en voor meer akkerland. Het kappen van de wouden en bossen in de Westhoek zorgt voor ‘engen’ of ‘ingen’ in het landschap.

De inge van Pupurn wordt de thuis voor veel jonge Frankische pioniers: ‘Pupurningahem’. Een enge of een inge betekent over het hele Frankische taalgebied een weide, in bezit van een enkeling, een dorp of een marke. Een inge ontstaat na het rooien van een bos. Er komt een stuk land vrij midden in een bos. Een inge. De plaats waar enkele families van een of andere boerengemeenschap naar toe gaan om er de grond te gaan ontginnen. Kijk maar naar de naam Groningen, Elverdinge.

Bossen maken plaats voor ontginde grond. De Westhoek moet in die dagen ongetwijfeld één groot aaneengesloten bos zijn. Is het toeval dat de driehoek Elverdinge-Vlamertinge-Poperinge en bij uitbreiding Boezinge alle vier eindigen op het achtervoegsel inge? In het begin behoren al die ingen tot één en hetzelfde landbouwcollectief. Een marke. De eerste marken zijn trouwens bijzonder uitgebreid. Soms tot 150 vierkante kilometer.

De diverse kernen van die marken kunnen ver uit elkaar liggen. De tussenruimtes zijn bezet door dichte bossen waarvan we tot op heden het voorbeeld zien in de Galgebossen op de grens van Elverdinge, Vlamertinge en Poperinge. Binnen die ene grote marke in de Westhoek zijn dus woonkernen ontstaan waarvan de ingezetenen eigenlijk allemaal van diezelfde marke afhangen. Het rooien van bossen zorgt voor het effectief ontstaan van de engen in Poperinge, Vlamertinge, Elverdinge, Boezinge. En voeg daar gerust Reninge en Reningelst bij.

Die nieuwe nederzettingen ontstaan onder druk van de groeiende bevolking in de oorspronkelijke moedermarke waardoor nieuwe volksplantingen gaan afsplitsen. Oudere moedermarken worden stilaan in meerdere stukken ‘marknoten’ gehakt waarbij er stilaan verschillende rechten per marknoot worden toegekend. De nieuwe marknoten krijgen vaak minderwaardige rechten dan de bestaande. De goede marknoten worden bewoond en beboerd door erfmannen, de mindere marknoten worden keuters genoemd. De term keuterboer vindt hier zijn oorsprong: varianten zijn ‘bijsitters, coveners’ waarvan hun eigendom eigenlijk niet meer is dan ‘heijde ende weijde ende niet te holt ande to gronde’.

Om volledig te kunnen delen in het markgenootschap moeten de mensen gegoed en gezeten zijn, ‘zittende in zijne weere’ en in het bezit van ‘eigen vuur en rook’. Ze moeten hout bezitten. In een gemene marke wordt hout per ‘lotinge’ verdeeld: een vol erf krijgt een vol lot. Wie minder dan een vol erf bezit of zelfs een ‘keuterweere’ krijgt een evenredig aandeel. Dagloners en handwerklieden die geen ‘kampe gronds’ bezitten, delen alleen in het water en de weidelanden. Zowat vijfentwintig percent van de villa bestaat uit beukenbossen, eikenbossen en heidemarken die elkaar afwisselen met gebieden vol van kreupelhout. Ze worden ‘hardhout’ of ‘bloemware’ genoemd. De rest is ‘weekhout’.

Hout dat door de wind geveld is, wordt ‘windbraak’ of ‘windval’ genoemd. Het kreupelhout bestempelen de mensen als ‘kwasinge’, ‘rijs’ of ‘sprokkelware’. Het kaprecht op het hardhout, als ‘erfhouw’ omschreven, is een exclusief recht voor het erf waarop de bossen groeien. Binnen de marke mag de erfman naar zijn behoefte alle bomen vellen op voorwaarde dat hij zich niet schuldig maakt aan ‘woestinge’. Er mag geen hout vervoerd worden buiten de marke. Wie in dit verband ‘de dissel van den band wendt’, krijgt een boete.

Men gunt aan vreemden dorre sprokkelwaar of zelfs afgevallen hardhout op voorwaarde dat die ‘met roepende akse en bij lichten dage’ wordt geveld en zeker niet ‘over mans slapende tijd’. Als iemand betrapt wordt op het ongevraagd hakken van hardhout mag zijn rechterhand op de stam worden afgehakt. Het wordt nog schrikwekkender als dat bij nacht gebeurt want dan wordt de afgehouwen stam vervoerd onder de linde in het dorp en ‘houwen ze het hoofd van den houwer op de stam af’. Middenin de bossen worden enkele honderden varkens gekweekt.

Het hout van de bossen wordt gebruikt als timmer- of brandhout. De mensen kweken bijen voor de honing en ze houden ganzen. Een aantal families staan met naam en toenaam beschreven in het polypticum: de families Godobert, Mortbert, Engeten, Radeken, Aldbert en Abbo. Het zijn duidelijk Frankische families met namen die we in de 21ste eeuw nog steeds terugvinden in hun Dietse land van herkomst. Germanen die we anno 2014 eenvoudigweg Duitsers noemen.

De proosten van Sint-Bertijns regeren al eeuwen over de hofmarke Poperinghem. De abdij laat er rond het jaar 700 de St.-Catharinakapel bouwen die later vervangen wordt door een ruimere bidplaats, de Sint-Bertinuskerk. Met ernaast haar proosdij van het vroonhof. Synoniemen van het vroonhof zijn zowat overal doorheen de hele Vlaamse gouw terug te vinden. Zo spreken we van hoofdhof, herenhof, dinghof, zaalhof, zedelhof of havezate.

Het eigendomsrecht van de proost van Sint-Bertijns wordt uitgeoefend op drie niveaus die elk hun eigen naam hebben. Eerst en vooral bezit de heer persoonlijk zaailand en landerijen die hij zelf bewerkt. De mansus indominaticus of het vroonhof is het centrale gebouw en is, net zoals een grote boerderij, voorzien van de nodige bijgebouwen. Het vroonhof van Poperinghem is ongeveer 772 hectaren groot.

Een kleine dertig percent van het vroonhofland is landbouwgrond, de rest beukenbos met kreupelhout. Van weideland is geen sprake. De afgevaardigde van Sint-Bertijns baat het vroonhofland dus zelf uit bijgestaan door een team van mansionarii, servi, ingenii en tenurehouders. Het grootste gedeelte van zijn marke Poperinghem, méér dan 1.100 hectaren, wordt bewoond en bewerkt door huisgezinnen, vrijen en onvrijen, die een deel van hun oogsten (ze worden onderverdeeld in tienden) afstaan aan de landeigenaar.

We bevinden ons hier in de terra mansionaria, dat onderverdeeld is in een reeks van hofhorige mansi. Een mansus is een bescheiden hoeve op een stuk grond die bewoond wordt door een mansionarus. De beschikbare grond per mansus varieert tussen de twintig en dertig hectaren. De uitbating van de mansus gebeurt door mansi serviles en mansi ingenuiles. In Poperinghem zijn er achtenveertig mansi. De grote meerderheid worden uitgebaat door ingenii, slechts vier door servi. Op grotere afstand van het vroonhof bewerken vrije mensen hun eigen land.

Wel te verstaan op voorwaarde dat ze de proost erkennen als leider van de hofmarke Poperinghem. In Poperinghem treffen we twee mansi (geklasseerd als dienstgoederen) aan die bewoond zijn door caballerii.

Die caballerii komen niet enkel voor in Poperinghem maar zien we overal doorheen het Frankenland. In feite zijn het een soort huurlingen, een soort veiligheidsagenten die hun diensten bewijzen voor wat betreft begeleiding en bescherming van rijke grondeigenaren. Ze functioneren eveneens als boodschappers van dienst. Het is dan ook niet verwonderlijk dat caballerii in het bezit zijn van een paard.

Caballerii zijn natuurlijk niet te verwarren met ridders en met adellijke milities. Het zijn halfvrije mensen die zeker ook nog een aantal landbouwprestaties moeten leveren aan hun leenheer. De mansi die ze daarvoor ter beschikking krijgen, zijn dan ook in zekere zin een vorm van tegenprestatie die ze van de grondeigenaar krijgen in ruil voor hun hand- en spandiensten op zijn grondgebied. Een eerste caballerus is Godobert die een vroonhof bezit van honderdvierentwintig hectaren, waarvan vijfennegentig percent akkerland. Het land wordt bewerkt met de hulp van amper zes lijfeigenen.

Beeld u eens in dat u in een tijd zonder enige vorm van machinerie 20 hectaren moet bewerken. Alleen! Het lot van de lijfeigenen moet diep triest en uitzichtloos zijn in die vroege tijden. De dienstgoederen van caballerus Mortbert bestaan uit een domein van vijfenveertig hectaren waarvan achtentwintig hectaren akkerland en de rest kreupelhout. Mortbert heeft de vrije beschikking over tien lijfeigenen. Poperinghem wordt volgens het polypticum in de 9de eeuw bewoond door circa duizend mensen. Er dient gewerkt en gezwoegd te worden.

Alle bewoners van de domeinen die toebehoren aan de Sint-Bertijnsabdij moeten een aantal verplichtingen naleven ten opzichte van hun leenheer. De mannen moeten karweien uitvoeren in de mansi en de vrouwen vervaardigen textielwaren en leveren voedingswaren. Nog anderen betalen in geld of in natura. De servi (mannen) en de anceillae (vrouwen) zijn de lijfeigenen: ze moeten drie dagen per week werken op de mansus indominaticus hoewel ze dus zelf een mansus uitbaten. De ancillae dienen jaarlijks een groot stuk lijnwaad te vervaardigen voor hun leenheer.

Ze moeten ook zorgen voor ongeveer 170 liter mout uit gerst die zal gebruikt worden voor het brouwen van bier. Elk jaar zorgen ze voor twee kippen en tien eieren en om de drie jaar moeten ze een varken leveren ter waarde van vier denieren. Alle mansionarii, zowel de ingenui als de servi, zijn verplicht om militaire services en vervoerdiensten voor hun heer uit te voeren. Vooral het vervoer van wijn is van groot belang.

De mansionarii van Poperinghem worden twee keer per jaar opgeroepen voor legerexpedities of om hun wijnkarren te vervoeren. Buiten de villa Pupurninga wonen er ook mensen die beschermd worden door de heren van Sint-Bertijns. In ruil voor die bescherming moeten ze een cijns betalen en moeten ze karweitjes verrichten. Zo zijn er de luminarii die geld of was geven die gebruikt wordt voor de verlichting in de kerk. Het is niet verwonderlijk dar de term luminarii rechtstreeks refereert naar verlichting.

In Poperinghem zijn er 174 van die luminarii die met zijn allen twee pond en acht schilling betalen. Maar wie zijn eigenlijk die bewuste luminarii, de mensen die niet binnen het domein van hun leenheer wensen te wonen? Hebben ze hun persoonlijke vrijheid aan de kerk weggegeven en zijn ze bereid de rest van hun leven te wijden aan de steun aan de christelijke religie? Het is zelf mogelijk dat het lijfeigenen zijn die door hun heer aan de kerk worden geschonken op voorwaarde dat ze jaarlijks hun cijnzen afdragen aan de proost.

Het mag natuurlijk vermeld worden dat de hoofdabdij van Sint-Bertijns een imposante leenheer is voor de mensen van de Westhoek. Poperinghem is het enige grote domein van Sint-Bertijns in de regio en de bescherming van de streek door die machtige abdij wordt door de mensen sterk op prijs gesteld. Er zijn meer dan voldoende bewoners die door godsvrucht, armoede en vooral uit bittere noodzaak aan bescherming besluiten om hun leven te wijden aan de dienst van één of andere heilige.

Een andere bevolkingsgroep wordt gevormd door de herescarii. In Poperinghem leven er 109 herescarii als onderdanen van Sint-Bertijns. Ze leveren diensten te voet, als drager of als boodschapper. Ook zij worden verplicht om karweien op te knappen en om een jaarlijkse cijns te betalen. Bij de villa behoort natuurlijk ook de kerk die bedeeld is met zeventien hectaren akkerland. De kerk dankt die eigendommen aan een ‘capitulare’ van 818 waarbij de Franse koning Lodewijk de Vrome elke kerk in Frankrijk een ‘mansus integer’ toewijst.

Die mansus integer bestaat uit minimaal vijftien hectaren en twee mancipia, lijfeigenen. Het akkerland en de lijfeigenen moeten volgens de capitulare geschonken worden door de vrije inwoners, die trouwens verplicht worden om de kerkdiensten bij te wonen. In het geval van de kerk in Poperinghem is er geen sprake van mancipia. Dat kan verklaren waarom er zeventien hectaren akkerland verstrekt wordt i.p.v. de minimaal vereiste vijftien hectaren. Maar hoe zit het nu eigenlijk met de relatie van de Sint-Bertijnsabdij en de grafelijke heerschappij?

Enkele jaren na het huwelijk van de jonge Vlaamse graaf Boudewijn met Judith, de dochter van Karel de Kale, schonk de Franse koning de gouwen Gent, Waas en Ternois, de streek van Sint-Omaars, aan het prille pagus Flandrensis van zijn schoonzoon. We spreken van 866. De politieke inmenging van de Vlaamse graaf in de abdij van Sint-Bertijns moet zeker al een belangrijke impact hebben in die periode. In 880, kort na de dood van Boudewijn I, ruiken de Noormannen hun kans om de aantrekkelijke Vlaamse gouwen binnen te vallen.

De verwoestingen en vernielingen van de al bij al welvarende mansi zijn nefast voor Poperinghem. Tot in 881 gaan de barbaarse noorderlingen door met hun destructieve aanvallen. Ze dringen door tot diep in het Franse vasteland. Ook Sint-Bertijns en Sint-Omaars ondergaan hun wrede lot. De Franse koning begrijpt dat het zo niet verder kan. Hij ziet in dat het vlakke en door rivieren doorkruiste Vlaanderen eigenlijk niet te verdedigen valt tegen de Noormannen. Hij schuift de grens van zijn rijk bewust achteruit tot aan de heuvels van Artois.

Met dat doel bouwt hij in 881 een burcht te Etrun aan de Schelde. De ligging is ideaal: de heuvelenreeks, die van Saint-Quentin naar Cap Blanc Nez loopt en de Vlaamse vlakte van de Sommestreek scheidt, vormt een natuurlijke hinderpaal voor een vijandelijk landleger. Sint-Bertijns en Sint-Omaars vallen in het beschermende hart van de verdedigingsgordel, Poperinghem echter, wordt tot diep in 883 aan zijn lot overgelaten.

De Franse koning Karloman heeft het opperbevel van de noordelijke verdedigingsgordel toevertrouwd aan abt Rudolf die er voor zal zorgen dat de abdij van Sint-Bertijns deze keer wel buiten schot blijft van enige vernieling. In 883 vertrekken de barbaren. De jonge Boudewijn II neemt zonder slag of stoot het niemandsland ten noorden van de Franse heuvels in. Tot dat niemandsland behoort de zwaar geteisterde villa van Pupurninga. Zo goed als iedereen is op de vlucht geslagen voor de baldadige Noormannen.

Nu kunnen de mensen en de monniken stilaan terugkeren. Dat is ook het geval in Poperinghem. Abt Rudolf krijgt van de Franse koning de abdijen van Sint-Bertijns en Sint-Vedast als tegenprestatie voor zijn kranig verweer tegen de Noormannen. Boudewijn II heeft grote plannen met zijn jong graafschap. Expansie is het sleutelwoord! En dat kan in de richting van het zuiden waar hij ongebreideld kan profiteren van de turbulente strijd om het leiderschap in het woelige Francia. Op 5 januari 892 sterft de abt-graaf Rudolf, meester van het graafschap Ternois en van de Sint-Vaast en Sint-Bertinusabdij. Boudewijn II eist de bezittingen van zijn overleden neef Rudolf voor hem op.

Hoewel deze lenen van geen kanten erfelijk zijn in de zijlijn. Graaf Boudewijn II is natuurlijk zelf geen geestelijke maar dat belet hem niet om Rudolf op te volgen als lekenabt. Hij komt in 892 aan het roer van de uitgestrekte domeinen van Sint-Bertijns. Poperinghem komt onder zijn rechtstreeks gezag te staan. Als graaf Boudewijn II in 918 sterft, laat hij een bloeiend graafschap achter voor zijn twee zonen Arnulf en Adalolf. Na de aftocht van de Noormannen is hij er in geslaagd om de hand te leggen op alle grondeigendommen van de kerk, van de staat, en mogelijk ook van de grootgrondbezitters. Daarenboven heeft hij van rechtswege de eigendomsrechten over alle woeste en braakliggende gronden. Hij is één van de rijkste grootgrondbezitters geworden van heel Frankrijk.

Zijn vorstendom wordt verdeeld onder zijn twee zonen. Arnulf krijgt het belangrijkste gebied tussen de Schelde, de zee en de heuvels van Artois. Met andere woorden: Vlaanderen. De jongste, Adalolf, verwerft de Boulonnais en Ternois en volgt zijn vader op als lekenabt van Sint-Bertijns. Poperinghem behoort dus tot de gebieden van graaf Adalolf. De volgende decennia zijn een aaneenschakeling van oorlogen en geweld met het oog op een consolidatie en uitbreiding van het graafschap. In 933 sterft Adalolf. Arnulf negeert diens kinderen en annexeert ongegeneerd het territorium van zijn overleden broer.

Arnulf wil zich laten gelden als autoritair leider in zijn graafschap Vlaanderen. En dat is niet evident: enerzijds heeft hij af te rekenen met lokale grondeigenaars die zich heer en meester voelen in hun respectieve heerlijkheden. Anderzijds heeft hij af te rekenen met de invloed en de regionale macht van de monniken die een niet te onderschatten invloed hebben op de lokale bevolking en dus ook in het landelijke Poperinghem. Het leven van de monniken speelt zich af rond invloed, macht en corruptie. Godsdienst en christelijke leer zijn verdraaid handige dekmantels om de bevolking aan zich te binden.

Van devotie en onthecht leven is al lang geen sprake meer in de abdijen van Gent, Sint-Vaast en Sint-Bertijns. Arnulf die tuk is om de ‘echte’ macht te grijpen binnen die kloostergemeenschappen vindt een bondgenoot bij Transmarus, de bisschop van Doornik en een zekere Gerard van Brogne die zich allebei engageren om de geestelijke zuiverheid binnen de abdijen te herstellen. Bovenaan de agenda staat natuurlijk het laten gelden van het grafelijk gezag en de bescherming van de grondgebieden van de abdijen en het terugwinnen van gebieden die de voorbije jaren door lokale grondbezitters onterecht werden ingenomen.

Arnulf die meester is over Poperinghem maar tezelfdertijd ook over de abt van Sint-Bertijns, besluit om zijn marke opnieuw onder te brengen bij het eigendom van Sint-Bertijns. De abdij krijgt het ‘comitatus’ voor haar hele domein: ze krijgt carte blanche en het exclusieve recht om haar eigen wetgeving te laten gelden over de hele regio. De abt wordt de enige baas van zijn eigendommen. Toch behoudt de graaf een slag om de arm in Poperinghem: hij behoudt het recht om militaire diensten op te eisen binnen zijn grondgebied. En een stuk van de belastingen. Wat wil een mens meer?

De hervormingen van Gerard van Brogne zijn er dus voornamelijk op gericht om het grafelijk gezag te herstellen. Hoe dan ook zijn efficiënt gerunde abdijen een waarborg op een goed beheer van de onmetelijke landgoederen van graaf Arnulf.

In 941 wordt de hervorming van de Sint-Pietersabdij te Gent doorgevoerd. In 944 komt Sint-Bertijns, de machtige abdij van Ternois, aan de beurt. Op 15 april 944 worden de kloosterlingen die zich niet goedschiks willen onderwerpen aan de regel van de Benedictijnen, met geweld uit de abdij verjaagd. De naburige bevolking, zo ook die van Poperinghem, toont zich hevig ontstemd en noopt de graaf tot nieuwe onderhandelingen met de verjaagde monniken.

Hij kan enkelen onder hen overhalen om verder te gaan onder het rechtstreekse bevel van Gerard van Brogne. Arnulf geeft in 944 zijn status als lekenabt van Sint-Bertijns op ten voordele van Gerard van Brogne. In 950 komt een neef van Arnulf, een zekere Hildebrand, aan het hoofd te staan van het klooster. De weerspannige monniken houden zich voortaan gedeisd. Onder leiding van Hildebrand komt Sint-Bertijns opnieuw tot bloei en wordt het klooster een brandpunt van cultuur.

Hildebrand en Gerard van Brogne voeren zij aan zij de gewenste hervormingen door in de resterende abdijen. Uiteindelijk winnen zowel de kerk als de staat aan de doorgevoerde hervormingen van graaf Arnulf van Vlaanderen. De periode 954 tot 961 betekent een hoogtepunt in de regering van de oude graaf Arnulf. Zijn enige zoon, Boudewijn III, staat klaar om zijn vorstendom over te nemen. En er is al een kleine Arnulf op de wereld gezet om de mannelijke lijn van grootvader, via vader en kleinzoon te laten verder zetten. De toekomst lacht de oude Arnulf toe. Schone liedjes duren niet lang. Boudewijn wordt aangetast door de pokken en sterft begin 962 in het Sint-Bertijnsklooster.

Na de dood van de oude graaf Arnulf beleeft de pagus Flandrensis anarchistische tijden. De krachtige hand die iedereen in toom hield, is verdwenen. Het lijkt er op dat iedereen ten volle wil genieten van een nieuwgeboren zelfstandigheid. De edellieden gaan op hun domeinen heerlijke rechten uitoefenen die voordien enkel aan de graaf toekwamen. De lenen die ze in gebruik kregen van de graaf gaan ze beschouwen als hun eigendom.

De kerken en abdijen die niet langer konden rekenen op hun beschermheer worden voor een groot deel van hun bezittingen beroofd door de adel in hun onmiddellijke omgeving. De Franse koning houdt een oogje in het zeil tot dat kleinzoon Arnulf II op zijn eigen benen kan staan, maar die blijkt uiteindelijk een zwakkeling te zijn. In 988 is het zoontje van Arnulf II zowat het enige lichtpunt. En zo is het wachten tot in het jaar 1003. De jonge Boudewijn IV is geëvolueerd tot een assertieve jongeman die beschikt over de positieve genen van zijn voorvaderen.

Hij beslist al heel vroeg voor zichzelf dat de, tot op een dieptepunt gezakte, grafelijke invloed in Vlaanderen dringend moet hersteld worden. Boudewijn IV kan zoals zijn voorgangers gebruik maken van militaire diensten die de bevolking van Vlaanderen hem verplicht moet leveren. Dat is ook zo voor de inwoners van Poperinghem. Het is wel nog altijd de abt van Sint-Bertijns die er de plak zwaait. Maar de overeenkomst van 944 tussen de abt en de graaf bepaalt dat laatstgenoemde landridders mag oproepen. De abt is baas over de rechtspraak maar in ruil kan de graaf een deel van de opbrengsten opeisen. Bij de veroordeling van valsemunters en allerhande misdadigers kan de graaf aanspraak maken op twee derden van hun bezit.

Die rechten zullen in het jaar 1110 duidelijk worden gespecificeerd wanneer er een speciale regeling wordt uitgewerkt voor wat betreft de lijfeigenen van de graaf. Wanneer één van hen sterft zal de graaf diens gronden en eigendommen verwerven. De opbrengst van de grond moet door de graaf verder betaald worden aan de abt. Het lijkt er op dat de Vlaamse graven en de abten van Sint-Bertijns een goede wederzijdse relatie aanhouden. De ene steunt de andere. Samen delen ze een onbeperkte macht in Poperinghem.

De abt zelf is allesbehalve een eenvoudige man. Hij is hautain, loopt rond in weelderige kledij en is flink opgesmukt met exclusieve gouden sierraden. Hij wil duidelijk tonen dat hij de exclusieve macht bezit. Alleen de bisschop kan aan hem tippen. De graaf zorgt voor de bescherming van de onderdanen en de landerijen van Sint-Bertijns en kan een graantje meepikken van het mannelijk potentieel om er zijn expansiepolitiek mee te kunnen uitvoeren.

Onder het beleid van Boudewijn IV en zijn opvolgers wordt dat beleid gewoon verder gezet en verder gespecificeerd. De abt van Sint-Bertijns duidt plaatsvervangers aan om grote domeinen van de abdij ter plaatse uit te baten. De plaatsvervanger die ook naar Poperinghem komt, wordt de proost genoemd die ter plaatse in een nieuw gebouwde proosdij komt wonen. Het is niet precies geweten wanneer de eerste proost zijn functie opneemt in de Westhoekmarke van Poperinghem. In de langst bekende oorkonde, die van 1107, is er in elk geval al sprake van een proost.

Hij wordt omschreven als ‘procuratorem ville habens’, de procureur van de villa, of als ‘monachus’. De ‘monachus de Poperinghem’ is een monnik die het bestuur van Poperinghem ter plaatse uitoefent. Meestal kan hij zelf zijn beslissingen nemen, maar in sommige belangrijke gevallen is het uiteindelijk de abt van Sint-Bertijns die specifieke beslissingen neemt en optreedt als de heer van Poperinghem.

De proost van Poperinghem verblijft in de proosdij. Zijn woning ligt tussen het koor van de Sint-Bertijnskerk en de Vleterbeek die later zal uitgebouwd worden tot de vaart. De proosdij bestaat uit zeer uitgestrekte gebouwen waaronder paardenstallen en schuren. In die schuren worden de tienden verzameld die door de inwoners moeten worden aangeleverd. Er is ook een tuin en een boomgaard. De gevangenis van de proosdij bevindt zich ter hoogte van de latere Priesterstraat.

De oorspronkelijke villa van Sint-Bertijns te Poperinghem ontwikkelt zich in de 12de eeuw stilaan tot een stad. Het is in wezen een metamorfose die begint in de jaren 1000 en bekroond wordt met een eigen stadswetgeving: de keure van 1147. De nieuwe stad Poperinghem zal voortaan een eigen bescheiden plaats innemen in een select rijtje van jonge Vlaamse steden. Op 1 mei van het jaar 1109 kregen de inwoners van Veurne een Vlaamse primeur. Veurne was de eerste stad die een eigen stadswetgeving in ontvangst kon nemen van de graaf.

Na het overlijden van Robrecht de Fries verbleef zijn weduwe gravin Gertrude tot aan haar dood in 1113 in Veurne. Ze had een boontje voor de Westhoekstad en kon de nieuwe graaf Karel de Goede ervan overtuigen om Veurne als eerste stad van Vlaanderen zijn eigen stadskeure te schenken. Ondertussen leven we al 38 jaar later en is Diederik van den Elzas al twintig jaar de nieuwe graaf van Vlaanderen. In Poperinghem is er al een tijdje onrust aan het broeien tussen de rijkere burgerij en de bescheiden handelslieden en de handwerkers. Zowel de abt van Sint-Bertijns als Diederik van den Elzas, zijn bezorgd om de situatie die stilaan aan het escaleren is in het uit zijn voegen barstende centrum van Poperinghem. Er moet dringend een einde gesteld te worden aan de onenigheid en de twisten in de stad.

Een aangepaste wetgeving voor Poperinghem dringt zich op. Veurnenaar Leonius, de abt van Sint-Bertijns, is goed bevriend met graaf van Vlaanderen Diederik van den Elzas. Ze zijn zelfs samen op kruistocht getrokken. Hij profiteert van die relatie om in 1147 zijn stad Poperinghem een analoge stadskeure te laten schenken zoals die in 1109 werd geïntroduceerd te Veurne. In 1208 wordt die initiële keure vernieuwd door de abt van Sint-Bertijns. Vijfentwintig jaar later, we leven in 1233, krijgen de Poperinghemnaars een gloednieuwe en geactualiseerde keure van abt Jacques van Sint-Bertijns. De nieuwe wetgeving bestaat voortaan uit zesentwintig artikelen.

In diezelfde periode krijgen ook Broekburg, Sint-Winoksbergen en Arques hun eigen stadskeuren. Het is opvallend hoe identiek de keure van Arques is met die van Poperinghem. De keures van 1208 en 1233 komen er duidelijk op initiatief van de abt van de Sint-Bertijns. We leven in de tijd dat Margaretha van Constantinopel en haar zus Johanna die als jonge kinderen aan het Franse hof worden opgevoed en absoluut nog niet matuur zijn om het gezag van de Vlaamse graven over hun eigen regio te laten gelden. Dat die wetgeving er precies dan komt, toont heel sterk aan dat de abt van Sint-Bertijns van dit machtsvacuüm profiteert om zijn eigen macht in de Westhoeksteden te versterken en uit te breiden.

Alle mannen van Poperinghem moeten zweren om de keure na te leven. Er is geen ontkomen aan. De keure houdt geen rekening met de verschillende klassen. Arm en rijk zijn gelijk voor de wet. Ze zijn met zijn allen ‘homines pacis’, onderworpen aan dezelfde wetten die gelden voor iedereen die op het grondgebied van de stad woont. Er is één grote uitzondering: lijfeigenen hebben geen rechten om te zweren op de keure. Ze krijgen voedsel en drank in ruil voor hun prestaties en verder hebben ze niets in de pap te brokken. Enkel als ze er in slagen om uit hun onvrije stand op te klimmen, dienen ze alsnog te zweren op de keure. Doen ze dit niet binnen de vijftien dagen, dan krijgen ze een boete van tien schellingen.

Wat behelst die prille wetgeving eigenlijk? In artikel 1 staat beschreven dat alle burgers vrijuit en zonder druk van buitenaf van hun goederen en bezittingen mogen gebruik maken. Artikel 2 vermeldt dat de helper van de baljuw, de amman, geen zeggenschap heeft zonder voorafgaand oordeel van de keurheren. De aanhouding van inwoners staat beschreven in artikel 3: wie aangehouden wordt zal naar het gerechtsgebouw van de abt, het vroonhof, worden gevoerd waar een aantal gezworenen een oordeel zullen moeten vellen.

Hij mag niet weggevoerd worden buiten de mark worden vervoerd. Hij kan enkel in het vroonhof worden vastgehouden als de abt of de proost hiervoor toestemming geeft. Volgens de keure is het vroonhof een belangrijke plaats: enkel in de ‘curia’ kunnen aanklachten worden aanhoord of gronden worden overgedragen. De artikelen 6 en 7 hebben het over de beteugeling van geweld. Wanneer twee personen slaags geraken, zal de persoon die het gevecht begon de boete voor beiden moeten betalen. Wie een man doodt, wordt zelf gedood. Onrechtmatige aanklachten worden beboet met een bedrag van drie pond.

Hooliganisme wordt niet getolereerd: wie in woede ontsteekt ten opzichte van een ander en scherpe wapens trekt, zal drie pond betalen. Het bieden van een onderkomen aan bannelingen en huisbraak zijn strafbaar en er staat een boete op van drie pond. Het lijken wel gasboetes te zijn. Het aanbrengen van ‘dontslaghen’ of ‘duutslaghen’, kneuzingen en builen zonder bloedverlies, wordt beboet met een straf van drie pond. Het trekken aan de haren van mensen, ‘harropen’ is ook strikt verboden. Ook op het spelen met het teerlingspel staat een boete. Die geldt zowel voor de spelers als voor de uitbater van het huis waar er teerlingen werden gegooid.

De gezworenen van de rechtbank worden belangrijk. Indien onder hen twisten ontstaan, dan moet de justiciarius vrede eisen in opdracht van de keurmannen. Indien het meningsverschil aanhoudt zullen gijzelaars worden genomen zolang dit nodig is. Die keurmannen dienen recht uit te spreken voor het welzijn van de stad, behalve in gevallen die behoren tot de comitatus van de abt van Sint-Bertijns. Bij twijfel over wetgeving kan beroep gedaan worden op de wetspecialisten van Veurne. De wetgeving op doodslag wordt gewijzigd in 1208 en 1233.

Wie op beschuldiging van doodslag voor de curia verschijnt krijgt in het geval van vrijspraak door de keurmannen zijn vrijheid niet onmiddellijk terug. Volgens de keure van 1208 dient hij in ieder geval de vuurproef te ondergaan. De vuurproef is een middeleeuws godsoordeel, waarbij een beschuldigde zijn hand in het vuur moet steken, gloeiende kolen moet dragen of door het vuur moet lopen. Doorstaat de beschuldigde die vuurproef niet, dan moet hij de doodstraf ondergaan. De keure van 1233 schaft de vuurproef af en legt meer verantwoordelijkheid bij de keurmannen.

Vanaf 1233 is er in Poperinghem in elk geval niet langer sprake van dat morbide godsoordeel. De wetgeving op het aanbrengen van verwondingen wordt in 1208 en 1233 ook veel complexer. Er is nu al sprake van het betalen van de geneeskundige zorgen en vergoedingen voor de gekwetste persoon. Als de verwondingen worden aangebracht met een mes zal de schuldige zijn hand verliezen. Bij het verminken of amputeren van een lidmaat zal de schuldige dezelfde verminking of amputatie ondergaan.

Opmerkelijk is dat op geweld door vrouwen een dubbele boete staat. In artikel 12 van de keuren wordt de opname van nieuwe burgers te Poperinghem geregeld. De migratieregeling van de middeleeuwen. Nieuw aangekomen mensen dienen te zweren om de Poperinghemse keure te respecteren op straffe van boete. Vanaf 1233 volstaat het zweren van de eed niet langer: er moet ook nog geld in het bakje komen voor de stad. Wie de eed zweert zal twee Franse denieren per pond eigendom dienen te betalen aan de stadsgemeenschap. Artikel 19 heeft het over diefstal in Poperinghem.

Ook hier wordt het gebruik van de vuurproef als godsoordeel weggelaten in 1233. Bij recidive diefstal wordt de beschuldigde na de derde keer eenvoudigweg opgehangen. Er wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen ‘furtum’ (diefstal) en ‘rapina’ (roof). Furtum betekent het onrechtmatig wegnemen, in heimelijkheid, van een onroerend goed met het inzicht om het voor zichzelf te houden. Rapina is hetzelfde maar gaat gepaard met geweld. Bij diefstal, roof en brandstichting is de strop zowat de standaardstraf.

Op kerkelijk gebied behoort Poperinghem eeuwenlang tot het bisdom van Terwaan. Op het wereldlijk vlak zwaait de kasselrij van Veurne de plak. De respectieve bisschoppen van Terwaan, de abten van Sint-Bertijns vertegenwoordigd door hun proosten en de graven van Vlaanderen, houden hun grip op de Westhoeksteden intact. De wetgevende en morele macht van de abdij is haast onbeperkt. Halverwege de 10de eeuw heeft graaf Arnulf voor zichzelf de exclusieve militaire rechten bedongen binnen het grondgebied van de Vlaamse abdijen.

Niemand in Vlaanderen, met uitzondering van de graaf, heeft het recht om soldaten te ronselen en oorlog te voeren. Deze regel wordt tot de jaren 1200 goed gerespecteerd. Tegen die tijd is de macht van de Vlaamse steden al zo ontwikkeld dat er sprake komt van stedelijke milities die onafhankelijk opereren, los van de zeggenschap van de graven van Vlaanderen.

In de 12de eeuw is de militaire macht echter nog een exclusief recht van de Vlaamse graaf. Niet alleen de grafelijke leenmannen en achterleenmannen zijn hem krijgsdienst verschuldigd. Dat zijn ook alle onderdanen, gezond van lijf en leden die wapens kunnen hanteren. Ze worden verplicht zich beschikbaar te stellen voor de militaire verzuchtingen van de oppergraaf. Dit is ook het geval voor de inwoners van Poperinghem dat op militair gebied dus eveneens onder de militaire bevoegdheid van de graaf valt. In 1110 worden die militaire verplichtingen formeel vastgelegd.

De dienstplichtigen worden in drie categorieën ingedeeld. De hoogste rang bestaat uit de ridders (equites) die in het echte leven niet functioneren als leenmannen maar eerder als ondersteunende vazallen van de abt. De ridders van Poperinghem dienen op te rukken bij grafelijke expedities (heervaarten) die zowel offensief of defensief kunnen zijn. Niet alle ridders trekken op met de graaf. Ze kunnen zich vrijkopen door een som van vijf solidi en vier nummi te betalen aan de abt die dit op zijn beurt ter beschikking stelt van de graaf om er een deel van zijn militaire kosten mee te kunnen dekken.

De abt moet echter te allen tijde rekenschap geven aan de graaf als het vereiste aantal ridders niet oprukt. Een tweede groep die militair ten dienste moeten staan voor hun graaf zijn diegenen die aangesteld zijn voor het ‘banwere’ en het ‘utlandesbanwere’, een soort korps dat instaat voor de verdediging van het grondgebied maar dat dus ook voor offensieve taken wordt ingezet en mee moet optrekken met grafelijke expedities.

Ook de gewone onderdanen kunnen worden opgeroepen. Zo vraagt Filips van den Elzas in 1190 aan de abt van Sint-Bertijns om de deelname van alle weerbare mannen. Die derde categorie wordt algemeen omschreven als de ‘landweer’. De deelname van de landweer aan krijgstochten van de graaf geldt trouwens over het hele graafschap Vlaanderen. Telkens opnieuw worden de onderdanen opgeroepen om zich met wapens aan te melden om het Vlaamse erfbezit te verdedigen en te behouden.

De graaf beschikt niet enkel over exclusieve militaire rechten over zijn gebied, ook op gerechtelijk gebied laat hij zijn rechten gelden. De rechtspraak over Poperinghem is in principe volledig in de handen van Sint-Bertijns. Maar de graaf zorgt er natuurlijk wel voor dat bepaalde accenten in de wetgeving ten goede komen van zijn eigen bestuur en vooral zijn eigen portemonnee. Een mooi voorbeeld hiervan vinden we in het Poperinghem van 1110. De abt en de graaf komen tot een compromis waarbij iedereen die zich schuldig maakt aan diefstal, valsmunterij of andere misdaden al zijn land zal verliezen ten voordele van de abt.

Zijn of haar roerende goederen worden echter verdeeld tussen de graaf en de abt waarbij eerstgenoemde wegloopt met twee derden van de taart. Het is een typisch voorbeeld van de voortdurende poging tot inmenging van de graven in de grote Vlaamse abdijdomeinen. De graven worden in versneld tempo machtiger dank zij de exploderende bevolking en welstand in de grote stedelijke agglomeraties. In plaatsen zoals Poperinghem heeft de graaf het heel wat moeilijker om zijn macht te laten gelden. Hier krijgt hij in eerste instantie te maken met de macht van de abt van Sint-Bertijns.

Tijdens de 12de en 13de eeuw volgen dan ook regelmatig pogingen om in te breken in de lokale wetgeving van Poperinge. Meestal krabbelt de graaf van dienst terug en wordt de poging tot inbraak gevolgd door een periode van rust en overeenstemming tussen beiden. Zo gaat het ook in 1263. Er is opnieuw een inbreuk gepleegd op de rechtsmacht van de abt. Margaretha van Constantinopel, gravin van Vlaanderen, publiceert een oorkonde waarbij bevestigd staat dat alle rechtspraak te Poperinghem aan de abdij van Sint-Bertijns toebehoort.

Ze wil niet dat het vernietigen van het huis van Boidinus (Bard) door haar baljuw Gerard van Castres enige afbreuk zal betekenen aan de rechtsmacht van de abt. Door het verwoesten van Bards woning was Gerard zijn bevoegdheden ver te buiten gegaan door Boidinus te straffen zonder enige tussenkomst of inmenging van de gerechtsofficieren van de abt. Ook Gwijde van Dampierre breekt de tanden stuk op de macht van de abt.

Zo verzoekt hij in 1269 aan de abt om Jakemas van Castres die in de gevangenis van Poperinghem zit, te willen uitleveren. Hij belooft om die persoon dood of levend en binnen de acht dagen terug te bezorgen. Het is een mooi voorbeeld dat de graaf niet zomaar zijn gedacht kan doen. Hij dient de abt ten volle te eerbiedigen en te respecteren. In 1280 breken er zware onlusten uit in het nabijgelegen Ieper. Tijdens de Kokerulle vinden er zware rellen plaats tussen de Ieperse ambachtslieden en de lokale machtshebbers.

Ook de wevers van Poperinghem steunen hun collega’s. Het zijn de Poperinghemnaars trouwens die de Ieperse stadspoorten op gewelddadige manier vernielen. Nadat Gwijde van Dampierre de opstand heeft neergeslagen, neemt hij snoeiharde maatregelen tegen de Ieperse poorters. Hij kan naar eigen goeddunken zijn rechtsmacht uitoefenen omdat de stad onder zijn bevoegdheid valt. In Poperinghem is dit niet het geval. Gwijde wil wel maatregelen treffen in Poperinghem maar hij moet hiervoor om toestemming vragen bij de abt.

Hij stuurt om te beginnen Sohier van Belle naar Poperinghem om er een onderzoek in te stellen. De Poperinghemnaars zijn niet enkel schuldig aan het verbrijzelen van de Ieperse stadspoorten maar ook aan het beroven en doden van verscheidene mensen. Sohier van Belle krijgt de uitdrukkelijke opdracht om er voor te zorgen dat er geen schade of last mag berokkend worden aan de abt of aan het klooster van Sint-Bertijns.

Google maps preciseert anno 2014 de afstand tussen St.-Omer en Poperinghem op een kleine vijftig km. Een afstand die we op vandaag kunnen afleggen in een klein uurtje. De trip verloopt via de centra van Steenvoorde, Cassel en Arques. In de 11de, 12de en 13de eeuw is dit niet anders. Alleen de reissnelheid en het comfort van reizen verschillen wezenlijk van elkaar. De reis tussen de moederabdij van Sint-Bertijns en Poperinghem neemt ongetwijfeld een hele dag in het beslag op de ongetwijfeld modderige of soms stoffige verbindingsweg door de bossen van de Westhoek.

Om Poperinghem efficiënt te besturen, vaardigt de abdij een ‘prepositius’ af. Een proost. In een geschrift van 1107 leren we over een akkoord tussen abt Lambertus en zijn naamgenoot Lambertus van Reningelst waarbij de proost betiteld wordt als ‘prepositius’ of als ‘monachus procurationem ville habens’. De proost is een monnik die belast wordt met de goede gang van zaken in Poperinghem. In 1188 ontvangt de ‘prepositius domus’ te Poperinghem de abt van de Sint-Andreasabdij van Brugge. Franse oorkonden hebben het over ‘le prevos de Poperinghes’.

In een oorkonde van 1237 komt de titel ‘monachus’ naar boven. De prepositius vertegenwoordigt de abt van Sint-Bertijns voor wat betreft het beheer van het hele domein. Naast de geestelijke en rechterlijke macht, dient hij de ‘ministerialis’ te controleren, een hoge ambtenaar die zich bezig houdt met het heffen van de tienden en met het organisatorisch bestuur van de mark.

De proost is sowieso de hoogste functionaris van Poperinghem. Hij komt voor de baljuw en de magistraat van de stad. Op een charter van juli 1241 kunnen we dat ook vaststellen: in deze akte wordt vastgesteld dat, indien er mensen zijn die willen gaan wonen in de nabijgelegen heerlijkheid van het Zwijnland, ze op vrijdag of op zondag dat vertrek moeten bekend maken aan de proost, de baljuw en de hele wet van Poperinghem.

De voorloper van de baljuw heet aanvankelijk de ‘ministerialis’. In 1107 lezen we dat de ministerialis geen goederen mag wegnemen zonder uitspraak van de schepenbank en de finale toestemming van de proost. In dat jaar is er sprake van dat Odo van Reninghelst die ministerialis is van Poperinghem. Hij is met zekerheid de tweede in rang. Maar toch mag hij zich niet bemoeien met de privézaken van de inwoners zonder dat de proost hier uitdrukkelijk heeft om gevraagd. De ‘numero uno’ is de proost: hij heeft de zeggenschap over zowat alles in zijn Poperinghem. Hij beslist over het vrijkopen van een arme ridder van de militaire dienst. Hij is verantwoordelijk voor het ophalen van de tienden bij de bevolking.

De proost verricht die taken niet zelf, maar delegeert die aan zijn rechterhand, de ministerialis, de heer van Reninghelst. Als er taken zijn voor de ministerialis dan wordt die opgeroepen naar de curia met drie of meer paarden. Als er meer paarden worden gevraagd dient er ook voldoende haver te worden voorzien. Bij het ophalen van de tienden zorgt de ministerialis er voor dat die bijeengebracht worden in de schuur van het vroonhof. Omdat er door de jaren heen meer en meer akkerland in gebruik genomen wordt, zal de schuur van het vroonhof te klein worden om al dat koren op te bergen en verhuist al het graan naar de ‘corenhuuse’.

Overal waar er inkomsten te rapen vallen, maakt de proost gebruik van zijn rechterhand. Wanneer er opbrengsten zijn uit economische bedrijvigheid, dan is de proost van de partij om er zijn deel van op te eisen. Ook bij de vestiging en de oprichting van nieuwe bedrijven kan niemand iets beginnen zonder voorafgaande toestemming van de proost. Het al dan niet bouwen van molens, bewogen door paarden of handmolens op zijn grondgebied, kan niet zonder toestemming van de proost die zowat de supervisie heeft over alles wat zich voordoet in zijn domein.

Meestal beslist hij persoonlijk, in bepaalde delicate kwesties laat hij de beslissingskracht over aan zijn grote baas, de abt van Sint-Bertijns. De proost woont in de gebouwen van de proosdij, het vroonhof te Poperinghem. In de beginjaren woont hij er alleen, maar met het verstrijken van de jaren krijgt hij het gezelschap van twee medebroeders. Zijn woonhuis ligt achteraan de Sint-Bertinuskerk tussen de Bertenplaats en het Rekhof aan de Vleterbeek. Het vroonhof zal tot in 17de eeuw de verblijfplaats blijven van de proost. Hoe zit het eigenlijk met de opeenvolgende proosten die Poperinghem besturen? Zijn er namen bekend?

Tot in 1200 blijven het nobele onbekenden die nooit met hun naam in de geschriften worden genoteerd. In 1210 ondertekent Simon, als proost van Poperinghem, een akte van bisschop Jan II van Terwaan. Is die Simon diezelfde Symone de Poperinghem uit een oorkonde van 1186? In 1226 wordt Jacques als getuige aangehaald in een oorkonde betreffende een tiendenbetwisting te Neerwaasten. Tussen 1231 en 1237 verschijnt de naam van proost Willem in de geschiedenisboeken. Willem wordt opgevolgd door Bartholomeus Wasselin die Poperinge bestuurt tussen 1244 en 1268. Tussen 1269 en 1281 zwaait Jan de Wilde de plak. Hij wordt opgevolgd door Hendrik de Coudeschure die aanblijft tot in 1311. In de 14de eeuw zien we de namen verschijnen van Boudewijn van Gent, Pieter Dane en Joannes de Hegre.

We hebben het al gehad over de rechterhand van de proost. De ministerialis. Er mag niet aan getwijfeld worden dat de abdij van Sint-Bertijns al vanaf de 10de eeuw een ministerialis in dienst heeft die de praktische zaken van de villa Poperinghem voor zijn rekening neemt. Pas vanaf 1107 is er voor het eerst sprake van die belangrijke ambtenaar.

Hier komen ‘Les Seigneurs de Reninghelst’ voor het eerst op de proppen. De abten van Sint-Bertijns willen hun domein te Poperinghem efficiënt uitbaten en vertrouwen het ministerium toe aan de heren van Reninghelst. Reninghelst behoort net als Poperinghem tot het gebied van Sint-Bertijns en de kasselrij van Veurne. Tussen 1100 en 1300 ontwikkelt zich een vreemde relatie tussen de respectieve abten van Sint-Bertijns en de opeenvolgende heren van Reninghelst.

Les Seigneurs de Reninghelst in Poperinge

Voor 1107: Odo de Reninghelst

1107: Lambertus de Reninghelst (de zoon van Odo)

1147: Radulphus de Reninghelst (Rudolf) (de zoon van Lambertus)

1208: Lambertus Vulpes (kleinzoon Lambertus)

1226: Daniël & Beatrijs de Reninghelst met hun zoon Lambertus

1285: Gherart & Jehanne de Reninghelst met hun dochter Beatrijs en schoonzoon Boudewijn van Brabant

1315: Maroi Lobbe van Reninghelst

Poperinghem ontwikkelt zich tot een welvarende handelskern met een groeiende bevolking. De lokale macht van de heren van Reninghelst volgt die tendens. Het zijn zij die de tienden ophalen voor de proost en al snel ontstaan er mistoestanden. Wanneer ministerialis Odo van Reninghelst in 1107 overlijdt, komen zijn misbruiken aan het licht. De abt verwijt zijn zoon Lambertus dat Poperinghem tot aan de komst van Odo altijd in vrede heeft geleefd, maar dat zijn vader tijdens zijn leven de boel heeft belazerd en bedrogen.

Lambertus wil de rechten van het ministerschap van zijn overleden vader overnemen en gaat op bezoek bij de abt. Hij vraagt eveneens om een verlenging van het voogdijschap over specifieke lenen die zijn vader verkregen had te Poperinghem. Na lang beraad beslist de abt om Lambertus verder te laten gebruik maken van zijn lenen maar hij weigert aanvankelijk om hem het ministerschap van Poperinghem te geven. De kat komt op de koord: zijn vader heeft zich schuldig gemaakt aan gewelddadige geldafpersing van de ingezetenen van het domein.

Als ophaler van de tienden had hij recht op tien percent van de opbrengst maar blijkbaar was dit niet genoeg want hij eigende zich ongestoord de andere negentig percent van de tienden toe. Met andere woorden: diefstal ten koste van zijn soeverein. De abt kan er niet om lachen. Bovendien heeft zijn vader Odo geweigerd om de belastingen te betalen die hij verschuldigd is voor zijn eigen gronden in Poperinghem. Wat de hele zaak nog erger maakt, is dat hij de opbrengsten voor het vrijkopen van de legerdienst door de lokale ridders, in eigen zakken heeft gestopt.

De waslijst van overtredingen oogt indrukwekkend. Lambertus blijft aandringen om toch ministerialis te mogen worden en uiteindelijk geeft de abt toe. Hij schenkt in aanwezigheid van zijn medebroeders en ridders het beheer over Poperinghem aan de nieuwe heer van Reninghelst. De abt houdt een stok achter de deur: het ministerschap kan hem te allen tijde afgenomen worden als er geen einde komt aan de geldafpersingen en als er nog sprake zal zijn van het onrechtmatig toe-eigenen van tienden.

De rechten en plichten van de minister worden in 1107 nauwkeurig vastgelegd. Hoewel het ministerschap geen erfelijk karakter heeft, blijven de machtige heren van Reninghelst toch gedurende bijna twee eeuwen hun functie waarnemen in functie van de abdij van Sint-Bertijns. Verdere misbruiken leiden er toe dat de functie van ministerialis echter zal evolueren tot deze van ‘justiciarius’, een ambtenaar of baljuw met gelijkaardige bevoegdheid maar met nieuw strikt vastgelegde verplichtingen. De abt van Sint-Bertijns heeft het niet altijd onder de markt om zijn baljuw in toom te houden.

Soms zijn de malafide praktijken van ‘homo meus’ Rudolf van Reninghelst zo gortig dat de hulp van de graven van Vlaanderen moet worden ingeroepen. Diederik van den Elzas moet tussenkomen in 1151 en Filips van den Elzas doet dat in 1179. Telkens worden de afspraken van 1107 geschonden en bezondigen de heren zich aan het onrechtmatig ontvreemden van tienden. In de akten van 1190 en 1192 is er voor de eerste keer sprake van die baljuw en zijn bevoegdheden. Rudolf, de heer van Reninghelst, treedt op als aanvoerder van de manschappen van Poperinghem.

Graaf Filips van den Elzas geeft Rudolf de rechten om personen vrijstelling te verlenen van de legerdienst mits toelating van de abt of zijn proost. Rudolf kan als bevelhebber van het leger de krijgsoperaties van de mannen van Sint-Bertijns uit Poperinghem aanvoeren zolang hij zich verbindt geen boetes of geld toe te eigenen die te maken hebben met het afkopen van vrijstellingen. Als de heer van Reninghelst de abt ter hulp schiet met zijn krijgsvolk, dient de abt de justiciarius en zijn mannen te herbergen.

De baljuw blijft natuurlijk verantwoordelijk voor het innen van de belastingen en de gerechtelijke boeten. Het feitelijk beheer over een stad als Poperinghem is uiteraard een complexe aangelegenheid. De minister, baljuw of justiciarius heeft hierbij de hulp van een helper die ‘amman’ (een ambtman) wordt genoemd. In 1151 is een zekere Rogerus de amman van de stad.

In 1192 sluiten Jan, de abt van Sint-Bertijns, en Rudolf van Reninghelst een compromis betreffende het innen van de belastingen in Poperinghem. Bij het inzamelen van de brouwgerst krijgt Rudolf de toelating om twee kleine maten gerst voor zich te houden als tegenprestatie voor zijn werk. Voor het ophalen van het stro krijgt hij twintig solidi. Rudolf functioneert eveneens als politiehoofd. In ruil voor het handhaven van de orde in Poperinghem zal de heer van Reninghelst op het jaarlijks kermisfeest twaalf kippen krijgen.

In het begin van de jaren 1200 geraken de heren van Reninghelst in financiële moeilijkheden. Niemand weet waarom. Misschien omdat er een einde is gekomen aan het geknoei met de tienden? In 1226 ziet justiciarius Daniël van Reningelst zich verplicht om een lening van vijfhonderd Vlaamse ponden te vragen aan de abt. De vraag van zijn baljuw betekent zondermeer een buitenkans voor de grote baas van Sint-Bertijns en Poperinghem. Eindelijk heeft hij de heren van Reninghelst in de tang. In ruil voor de verstrekte lening zal Daniël zijn werk in Poperinghem zonder enige vorm van vergoeding moeten uitvoeren.

Gedaan met de kippen, de brouwgerst en de dinars die hij krijgt voor het innen van de boetes. Nee nee: vanaf nu zullen de heren van Reninghelst uit de hand van de abt eten. Het einde van het baljuwschap over Poperinghem door de ‘Seigneurs de Reninghelst’ komt stilaan in zicht. Hun geldnood blijkt chronisch. In 1285 is Beatrijs van Reninghelst de nieuwe baljuw van Poperinghem. Ze zit met haar gat vol schulden. Die geldmoeilijkheden dwingen haar om opnieuw te onderhandelen met de abt van Sint-Bertijns. Ze staat het baljuwschap over Poperinghem met alle inkomsten die er aan vast hangen af voor een periode van tien jaar.

Bovendien schenkt ze het goed dat vrouw Jehanna in gebruik had gekregen van Gherart van Reninghelst met daarbovenop nog een deel van het huis waar de gevangenissen van de stad zijn ondergebracht. Alles in ruil voor een som van vijfhonderd Parijse ponden. In 1315 is er nog sprake van scheidsrechters die zullen beslissen over het baljuwschap van de heren van Reninghelst. De zwanenzang van de berooide adellijke ‘hoirs de Reninghelst’ is aangebroken. De naam van Maroie Lobbe van Reninghelst is de laatste Reninghelstse naam van baljuw die nog wordt genoteerd in het geschiedenisboek van Poperinghem.

De abt, de proost en de minister en hun specifieke bevoegdheden kennen we nu. Maar er is in die tijd ook sprake van schepenen die omschreven staan als ‘scabini’. In 1107 is er in Poperinghem al sprake van scabini bij een overeenkomst tussen minister Lambert van Reninghelst en de abt. De overeenkomst bepaalt dat de minister geen geld mag opeisen zonder toestemming van de proost en buiten het oordeel van de schepenen. Net zoals haar zusterstad Arques telt Poperinghem zeven schepenen. Het is de abt of zijn plaatsvervangende proost die de schepenen kan afzetten zonder hierbij de heren van Reninghelst te raadplegen.

Voor wat betreft de benoeming van een nieuw schepencollege, kiest de abt één man die de eed van scabinus aflegt. De eerstgekozen schepen staat de abt bij met de keuze van de tweede scabinus. Daarna adviseren de twee verkozen scabini de abt voor wat betreft de keuze van de derde schepen. Zo gaat het verder tot alle zeven scabini van het Poperinghemse schepencollege verkozen zijn. Zoals je ongetwijfeld kan vaststellen, speelt de kliekjesvorming ook in die tijd al een prominente rol. Ons kent ons! De schepenen zijn de rechters van de heer. De abt. De rechtbank van de 12de en 13de eeuw. Bij het verkopen, verwisselen of verhuren van eigendommen worden getuigen opgeroepen die de transactie moeten bevestigen.

De scabini zijn de getuigen die ervoor zorgen dat deze handelstransacties ordentelijk verlopen. Elke verkoop van gronden moet geschieden voor de schepenen die dan net als een notaris en tegen betaling een akte opstellen waarbij ze verklaren dat er bijvoorbeeld een verkoopsovereenkomst tussen twee partijen wordt afgesloten. Dat geldt natuurlijk ook voor de verkoop van molens, renten en huizen. De belangrijkste taak van de scabini is aanvankelijk hun rechterlijke functie. Het zijn zij die recht spreken in Poperinghem.

In 1147 komt er in Poperinghem echter een college van negen keurheren, ‘choremanni’, die de rechterlijke taken van de schepenen overnemen. Het zijn die keurheren die de naleving van de stadskeure controleren en de criminele toestanden in Poperinghem bestraffen. Zowel de schepenen als de keurheren werden gerekruteerd uit de stadsbevolking. Beide zetelen in de curia, de ambtswoning van de proost. Ze maken samen de stadsrekeningen op.

Poperinghem. Heel wat mensen vinden werk in en rond het Vroonhof. Ook de spirituele behoeften moeten voldaan worden. Een kerk. Het altaar van Poperinghem! De eerste vermelding van die kerk in Poperinghem dateert van de 9de eeuw. In 864 bezit de villa een kerk die toegewijd is aan de heilige Catharina. De heilige Catharina van Alexandrië leefde in de vierde eeuw. Haar naam is verbonden aan het oudste christelijk klooster ter wereld, op de berg Sinaï waar haar lichaam er drie eeuwen na haar dood door lokale monniken wordt aangetroffen. Hoe kan de heilige Catharina van Alexandrië in godsnaam de verplaatsing tussen Alexandrië en de berg van Sinaï gemaakt hebben?

Bij ons spreken we op de dag van vandaag over fantasie en sprookjes?. In die tijd zijn dat mirakels en mythe. Een nieuwe heilige is geboren en de mythe zal ongetwijfeld in diezelfde periode aanleiding geven tot de bouw van een kapel in Poperinghem. De stichting van de Sint-Catharinakapel te Poperinghem dateert dus zonder twijfel, net zoals de meeste parochiekerken in de Westhoek, uit de periode tussen de jaren 650 en 700. In 1040 maakt bisschop Drogo van Terwaan een inventaris op van de kerken die zich in zijn bisdom bevinden. Poperinghem staat te pronken op het lijstje met twee personen die aan het altaar verbonden zijn: Rothardus en Osmundus.

Voor de abt van Sint-Bertijns, de ‘patronus et dominus de Poperinghes’, is het allemaal niet moeilijk. Het is zijn kerk. Hij is het die de kandidaten voorstelt die zullen zorgen voor de bediening van zijn kerk. De bisschop hoeft enkel te kiezen uit wat de patronus zelf voorlegt. Als we kijken naar het duo Rothardus en Osmundus, zien we dat Osmundus als reguliere priester, de ‘presbiter parrochialis’, de leiding op zich neemt en dat monnik Rothardus hem hierbij assisteert. In 1107 is Hagabarn de hoofdpastoor van Poperinghem.

In 1181 ontstaan er problemen tussen priester Lambertus en de abt. Het gaat natuurlijk om geld. Lambertus is getrouwd en heeft verscheidene kinderen. Hij eist een deel op van de tienden en de offeranden van het altaar van Poperinghem. Hij baseert zich hiervoor op het erfrecht voor zichzelf en zijn nageslacht. Uiteindelijk is ook hij zijn vader opgevolgd in alle rechten van de kerk. Hij brengt zijn zaak tot bij paus Lucius III die een onderzoek laat instellen.

Het geding blijft aanslepen. Na de dood van Lambertus probeert zijn zoon Lamlot het nog enigszins rechtmatig te houden maar Lamlot’s zonen vegen ook daar hun voeten aan. Ze leggen op gewelddadige manier de hand op de inkomsten van hun vader alsof het hun eigen bezit betreft. Het levert hen beiden in 1210 een excommunicatie uit de kerk op.

De ene zoon, Thomas, komt tot inkeer en schenkt wat hij zich onrechtmatig heeft toegeëigend terug aan de Sint-Bertijnsabdij. Het levert hem een jaarlijks inkomen van tien pond op. Zijn broer Lambertus wil zich ook schikken naar de wetten van de bisschop maar hij sterft onverwacht aan een beroerte. Uiteindelijk is het zijn zoon Lambertus junior die een gelijkaardige regeling treft. De hele zaak is in het jaar 1219 van de baan.

Vanaf 1237 staat een pastoor, bijgestaan door een kapelaan, in voor de zielzorg van de parochianen van Poperinghem. Dat heeft in eerste instantie alles te maken met de stevige bevolkingsgroei. De uit zijn voegen barstende economie van Vlaanderen zorgt voor een flinke uitbreiding van het aantal horigen in de Westhoek die zich voor wat betreft hun geestelijke zorgen meer en meer gaan richten op de parochies van Poperinghem, Arques en Coyecques. Het dient gezegd dat de lakenproductie in Poperinghem ondertussen een hoge vlucht heeft genomen. Het laken van de streek is in die tijd zowat over heel Europa een succesnummer.

Een voorzichtige schatting levert een bevolkingsaantal van zowat tienduizend zielen op in het Poperinghem van de 13de eeuw. Naar het einde van die eeuw toe, wordt de vraag gesteld of het niet opportuun zou zijn om de bestaande parochie van Poperinghem op te splitsen in meerdere parochies. De abt, de pastoor, de schepenen en keurheren dienen een officieel verzoek in bij Jacob, de bisschop van Terwaan. Deze stuurt kanunnik Jan van Ligne naar Poperinghem om de situatie ter plaatse te onderzoeken. Zijn er voldoende geschikte plaatsen om een kerk op te richten en om er een begraafplaats aan te leggen?

Is er eventueel huisvesting voorzien voor enkele nieuwe priesters? Zijn de schepenen en keurheren van Poperinghem bereid om op te draaien voor de kosten van twee nieuwe kerken? In 1290 beslist de bisschop van Terwaan om de villa van Poperinghem te verdelen in drie gescheiden parochies. De oorspronkelijke Sint-Bertijnsparochie, de ‘Sanctus Bertinus de Poperinghes’, blijft natuurlijk voorbehouden voor het centrum van de stad.

Daar blijft pastoor Hugo de staat van dienst uitmaken. Westelijk van het centrum zal een kerk ter ere van Onze-Lieve-Vrouw, ‘Sancta Maria de Poperinghes’ worden gebouwd. In het oosten krijgt de kerk de Heilige Johannes, ‘Sanctus Johannes de Poperinghes’ als patroon toegewezen. Tot op de dag vandaag heeft het moderne Poperinge nog steeds diezelfde parochie-indeling.