Rat veroorzaakt brand bij de paters

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 months ago     77 Views     Leave your thoughts  

Groot bezoek op 18 oktober. Karel, de 6de koning van Frankrijk komt naar Ieper. Met in zijn gezelschap Filips van Bourgondië, natuurlijk onze graaf Filips de Stoute. Ik verheug me om de precisie waarmee dit bezoek omschreven wordt. De koning logeert in de woning van Wouter van de Pitte en de graaf in het klooster van Sint-Maartens. Blijkbaar zijn de hertogen van Bourbon en Berry al eerder op bezoek geweest en zijn ze daags voor de intrede van de koning vertrokken. De Ieperlingen staan te dringen om de nodige attenties en geschenken over te maken aan de Fransman. Zes snoeken, een vat wijn van Poitou, een ‘keuwe Franschen wijn’, en drie lakens, te weten een scharlaken, een wit en een groen laken en nog dezelfde avond arriveert de heer van Nevers, de oudste zoon van de graaf met in zijn zog koning Leo van Armenië. De nieuwe gasten worden te slapen gelegd in het huis van Hendrik Floquies en ook zij krijgen hun deel van de lakens, de snoeken en de Franse wijn. Een week later zit het hoog gezelschap nog altijd in Ieper.

De 25ste oktober stellen de koning en de graaf een nieuwe opperbaljuw aan die hen moet vertegenwoordigen in de kasselrij van Ieper en die de 9 schepenen zal superviseren in hun rechtspraak. Ieper bezit inderdaad de totale jurisdictie over de hele kasselrij en de gemeenten die daar onder vallen, worden eens bij naam genoemd. ‘Dezen casselrie de welke het bestrek heeft op Boesing, Bixschote, Brielen, St. Jans, St. Jacob, Nederwaesten, Ondercomen, Onderbussche, Geveld, Languemarke, Rosebeke, Rousselaere, Zonnebeeke, Hollebeeke, etecetara.’ De opperbaljuw en de 9 Ieperse schepenen heersen over de vernoemde gebieden.

En als er zich echt belangrijke zaken voordoen, dan zijn er nog de lokale leenheren, de vazallen, zeg maar enkele edelmannen die in het bezit zijn van de nodige gronden in de respectieve parochies en op basis daarvan natuurlijk ook hun rechten claimen. De opperbaljuw luistert naar de naam Jan Slijpe en hij zetelt samen met 32 edelen in het Zaelhof. Drie van die vazallen worden bij naam genoemd: Francois Wijdebrouk, Geraet de Fannery en Woutre Mersiaen. De vonnissen worden geveld in het Zaalhof, ‘alwaer men plagte de misdaedige voor de poorten te straffen en te kastijden aen de boome gelijk eenige oude memorien uytwijsen maer deze boomen zijn ‘t jaer 1670 door eenen stormen wind weggerukt en als nu is de justitie volbragt op de markt voor het stadhuys voor d’heeren.’

Ondertussen valt er in Brugge weinig plezier te beleven. Terwijl de Franse koning in Ieper vertoeft, delen zijn adjudanten de lakens uit in Brugge. De Brugse jaarboeken geven het ook aan. ‘De Franschen, naer noch meerder macht wachtende, bleven aldaer tot in het midden van november; en middelertydt quaemen verscheyde van hun binnen Brugge; die aldaer zoo beestachtig leefden, dat het zelve aen de inwoonders onverdragelijk was.’

Wat de Fransmannen er uitrichten staat er niet bij. Maar de term ‘beestachtig’ figureert hier niet zo maar. De revanche van de Bruggelingen laat niet lang op zich wachten. Het gemeen begint weer samen te hokken, ‘bijeen te rotten’, en een deel van hen zijn al gewapend naar de markt gestormd om de Fransen mores te leren. De adjudanten vluchten in de huizen als ze de meute zien aanstormen. Gelukkig grijpt Jan van Gistel in. ‘Beseffen de mensen hier wel hoe het voor hen zal uitdraaien als ze het aandurven om de Fransen in de stad aan te pakken?’ Buiten de stadsmuren staat een aanzienlijke Franse troepenmacht en dit op zich is voldoende om de gemoederen voorlopig tot bedaren te brengen.

De hertog van Berry bezoekt in die dagen Sluis en hij adviseert zijn koning om de gevechten met de Engelsen op te schorten tot na de winter. Zo valt het besluit om zich terug te trekken uit Sluis. Ook hier is het weer opvallend dat de inwoners opnieuw de pineut zijn van het crapuleuze gedrag van de Franse bezetter. ‘De Franschen van Sluys vertreckende, beroofden vele van de inwoonders. Zij meenden het zelve oock binnen Brugge te doen, maer verscheyde wierden doodt gesmeten.’ Die van Brugge wagen het zelf om de hertog van Berry persoonlijk een lesje te leren. Op een bepaalde avond wordt hij aan de Carmersbrug aangevallen en gewond. De daders blijven onbekend.
In 1386 komen er zich Schotse en Portugese kooplieden vestigen in de binnenstad van Brugge en in de lente van het volgend jaar komen daar nog eens enkele vanuit de Algarve bij. Van de rest van 1387 is niets geweten. Daar komt verandering in tijdens het voorjaar van 1388. De Engelsen vallen een Vlaamse vloot aan bij het binnenvaren aan de kust. De schepen komen van La Rochelle en hebben onder andere 9000 kruiken wijn aan boord. De oorlog is weer eens bittere ernst voor de inwoners van Blankenberge en Sluys die het momenteel moeten stellen zonder een Frans garnizoen en die als een vogel voor de kat liggen te wachten om opgepeuzeld te worden door de Engelsen.

Het enige wat de Engelse huurlingen tegenhoudt om Sluis binnen te halen, is hun vrees dat ze zullen worden ingesloten door de Bruggelingen en die van het Brugse Vrije. Aan schermutselingen is er geen gebrek. ‘Zij vonden alleenelyck sommige kleyne scheepkens met krijgsvolk, de welcke aengelandt zijnde, Mude, Oostburg, Houcke, Meunickreede en Coxyde berooft en verbrandt hebben, alzoo met den genomen buyt wederkeerende.’ Ieper staat er in die dagen wel beter voor. Hun relatie met de Fransen en met de graaf is stabiel en daar oogst de stad de vruchten van. De Ieperse kronieken hebben het over een nieuwe stadsomwalling.

‘Anno 1388 op den 6de april heeft den edelen heere Elooi Ludovicus van Dixmuyde, alsdan voogdt der stadt van Ypre, den eersten steen geleydt van de eerste nieuwe stadts meuren ende vestingen. Desen eersten steen wiert geleydt aan de Torroutpoorte, tusschen het geklank van trommels, trompetten, walthorens, schalmeyen, minnetruls alias vyolons, met een algemeyne blijdtschap der borgers, want de stadt te vooren maer omcingelt was, met aerden vestingen, met doornen haegen en thuynen, die door het voorgaende beleg der Engelsche merkelijck geschonden waeren.

Dese nieuwe steenen stadts meuren, wierden gebauwt op de kosten van het geheel gemeente; maer aengaende de vier voorsteden, die door de Engelsche soldaeten verwoest waeren en wierden niet meer erbauwt, maer de inwoonders der selve, wierden gesonden naer Poperinge, Meenen, Comen, Wervick ende ander plaetsen, om de wolleweverie te erstellen. Ieper heeft dus definitief afgerekend met het gepeupel dat niet eens de kans kreeg om binnen de stadsbescherming te wonen en altijd maar weer aan de basis lag van grote vernielingen en problemen in de stad.

‘Want uyt de inwoonders der voorborgten, waeren dikwils oorsaeken gesproten ofte aldaer eerst begonst, van grote beroerten, ende onbeschrijvelijcke tumulten.’ ‘1388. Het H. Bloedt wederom vloeybaer’. Als krantenkop kan dit tellen. Ik houd wel van mirakels, van die goede ouderwetse mirakels zoals we die op vandaag niet meer meemaken. Ik vertaal de tekst van de Brugse kronieken in een artikel dat zo in de ‘Krant van West-Vlaanderen’ kan verschijnen. ‘Op 29 april 1388 is het dierbaar ‘Bloed van Onze Lieve Heer’ dat hier in Brugge rust en zowat 78 jaar onveranderd is gebleven nu plots enigszins roder van kleur geworden.

Van het bloed zijn er zelfs enkele druppels vloeibaar geworden en die hebben zich miraculeus van de rest afgezonderd. De druppels konden zelfs in een nieuw kristallen vat worden vergoten. Het vat zelf zit nu ingekapseld in een omhulsel van een kilo goud en versierd is met edelstenen. Allemaal in opdracht van het magistraat van Brugge. Het spektakel, ‘ een wonder teecken van de bermhertigheyt Godts’, speelt zich af in tegenwoordigheid van de bisschoppen van Ancona, Terwaan, en Lincoln. Ook de abten van Clairvaux, Ter Duinen en Ter Doest zijn aanwezig samen met het voltallig Brugs stadsbestuur.

De kerk van Sint-Donaas mag je in 1389 stokoud noemen. Het is er aan te zien. Door haar hoge ouderdom dreigt ze elk dag te kunnen instorten. De kanunniken zullen er veel geld moeten tegenaan gooien om het gebouw weer in zijn vroegere glorie te herstellen. Een deel van de fondsen komt van de verkoop van het goud en het zilver dat in vroegere tijden werd geschonken door Gunildis, de vrouw van de Duitse keizer Hendrik de derde. Kronieken die oude koeien uit de gracht halen. Fijne roddels. Hendrik zou zijn vrouw van ontrouw en overspel hebben beschuldigd waardoor Gunildis zich in Brugge gaat afzonderen tot aan haar dood op 21 augustus van het jaar 1042.

De meest uiteenlopende zaken doen de ronde over die Gunildis. Onze schrijver wil een en ander best eens uitpluizen en komt na een lang verhaal tot de slotsom dat niemand precies weet hoe de vork in de steel zit en dat het goed mogelijk is dat er sprake is van een naamsverwisseling en dat de Brugse Gunildis mogelijk geen uitstaans heeft gehad met enige Duitse keizer. Ik ga er niet verder op in en vertrek liever eens naar het bruiloftsfeest van Anastasius van Outrez, de zoon van de Ieperse burggraaf Johannes.

De vader van de bruid heeft een hoofdrol gespeeld bij het beleg van Ieper nu al zes jaar geleden. Hij was commandant van de burgerwacht en nu zijn alle kapiteins die onder hem hebben gediend ook uitgenodigd op het huwelijksfeest. Ze hebben allemaal gevochten tegen de rebelse Gentenaars en hebben zich hiermee onsterfelijk gemaakt. Met 16 zijn ze en ‘onder deze 16 capiteynen was den heldaedigen heer Lambertus Heyse den welken met de 16 cantons van Iper quamen gewaepent met trommels en vendels om deze bruyloft feeste te vereeren met tournoyen en stekspeelen.

De princelijke gilde van St. Anna verthoonden op eenen theater de blijgeestige trouwfeeste van de schoone Rachel met den patriarch Jacob.’ Het is niet enig stuk toneel dat opgevoerd wordt. Ook het trouwfeest van koning David met de voorzichtige Abigail en dat van koning Assuerus met de godvruchtige Ester wordt door de diverse gilden opgevoerd. Tijdens die dagen wordt Lambertus Heyse klaarblijkelijk aangesteld tot schatbewaarder, tresorier van de stad Ieper waardoor de feesten nog aan glans en intensiteit winnen.

De Ieperse jaarboeken vertellen het in geuren en kleuren en tot in de kleinste bijzonderheden. Geschiedenis om van te smullen. Heyse is zodanig tevreden met zijn benoeming, dat hij besluit om achteraf ook een feestje te bouwen met zijn tafelgenoten. Ik zie het zo voor me. Het hele gezelschap met een stuk in de voeten breien er nog een afterparty aan. De tekst van de jaarboeken geeft uiteraard de gekuiste versie van het verhaal.

‘Want naer dat de bruylofts daegen geeyndigt waeren heeft d’heer Lambertus de Heyse alle de zelfste persoonen zoo heeren als de damen ter taefel genoot en des avonds hebben de gilde broeders van St. Anna op t’verzoek van d’heere Heyse hun gezyd spel wederom vertoont voor alle de genoode in een groot en onbewoond huys het welke aen d’heer Heyse toebehoorde.’ Tot mijn verrassing kom ik nu terecht op enkele honderden meters van mijn eigen woonplaats.

Dichtbij de plek waar het Egliseum zo moeizaam een nieuwe toekomst probeert op te bouwen in het Ieper van 2014, de ‘Paters’. Het kan maar daar zijn: ‘aen de westzijde van de Mondstraete regt over de Paterstraete alwaer de kerke der Jesuiten nu staet.’ Het feestje loopt slecht af. ‘In dit onbewoond huys moesten zij hun spel vertoonen ter oorzaeke van het quad weder mits het gedeurig regende.

Dit spel nu voltrokken zijnde, zijn de aensienders en spelders vertrokken. Des nagts ontrent den 2 heuren is dat gezeyd huys in vier gekomen door eene keerse de welke veronagtzaemelijk was niet uytgeblaesen en mogelijk door eene ratte al brandende hadde weggeslept geweest.’ Brand dus en ik laat de kronieken verder hun relaas doen. ‘Mits daer niemand in en woonde zoo stond het binnen vol vier en vlamme eer den brand zig uytwendig vertoonde waer door dat het huys is onblusschelijk geworden, welken brand ontsteken heeft een kleen agter huysken ontrent de vesten alwaer dat’er woonde een arm huysgezin en de vrouwe was over 4 daegen in het kinderbed gekomen de welk met haer kind levende zijn verbrand.’

Lambertus Heyse moet zich best schuldig hebben gevoeld. En dat is waarschijnlijk ook het geval met de Ieperse beau monde. ‘Dog onsen burggraef Outrez met den heer Lambertus tresorier van Iper en nog ander capiteyns hebben uyt medelijden aen dien armen man met naeme Lauwen Schote, hebbende 6 kinders, elk eene somme uytgeleyd van 20 guldens. De andere heeren en genoode gaven ook eenige giften om dezen Lauwen Schote en sijnde kinderen te herstellen zoo dat zij eene beurse van de vergaederde penninge bedroeg 420 guldens het welke eene groote somme van in diene tijd.’

Tijdens diezelfde periode komt het tot een akkoord tussen het Brugse Vrije en de stad Sluis. De graaf gaat er mee akkoord. Het valt op dat de term ‘graaf’ stilaan plaats ruimt voor ‘prins’. De prins van Bourgondië stemt dus in met de deal. De vrijlaten mogen een schuilplaats zoeken in Sluis moest de oorlog weer gaan oprispen. Ze moeten daarvoor geen ‘ongeld’ betalen.

Vrij in en uit in Sluis met als tegenprestatie dat enkele schepenen zich vrij kunnen vestigen in de buitengebieden van Brugge zonder daarbij lasten of taksen verschuldigd te zijn en dat de Sluise poorters ‘aldaer neeringe zouden mogen doen’. Op de 15de oktober van 1389 verdwijnt de legitieme paus Urbanus de 6de van Rome van het toneel. Voor alle duidelijkheid: hij sterft. Hij wordt opgevolgd door Bonifatius de 9de die zal meegaan tot de eerste oktober van 1404. Het is de voorbije jaren wat geweest met die pausenhistorie.

De Ieperlingen hebben er hun beleg aan te danken en de kwestie blijft ook na de dood van Urbanus voor beroering zorgen. Zowel in Brugge als in Ieper hebben ze het er uitgebreid over. De kardinalen in Rome kiezen naar eer en geweten hun nieuwe sterke man Bonifatius als ‘wettigen paus van de Roomsche Kerke, zoo gehouden dat wij zonder vreeze van te doolen hem insgelijkx den waeren opvolger van St. Petrus mogen naemen.

De Fransen weigeren nog altijd om het gezag van de paus van Rome te erkennen en beschikken over een eigen exemplaar. Clemens, die vanuit Avignon claimt dat hij de enige leider is van de katholieke kerk. Filips de Stoute behoort dus tot de adepten van de Clemens en stelt zich daarmee diametraal op tegenover de Vlamingen die de paus van Rome hardnekkig blijven steunen. In een tijd van Facebook- en Twittertoestanden zou er best wat mee afgelachen worden met die twee kadetten. Maar vergeet niet dat we nog leven in de 14de eeuw en dat die verplichte keuze tussen de twee pausen een zeer gevoelige materie is.

Dit is een fragment uit de Kroniek ‘De Schone histories van Brugge en Ieper’, die kan je hier lezen..