Reuze Rolarius en zijn vuile Sjarlotte

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     509 Views     Leave your thoughts  

’t Vertellement van reuze Rolarius en vuile Sjarlotte

Geleerde bollen en wijsneuzen zeggen dat de name Roeselare betekent: wiegewaggend riet in een open plekke in ’t bos.

‘k Peize dat ze ’t bij ’t rechte ende hebben, want zo zag er die streke uit, vele eeuwen geleden. En in dat waaiende rietveld langs de brede Mandel bouwt de reuze Roelaar een groot kasteel, en is here en meester over Roeselare en heel de streke rondom. De boeren moeten hem tarwebroden leveren en de schippers op de Mandel betalen hun contributie met wijn en mede.

Roelaar gaat jagen in ’t bos van Houthulst en in ’t Wijnendalebos en eet alle dagen buik-sta-bij. Maar…. voor een veranderinge moet de schout van Roeselare em twee keren per jaar een wicht van een paar maanden bezorgen. En dan is ’t voor die wrede menseneter grote kermesse.

Op een verwaaide keer komen een handsvol Romeinen voorbijgereden. ‘Hola mannetjes’, roept de reuze, ‘waar naartoe?’ ‘Da’s nog een vrage!’, roepen de Romeinen terug. ‘We rijden hier op de Zeeweg, een weg van ons, we rijden over Torhout, Aartrijke en Roksem naar Oudenburg aan zee.’

‘Kom ne keer aansteken!’

De Romeinen, volk dat van helle noch duivel benauwd is, rijden met hun snijdige peerden de valbrugge over. De reus verwelkomt ze, stelt zichzelve voor: ‘ik ben de reus Roelaar.’ ‘Ha, ha’, zeggen de Romeinen, ‘de reus Rolarius’.

Die name klinkt geleerd. ‘Goed’, zegt de reus, ‘ik ben Rolarius.’ En hij braadt een ree aan ’t spit, rolt broden over de dis, schenkt perelende wijn. Ze kouten en klappen, vertellen kluchten van ’t Manneke uit de mane, drinken zich bijkans poereloer. En de honderdman, met zijn blinkende helm zo scheef als een slaapmutse, zit af te geven over zijn dochter Sjarlotte Vulgo, ’t snelste en felste vrouwmens van heel de Belgiek.

‘Al zeggende woorden’, knikte de reuze, ‘maar kom ze ne keer togen!’. En waarlijk, de honderman brengt zijn dochter mee. Rolarius scherrelt zijn ogen open van kontentement. ‘Seldermenten’, vloekt hij, ‘zulk schoon struis vrouwmens!’. ‘En nog ne kop langer dan de koninginne van Denemarken.’

Ze bevalt hem zodanig dat hij met haar wil trouwen. Sjarlotte slaat toe, blijft bij de reuze Rolarius huizenieren, en bleust en bloeit lijk een kerkeroze in de Sinksendagen. Meer dan de helft van de dagen zit ze met heuren vent op de stenen bank tegen de kasteelwal. Dat is niet naar de zin van een paar snetsen uit ’t gebuurte: ”t is daar in huis voorzeker een vuil stalletje van Betlehem. Je ziet dat schepsel nooit met een bezem of een dweil. En hoe heet ze? Sjarlotte Vulgo? Zeg maar gerust Vuile Sjarlotte…’

De reus en reuzinne hebben veel bekijks. De voorbijvarende schippers zwaaien met hun mutse. En onder mekaar zeggen ze ‘Roeselare mag van geluk spreken met zo ’n wacht voor de deure. ’t En is geen ene politiecommissaris in ’t land die beter een stad beschermt.

Maar de schout van Roeselare zingt een toontje lager. Rolarius heeft voor trouwcadeau gevraagd dat ze hem nu vijf keer per jaar een wicht moeten brengen. ‘En tegen niemand zeggen of ‘k schoppe julder huizekotjes, houtvimmen en schelven lijk molshopenuiteen. Welverstaan, he!’

En de schout die peinsde; met een vrouwmens in zijn kot zal hij dat niet meer durven doen. Niet meer durven? Sjarlotte weet er hok noch kik van. Want die smerige menseneter steekt het wicht in ’t hooi en loopt ’s nachts de prooi verslinden. De schout kan ’t niet langer over zijn herte krijgen. Hij gaat te rade bij een kluizenare achter de Gitsberg, die er de koning van de Roeselaarse kaboutermannetjes bij roept. ‘We zullen hem wel koelen zonder blazen’, zegt de koning, ‘maar aan niemands neuze hangen!’.

Een maand later is ’t Joelfeeste. De zoevende winden rijden te peerde over de kruinen van d’eken en d’achtkanters. Elk jaar die op de dertiende na de Joeldag volgt, trekt de reuze door weer en wind en ijs en brimmel naar d’een of d’andere kermesse. Wel kort voor de Joel trekt de kabouterkoning zijn stoutste schoenen aan en gaat de reus opzoeken in zijn houten kasteel. ’t Is de eerste keer dat de reus een kabouter ziet. Hij berst bijkans van ’t lachen.

‘Je ziet het’, zegt die pleute van een koning, ‘gij zijt de grootsten en ik ben de kleinsten. Wel de kleinsten komt de grootsten naar de kermesse van Dertiendag vragen. Je zult content zijn. Kabouters kunnen meer of da ge peinst.’

”k Zal er zijn!’, slaat de reuze toe. Op de avond van Dertiendag stapt de reuze wijdbeens over bramen en grachten naar ’t kabouternest. De kabouterkoning wacht hem af en trippelt den eersten door de gang die ze dubbel zo hoge gegraven hebben voor ’t hoog bezoek. ‘En diepe stuipen Rolarius’, zegt het koningske, ‘dat je met jen dikkop geen gat in ’t plafond stuikt.’

De reuze volgt dubbeltoegebogen. Tot ze aan de feestzale komen. Daar ook kan de reuze nog niet rechtop staan. Maar zijn zetel staat gereed. Als de reuze neerzit, genaakt zijn weerborstel precies ’t plafond, maar ja, dat en doet geen zeer. Een hele reke kaboutermannetjes staan gereed om de reuze te bedienen; een met twee koeitongen, een met de sausepanne, een met een dikke schelle leverworst, een met de geroosterde hespe van een wild zwijn, een met een gebruinde kalkoen, een met brood, drie kaboutertjes met een djuusche grote appeltaarte.

En tien kaboutertjes tappen wijn uit twee grote vaten. Die vaten liggen daar al tien jaar te wachten. De kabouterkoning heeft ze cadeau gekregen op een helledonkere nacht, toen hij met zegge eenenzestig kaboutertjes uit de verstelde wagen van een wijnmarchand uit de gracht heeft geheft.

’t Sloeg djuuste twaalve op Rumbeke torre. En als ’t twaalve van de nacht slaat heeft een kabouter macht lijk een peerd. De reuze zit te snuiven en te lekkebaarden naar die kloeke Bourgogne, en drinkt twee, drie kannen wijn bij iedere pla. En als je ’t djuuste wilt weten; kannen met een dikke buik!

Een gewone mens zou met één kanne in zijn liere al zingen lijk een loteling. Maar reuze Rolarius is deurdronken lijk een oliepulle. ’t Is maar nadat hij de laatste slok van de laatste kanne binnengeleersd heeft dat hij begeeft. Zijn dikkop zakt op de tafel nere en hij begint te snurken en te grollen lijk een leeuw in zijn hol.

”t is ’t moment!’, zegt de koning. Hij geeft teken aan de wacht, die op een haze wupt om de schout te halen. ’t Gaat lijk met den expres. In een aai en een draai is de schout daar met al zijn garden. De kabouterkoning zegt; ‘daar heb je hem. Hij en zal in geen drie uren wakker worden, maar trunt er niet ee. Ge moet er geen duts op zijn.’

De garden slepen de reuze naar buiten, binden hem op het bul van een gevelde eke, slaan een wigge in zijn herte en slepen hem naar de Mandel. De Mandel voert die Goliat naar de Leie, en de Leie naar de zee.

De schout en zijn garde vieren tot d’haans kraaien, want dat eeuwig dreigement van die groten tiran is voor goed geweken. Diezelfden uchtend zien de Blankenbergse vissers hem drijven in de zee. Ze peinzen dat ’t een walvis is. Welgezind en haast je zere, smijten ze hun haken uit en trekken de walvis tot bij hun schip. En dan zien ze dat ’t een reuze is, een dode reus. Zo dood als een dode vis. Ze vertellen het aan Jan en Pier en Klaai en niet allene Roeselare, maar Vlaanderen is gerust en content dat ’t uit en amen is met Rolarius.

’t Houtmanneke in ‘Het Manneke uit de Mane’ van 1977

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>