Roesbrugge brandt!

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     605 Views     Leave your thoughts  

Filips de Goede gaat af als een gieter
Afgaan als een gieter kan je het ook noemen In de jaarboeken omschrijven ze het ietwat subtieler: ‘dat bedrijf baerde aen den hertogh groote droefheyt ende schaemte.’ En ook de soldaten van Veurne kunnen nu terugkeren naar hun thuisstreek. De Veurnse schrijver probeert zijn eigen volk de nodige legitimatie te bezorgen. Al dan niet terecht, wie kan het achterhalen? ‘De serjanten van Veurne quamen alsdan oock naer hun huys, maer op eene treffelicker wijse, vermidts dat sy daer toe oorlof gehadt hebben.

Alsoo wiert dit belegh opgebroocken tot verderfvenisse van geheel West-Vlaanderen.’ Bij aankomst van de Engelse vloot, neemt de vijand de locaties die de troepen van Filips de Goede bezet hielden, over. De Engelsen komen nu zelf met een leger op de proppen dat klaar is voor een noordwaarts gericht offensief. De West-Vlamingen zien de bui al hangen en ‘waren alsdan in groote vreese van door de nieuwe aengelande troepen afgeloopen te wesen; daerom die van Veurne en Veurnambacht gedeurichlick volck onderhielden tot Grevelynghe, welcke hun dagelicx waerschouwden van ‘t gene datter in het Engelsch leger geschiedde, ende wat voornemens dat men er bedochte.

Men sach alsdan een ider in roere: de landslieden vluchten hunlieder goederen in de beslotene steden.’ De oude kronieken van Veurne hebben het met geen woord over de crapuleuze en plunderende terugkeer van de ruziënde Vlamingen naar hun thuissteden. Ze concentreren zich meteen op een algemene vergadering die op 7 augustus doorgaat in Veurne. Aanwezig zijn de afgevaardigden van de stad en die van Veurne-Ambacht. Hoe kunnen ze in hemelsnaam deze vijand weerstaan? Er wordt een brigade opgericht om de kant van de kust in de gaten te houden. ‘Er wiert geradich geoordeelt van dertigh mannen te peerde te onderhouden, om wachte te doen langst ‘t Vloeymarck’.

De Vloeimark tussen Nieuwpoort en Zuidcote
Pauwel Heinderycx verduidelijkt meteen dat het Vloeimark een gedeelte van het strand is dat bij iedere vloed overstroomd wordt door de zee. De plek bevindt zich tussen Nieuwpoort en Zuidcote, ergens in de buurt van het latere De Panne dus. In een verklarende uitleg van Biekorf uit 1968 krijg ik nog een andere variante van de naam te weten: de Vloedemaerc is de lijn, het hoogste punt waar de vloed het strand bereikt. Zichtbaar gemaakt door een strook van aangespoelde schelpen.

De dertig wachters te paard moeten alarm slaan als de vijand de grens oversteekt en ze moeten dat doen via de zeetorens die aan de strandlijn opgesteld staan. ‘In sulckdanich geval moesten alle de lieden der casselrie gewapent langst den zeecant trecken, om de vyandt te wederstaen.’ De archieven van Veurne geven achteraf ook aan dat er op alle kerktorens van heel Veurne-Ambacht twee personen opgesteld slaan om bij het minste onraad de klokken te luiden. Een van de besluiten van die fameuze algemene vergadering is ook om opnieuw hulp te vragen aan de hertog en aan de Staten-Generaal van Vlaanderen.

De hoogbaljuw krijgt de opdracht om zich naar Atrecht te reppen waar de hertog zich nog altijd bevindt. Hij wordt vergezeld door Diederik Van der Torre, een afgevaardigde van Veurne-Ambacht. Ietwat tot mijn eigen verbazing, stemt Filips de Goede in met extra hulp. ‘Den hertogh voldeed terstont hunlieder vrage, ende stelde wederom Wouter van Ghistelle als capiteyn der stede ende casselrie van Veurne.

Christiaen van Sceuvele wiert insgelicx gesonden om de selve reden door de stede ende Pieter Van der Meersch van wege de casselrie, by de wet van Brugge ende ‘t magistraet vanden lande van ‘t Vrije, om hunlieder te kennen te geven het groot perijckel daer in sy verkeerden, ende hun om bystandt van volck ende munitien van oorloghe te bidden.’ Het is duidelijk: ook in de regio van Brugge heerst er een aan paniek grenzende onrust over de op komst zijnde legers van de Engelsen.

12.000 Engelsen zijn op komst naar de Westhoek
De hertog verwijst naar een eerder genomen resolutie van de Raad van Vlaanderen die al in bijstand voorzien heeft en laat de vragen dit keer blijkbaar als water op de veren van een eend van zich afglijden. De Bruggelingen hebben hem eerst laten zitten met de gebroken scherven. Waarom zou hij nu op zijn beurt extra moeite doen? Het is precies alsof ik op woensdag 10 augustus 1436 aan de ontbijttafel verbijsterd de voorpagina van ‘De Morgen’ inkijk.

De grote kop is gewijd aan onze streek. ‘Den hertogh van Glocester ruckt West-Vlaenderen in aen het hooft van 12.000 Engelschen’. Gisteren hebben ze ter hoogte van Grevelingen de Aa overgestoken en slaan ze aan het roven en verwoesten in de hele streek van Broekburg-Ambacht. In Veurne hebben ze hetzelfde nieuws ook al gelezen of gehoord. ‘Die van Veurnambacht hielden wederom eene algemeen vergaderinge op den 11de der geseyde maend, ten eynde den besten middel te vinden om de stadt ende casselrie soo veel mogelick van ongeval te bevrijden.’ Ze hebben inderdaad slecht nieuws binnen gekregen vanuit Grevelingen.

‘Dat d’Engelschen dieper in ‘t lant souden commen: daerom wiertter dadelick bevolen van de uutterste passagien der casselrie met vele volck te besetten, te weten: tot Oostcappel, by Hondschoote, ter Duynen ende langst de zee. Wouter van Gistel verhuist met een massa landvolk naar Oostcappel. Charles van Pollinkhove, een belangrijke boer die in die dagen als landhouder van de commune wordt beschouwd, trekt met een hoop boeren naar Hondschoote. Een andere groep onder leiding van Lanceloot Veyse positioneert zich in de Marestraat te Adinkerke.

Roesbrugge wordt in brand gestoken
De 12de augustus laten de Engelsen Broekburg achter zich en rukken ze verder op tot bij Duinkerke waar ze halt houden. ‘Daer door vermeerderde den schrik in Veurnambacht uutnemende’. De volgende dag trekt de vijand voorlangs Sint-Winoksbergen en slaat een deel van de Engelsen de weg in die leidt naar ‘Quaet-Ypre’. De rest vervolgt de weg richting ‘Ekselsbeecke. Dit laetste verbrandde het casteel van aldaer, midtsgaders alle de huysen die sy voorby trocken.’

Ik lees verder. De situatie staat me van langs om minder aan. ‘Die afdeelingh vervoorderde sijnen wegh daer naer door Bambeke ende Oost-cappel daer Wouter van Ghistelle, here van Ekelsbeecke met het lantsvolck was, dat hy onder sijn gebiedt had’. De Engelse overmacht is te sterk en de Vlamingen moeten wijken. Nu de tegenstand op de vlucht is geslagen, kunnen de Engelsen zonder tegenstand doorstoten tot over de Ijzer.

De Westhoek ligt nu open en bloot en klaar om ingenomen te worden. Roesbrugge wordt het eerste slachtoffer. ‘De Engelschen trocken toen sonder tegenweer over den Ysere, te Rousbrugghe, ende verbrandden geheel dit dorp; sy trocken alsoo voorts door Proven naer Poperinghe, alwaer den hertogh van Glocester zijn leger dede camperen.’ De schrijvers van die oude Veurnse jaarboeken komen woorden tekort om de schade van de Engelse ravage in kaart te brengen.

Ze roven, beroven en plunderen zowat alles en iedereen. Huizen, kerken en godshuizen worden niet gespaard. Ik stap weer over op de oorspronkelijke verslaggeving: ‘Sy namen alle de lieden die sy vonden gevangen ende stelden ze te rantsoen, ofte sloegen ze doodt. De vrauwen ende dochters vercrachten sy, ende deden menichvuldige andere vreetheden te lanck om alle afsonderlick te verhalen.’

De doorgangen aan de Ijzer worden bezet gehouden
De troepen van de hertog van Glocester houden halt in en rond Poperinge. Blijkbaar houden een aantal Vlaamse sujetten zich hier schuil. Verbannen uit hun thuissteden zijn ze er op gebrand om revanche te nemen op hun magistraten. ‘Die van Glocester wiert er gedient van vele ballingen uut dit lant die hem van alles onderrichten.’ Dat halt houden in Poperinge is trouwens een rekbaar begrip. Het Engelse schorremorrie is er als de kippen bij om de hele boerenbuiten van de Westhoek af te lopen.

Het bestuur van de kasselrij wil de parochies zo veel mogelijk van schade vrijwaren en geeft opdracht om de sluis van Nieuwendamme wagenwijd open te zetten. ‘Sy lieten het zeewater soo hooge als het mogelick was, de landen overspoelen, soo dat alle de meerschen die aen den Ysere paelden, verdroncken wierden.’ Iedereen die wapens in huis heeft, moet zich naar de Ijzer reppen en er voor zorgen dat de Engelsen er niet overheen kunnen. Wouter van Ekelsbeecke vertrekt met 800 man naar Roesbrugge om alsnog een terugkeer van de Engelsen te verijdelen en om nieuwe baldadigheden tegen te gaan.

Charles van Pollinkhove bevindt zich ter hoogte van Elzendamme. Philips van Haveskercke positioneert zich bij Staveldamme. Alle mogelijke doorgangen over de Ijzer worden bezet gehouden, ‘maer alles de prochien van zuyden de voorseyde riviere gelegen, bleven in de genade der Engelschen, welcke die al verwoest, verbrant ende afgeloopen hebben.’ De stad Poperinge krijgt er ook van langs. Het moet een hallucinante ervaring zijn voor de inwoners. Het Engelse stelletje ongeregeld steelt en plundert er op los. Duizenden losgelaten hooligans die het recht in eigen handen nemen en door niets of niemand belemmerd worden.

De buit in Poperinge verdwijnt in 1200 wagens
De hele stad wordt daarna in brand gestoken. De buit in en rond Poperinge wordt op 1200 wagens geladen. Dat aantal geeft de grootschaligheid van de operaties aan. Ik probeer me er een idee van te vormen. Een colonne van minstens een kilometer of tien met oorlogsbuit moet het zijn.

Volgeladen met lakens afkomstig van de lokale textielindustrie. In Poperinge valt er nu echts niets meer te rapen en zo gaat de militaire verslindingstocht naar de regio van Belle met de omliggende parochies van Nieuwkerke, Niepkerke en Steenwerck die allemaal hetzelfde lot als Poperinge ondergaan. Daarna komt Cassel-Ambacht aan de beurt en dan Arques in de buurt van Sint-Omer. Die van Cassel zijn ondertussen op hun hoede en vooral uit op een revanche voor de dood van 300 van hun medeburgers enkele maanden geleden. Ze blazen verzamelen voor 5000 Casselnaars.

Waarom zouden ze de buit van de Engelsen niet kunnen recupereren? Hoogbaljuw Colaert vander Clyte die zich ophoudt in zijn kasteel van Renescure verbiedt de geplande actie van die van Cassel. Het is een dwaas idee om het op te nemen tegen een overmacht van volk met daarbij dan nog een getrainde cavalerie. ‘D’Engelschen vertrocken hun op die wijse seer gerustelick van Arcke naer Cales, vergezeselt niet alleen van al hemlieder roof, maer noch vijf hondert kinders der rijckste lieden die sy genomen hadden, ende die sy daer naer ten rantsoene stelden.’

De oorlog verplaatst zich nu naar het noorden
Ieper, Veurne en Diksmuide mogen zich verdorie gelukkig achten dat de inval van de Engelsen zich voorlopig en voornamelijk beperkt heeft tot de gebieden ten westen van de Ijzer. Maar ook vanaf het noorden blijkt er nu gevaar te dreigen. Op 10 augustus landt er een Engelse scheepsvloot aan de kust van Oostende waar grote konvooien ontschepen en hun weg inzetten richting het Oostvrije, de streek van Maldegem en Eeklo.

Overal weer grote schade natuurlijk. Jan van Hoorne, de heer van Bausigny en Hondschoote, pas benoemd tot kapitein-generaal van West-Vlaanderen, verlaat zijn bolwerk te Sluis om, in naam van de hertog, een riem onder het hart te steken van die van Veurne en van Nieuwpoort. Hij besluit om incognito te reizen en dat wordt hem noodlottig. Maar dat lezen we in een volgend hoofdstuk van de jaarboeken van Veurne. Ik kan alvast vertellen dat de oorlog in het Westland nog lang niet voorbij is.

Dit fragment zal deel uitmaken van deel 5 van De Kronieken van de Westhoek en verschijnt in de loop van september 2015. – Lees verder op http://www.westhoek.net/P1435001.htm

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>