Romeinse schatten in Dadizele

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       10 months ago     345 Views     Leave your thoughts  

De geschiedenis van Dadizele

Plaatsbeschrijving.
In het zuiden van de provincie West-Vlaanderen vindt men een nederig dorp, door de heilige maagd Maria gekozen om daar bijzonder vereerd te worden. Het is niet vermaard geweest door de oorlog, de kunsten, de koophandel en de nijverheid. Al zijn luister en zijn roem is aan Onze Lieve Vrouw toe te schrijven. Dit dorp heet Dadizele. Het paalt ten noorden aan de gemeenten van Moorslede en Ledegem, ten oosten aan deze van Ledegem, ten oosten aan deze van Ledegem en Moorsele, ten westen aan deze van Geluwe en Beselare en ten zuiden aan deze van Geluwe. Onder bestuurlijk opzicht hangt Dadizele af van het arrondissement Tielt-Roeselare en volgens rechterlijke orde van het rechterlijk arrondissement Kortrijk en van het vredegerecht van Menen.

Het is gelegen langs de kalsijde van Roeselare naar Menen, op een afstand van 6 kilometer noord van Menen, 12 zuid van Roeselare, 15 west van Kortrijk, 44 zuid van Brugge en 4 zuidwest van Ledegem. De gehuchten zijn de Nederwaarthoek, de Cleppe, de Dayzeelhoek en de Hoogte. Het heeft een uitgestrektheid van 583 hectaren, 7 aren en 3 centiaren.

De grond is deels kleiachtig en deels zavelachtig. In het algemeen legt de bevolking van Dadizele zich op de landbouw toe. De meeste handel, alhier bedreven, bestaat in vlas. Haar grondgebied wordt over een lengte van 5200 meter besproeid door de Heulebeek. Er zijn nog twee kleinere waterlopen; de Papelane en de Moorselebeek. De Heulebeek neemt haar oorsprong op het grondgebied van Passendale, bij de herberg ‘De Mispelaar’, en na een loop van ongeveer zeven uur werpt ze haar wateren te Kuurne in de Leie.

De gemeentelijke grond wordt over een lengte van 1600 meter doorsneden door de provinciale steenweg van Menen naar Brugge welke al meer dan honderd jaar geleden aangelegd werd. Te voren de ‘Heirstrate’ of krijgsbaan, verstrekte Dadizele tot gemeenschappelijke weg met de steden Menen en Roeselare. Ze was doorsneden door een andere steenstraat die van Kortrijk naar Ieper liep.

De steenweg, welke van de vermelde baan naar de kerk van Dadizele leidt, is 1100 meter lang. Het is een gemeentelijke weg die naar men vermoedt op hetzelfde tijdstip werd aangelegd als de provinciale baan. Grintwegen verbinden Dadizele sedert 1855 aan de gemeente Beselare en sedert 1867 aan Moorslede. Een steenweg leidt naar de plaats van Geluwe sedert 1872.

Volgens een staat van bevolking van de kasselrij van Kortrijk in 1469, bestatigde men dat er dan te Dadizele 178 huizen stonden, onder welke 9 arme, hetgeen een bevolking uitmaakte van 900 inwoners. Om over de belangrijkheid van Dadizele in die tijd een oordeel te vellen, zeggen we volgens diezelfde toestand er in Moorsele 121 huizen waren, met 41 arme. In Gullegem waren dat 147 huizen en 10 arme; in Geluwe 161 huizen (14) en in Menen 380 huizen onder wie 10 godshuizen.

De inventarisatie van de inwoners van Dadizele in 1688 schat het aantal inwoners op 712, waarvan 500 ouder zijn dan 10 jaar. Er waren 35 behoeftigen boven de 10 jaar en 20 daaronder. Dus in totaal 767 personen. De opneming van het maalrecht, uitgevoerd op 3 juli 1705 gaf 688 inwoners, waarvan 407 boven de 10 jaar en 281 jonger. Tussen 1764 en 1773 telde pastoor Vandermeersch tijdens zijn paasbezoeken tussen de 1243 en de 1365 inwoners waarvan er tussen de 803 en 910 volwassenen waren.

Onderpastoor Theeten telde tijdens zijn paasbezoeken van 1778 al 1414 inwoners waaronder 445 kinderen. Het bisdom van Gent vermeldt voor 1803 al 1507 inwoners. Vier jaar later werden er 327 woningen geteld. In 1888 was het aantal inwoners al opgelopen tot 1795.

Oudheid en woordkunde
Een belangrijke ontdekking voor de wetenschap vond plaats in Dadizele ter hoogte van het kleine kasteel. Dat gebeurde op het einde van de maand augustus 1884, in een meers toebehorende aan Amatus Herman-Ghesquiere, oorspronkelijk van Dadizele en toen wonende in Kortrijk. Enkele werklieden die daar bezig waren met het leggen van buizen, ontdekten op een diepte van ongeveer 70 cm een aarden pot, bevattende enkele blokken metaal welke overdekt waren met koperzuur.

Deze kleine blokken, van elkaar gescheiden zijnde, heeft men vastgesteld dat het ronde muntstukken waren, met de grootte van een frank. De werklieden die tijdens de graafwerken de pot hadden verbrijzeld, verdeelden de geldstukken onder elkaar. Enkele dagen later hoorde Amatus Herman spreken over hun ontdekking en hij begon direct met het verzamelen van de stukken. Nadat ze gereinigd waren, heeft men op verscheidene van deze munten opschriften bemerkt.

Op een eerste Gallienus, op een tweede Salonina en op een derde Postumus. De geschiedenis leert ons dat omtrent het midden van de derde eeuw de Roomse keizer Gallienus gedood werd door zijn soldaten in de buurt van Milaan. Zijn echtgenote Salonina, een geleerde vrouw, werd verstoten na de dood van de keizer. En dan was er nog Cassianus Postumus, een van de 30 dwingelanden die in de derde eeuw voor het meesterschap vochten, werd verscheidene keren door Gallienus verslagen en in het jaar 267 door zijn soldaten gedood.

Door zijn vrienden aangewakkers, gaf Amatus Herman opdracht om nog verdere onderzoeken uit te voeren in de bewuste meers bij zijn kasteel. Na een kwartier graven ontdekten ze een roodaarden kruik in de vorm van een kalebas. Ongelukkiglijk werd de kruik beschadigd door een spade waardoor er enkele stukken loskwamen, de rest zijn tot op vandaag nog altijd bewaard gebleven.

De pot met de inhoud weegt 1700 gram. De muntstukken zijn wel bewaard. Onder dewelke die men heeft onderzocht werd opschriften gevonden van C.M.U. Trajanus, C.M.O. Trajanus. Men weet dat Marcus Ulpius Trajanus, bijgenaamd Crinitus tot keizer van Rome gekroond werd in het jaar 97 en dat de senaat in het begin van zijn regering hem de titel gaf van Optimus, om hem later te veranderen in deze van Armenteus en van Parthicus. Het muntstuk C.M.O. Trajanus schijnt dus van de eerste eeuw te zijn.

Deze ontdekkingen laten ons toe te verzekeren dat het grondgebied van Dadizele door de Romeinse legers bezocht werd. We kunnen echter het tijdstip van het ontstaan van het dorp niet nader bepalen. De eerste keer dat deze naam in de geschiedenis verschijnt is rond het jaar 1180 wanneer een zekere L. de Dadigzela bij de ondertekening van een akte aanwezig is. We hebben alle redenen om te geloven dat hij de heer van Dadizele was. Deze streek, moest in die tijd al een zekere aangelegenheid hebben en een heerlijkheid uitmaken.

Spijtig genoeg zijn de archieven van de collegiale kerk van Sint-Pieter binnen Cassel allemaal verspreid of verbrand geweest, want dit kapittel, door graaf van Vlaanderen Robrecht de Fries gesticht in 1085, was de grote tiendenheer van Dadizele. We hadden hier zeker de melding van Dadizele kunnen hebben vinden in zijn registers.

Om over de namen van de plaatsen uitleg te geven, zou men moeten zoeken naar de oudste spellingsvormen omdat de nieuwe varianten vaak een verkorting en een vervalsing is van de oude schrijfwijze. De oudst bekende vorm van Dadizele is Dadingzele. Men vindt die in de oudste bewijsstukken. Dadigzele is zelfs niets anders dan een afgeleide van Dadingzele. Zele, eertijds zela, sela, betekent woonplaats in het algemeen en soms een heerlijke woonst of een huis.

Dading is de zoon van Dado of Dade. Dadingzele is dus de woonplaats van de afstammelingen van Dado of Dade. Althans toch volgens pastoor Coulon.

Uit ‘Geschiedenis van Dadizele en van zijn miraculeus beeld’ geschreven door pastoor Alphonsus-Maria Coulon in 1889.

Wordt vervolgd