Rookapke

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     352 Views     Leave your thoughts  

Daar was ‘ne keer een kleen meiske, dat aleene met zijne moeder woonde. Het was zoodanig geern gezien van zijn moeder, dat het van heur een schoon rood kapke kreeg. En het meiske droeg altijd dat kapke en ’t en wierd daarom niet anders meer genoemd of Rookapke.

Op zekeren dag had moeder koeken gebakken en ze zond Rookapke met ‘nen handdoek koeken naar grootmoeder, die wel een ure van daar woonde. Zoo Rookapke trok er welgezind naartoe, en lijk of liet door ‘ne grooten bosch moeste, kwam het daar ‘ne wolf tegen.

« Goên dag, mijn keppeke, » zei de wolf, « waar gaat ge naartoe dan ? » – ‘k Ga naar grootmoeder met koeken, » zei Rookapke. « En waar woont grootmoeder, mijn kind? zei de wolf. « Nog wel eene halve ure van hier ; ’t is ’t eerste huizeke over de kruisstrate, » zei Rookapke.

« En hoe geraakt ge gij daar in huis, mijn fraai meiske ? n vroeg de wolf. « Hewel, ‘k klop op de deure en grootmoeder zegt wat dat ik moete doen, » zei Rookapke. Van met dat de wolf dat hoorde, hij wist al genoeg-; hij en had geen tijd meer om nog te staan klappen, en hij liep, zoo rap of dat hij maar en koste, rechte naar grootmoeders en klopte op de deure.

« Wie is er daar, ? » riep grootmoeder, die op beur bedde lag.

« ‘k Ben ’t ik, grootmoeder; ’t is Rookapke met koeken, » riep de wolf met een fijn stemmeke.

« Goed, mijn keppeke, trekt aan ’t koordeke en stuikt tegen de deure, ze zal open gaan, » riep grootmoeder. De wolf deed dat alzoo en van met dat hij in de keuken was, deed hij de deure achter hem toe, en hij sprong seffens naar ’t bedde en hij at grootmoeder op; dan trok hij grootmoeders kleed aan, zette heur slaapmutse op zijne kop en kroop in ’t bedde.

’t Deurde nog wel tien minuten eer dat Rookapke op de deure klopte ; want ’t had hem lan gen tijd bezig gehouden met noten te zoeken en blommen te trekken.

« Wie is er daar? », riep de wolf, en hij trachtte grootmoeders stemme na te poetsen. « ’t Is Rookapke, grootmoeder, met koeken voor u ! » riep Rookapke.

« Goed, mijn keppeke, » riep de wolf, « trekt aan ’t koordeke en stuikt tegen dê deure, ze zal open gaan. »

Rookapke deed dat, en riep : « Grootmoeder, waar moet ik die koeken zetten ? » — « Zet ze in de spinde op ’t bankske, » zei de wolf, « en komt dan bij mijn bedde. » Als Rookapke nu bij ’t bedde kwam, wat keek het verwonderd, van te zien dat grootmoeder alzoo veranderd was. — «Wel, grootmoeder, » zei het, « wat hebt ge toch groote oogen ! » — « ’t Is om u te beter te zien, mijn keppeke, » zei de wolf.

« En groote handen dat ge toch hebt ! » zei Rookapke. — « ’t Is om u te beter te kunnen pakken, » zei de wolf.

« En uw tanden, grootmoeder, oh ! wat zijn dat toch groote tanden ! » zei Rookapke. — « ’t Is om u te beter te kunnen knappen, » zei de wolf, en hij sprong uit het bedde, en at Rookapke geheel en gansch op.

Maar, ‘ne jager die niet verre van daar en was hoorde dat geruchte en hij sprong in huis. Hij pakte zijne savel en hij sneed de wolf open en hij haalde grootmoeder en Rookapke daar weêre uit, en toen vulde hij de wolf op met kasseisteenen, en hij naaide hem weêre toe, en hij liet hem alzoo loopen. De wolf kreeg nu grooten dorst en hij wilde naar ‘ne put gaan om te drinken; maar lijk of hij van d’hellinge liep, het gewichte van die steenen die in hem zaten, miek dat hij voorwaarts tuimelde en hij rolde in ’t water en hij versmoorde.

A.-J. Witteryck in ‘Rond den Heerd’ van 1888.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>