Scheldnamen in de Westhoek

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     613 Views     Leave your thoughts  

Scheldnamen voor de inwoners van het Iepers kwartier

Van oudsher wordt er wel eens de spot gedreven met een naburige stad of gemeente. De verwoede pogning van de Mechelaars in de nacht van 26 op 27 januari 1687 om de vermeende brand van de St.-Rombautstoren te doven, is oorzaak geworden van het ontstaan van de spotnaam ‘de Mechelse maanblussers’. Het is tevens algemeen bekend dat de Gentenaars stropdragers zijn. Op 2 mei 1540 moesten 50 Cresers (opstandelingen) barrevoets met een strop rond de hals vergiffenis vragen aan Keizer Karel om hun opstandige houding uit te boeten.

De scheldnamen in het Iepers kwartier zijn zeer uiteenlopend van aard. Welke is de meest gangbare uitleg? Een in het oog springend lichamelijk kenmerk van één persoon of hoogstens van enkele inwoners maakt dat er te Stavele sinds eeuwen rostekoppen en te Mesen dikkoppen wonen. Typische karaktertrekken worden ook aangetroffen. De Wervikanen zijn de verwaten of personen met ijdele hoogmoed. De Menenaars zijn greiters of spotters.

Te Geluwe wonen de heren, omdat de inwoners van die gemeente zich wel eens voordeden als grote heren die minachtend op hun buren neerkeken. De keien van de Klijtte waren koppige lieden die van geen toegeven wilden weten net zoals de onoverwinnelijke Poperingenaars keikoppen. De Ieperse wevers hebben de Poperingenaars die naam toegemeten toen zij in hun economische strijd om de voorrechten van de draperie de vastberaden houding van hun tegenstrevers niet konden overwinnen. De Poperingenaars beschouwen die scheldnaam echter als een onderscheiding.

De Vlamertingenaars waren oplopend en driftig van natuur. Twistzoekers en vechtersbazen kregen het wel meer aan de stok. Gebroken bierglazen bleven dan de stille getuigen van het gekrakeel en geschil. De bierpotten en pottenbrekers verbleven in die gemeente.

Te Kemmel en te Geluwe worden de gapers geboren. De overlevering wil dat de Kemmelnaars met wijd open mond de bouwwerken van de St.-Maartenskerk te Ieper volgden omdat ze dachten dat alleen hun Kemmelberg hoog kon zijn. In 1578 staken de geuzen de kerktoren van Geluwe in brand. Met welbehagen aanschouwden zij hun satanisch vernielingswerk. De vier spijers aan de bovenhoeken van de toren bleven echter ongedeerd. Deze gapende waterafleiders deed de Geluwse spotnaam ontstaan. Zouden het de geuzen van Nieuwkerke geweest zijn die deze brand hebben gesticht?

De slapers hebben hun intrek genomen te Menen en te Wervik. Veel Geluwenaars werkten te Menen. Eer de duivel zijn paneel kon uitschudden, kwamen zij er reeds aan. De Menenaars sliepen echter vaak een gat in de dag. Welluidend klonk het dan als een refrein: Geluwse gapers, Meense slapers. De slapers van Wervik zouden de talrijke kraagstenen zijn in de St.-Medarduskerk met de in gedachten verzonken of slapende figuren.

Beselare is de toveresse-parochie. Heksen en spoken zouden er gewedijverd hebben om de mensen de schrik op het lijf te jagen. De mondelinge overlevering rond die nachtelijke verschijnselen is er sterk blijven voortleven. Wie vertelt er niet graag zulk een voorvaderlijke gebeurtenis? Warden Oom die te Beselare geboren werd schreef er ook over in zijn volksboeken. Te Wijtschate wonen de tovenaars.

Gerechten van een bepaalde soort of voedingsspecialiteiten deden ook spotnamen ontstaan. De kandeeleters tafelen te Menen en te Komen. Kandeel is een warme brij van eieren, suiker, kaneel en platte beschuiten die men eet na de doopplechtigheid van een nieuwe telg of bij andere feestelijke omstandigheden.

De taartebakkers van Menen nodigden andere gasten uit om hun fijn gebak te laten opsmullen. De persoonlijke pasteibakker van Keizer Karel zou er zelfs bij iemand in de leer gekomen zijn.

Te Lo hielden de compote-eters hun maaltijden. Het lekker vruchtenmoes was met suiker in wijn gekookt. Te Mesen zagen de kapoeneters graag een vetgemeste gesneden haan in hun kookpot. De papeters of paptelen van Voormezele moesten het met minder stellen, althans volgens de rijkere boeren van Wijtschate.

In Westvleteren het geld in, in Oostvleteren de glorie. De inwoners van die twee gemeenten, netjes gescheiden door de Vleterbeek, verweten elkaar graag. In Oostvleteren woonden de (vlot)smouteters, in Westvleteren de moeslekkers. Vlotsmout, het bruinachtig smout van gerookt zwijnevlees is een teken van armoede. Moes van bamispruimen die in het begin van oktober rijpen is eerder een teken van welvaart.

Te Menen waren er ook ‘rijke’ lieden die graag een pels op hun mantel droegen. Pelsmakers werd dan ook een spotnaam voor die stad. Te Krombeke en te Langemark hokten de boskanters. Het hoeft niet gezegd dat de inwoners van Langemark die niet in de onmiddellijke omgeving van het Houthulsterwoud woonden niet graag vereenzelvigd werden met die ‘schuwe’ en ongemanierde personen.

Ook te Vlamertinge zijn er twee afzonderlijke wijken. De plaatsekraaiers die in de schaduw van de kerktoren verbleven, lachten weleens met de brandhazen van de Brandhoek die vrij leefden in bos en veld.

De nijverheid deed ook spotnamen ontstaan. De drapeniers van Komen en de droogaars of droogscheerders van Wervik waren lakenbereiders. In droge toestand scheerde men het laken met de schaar. Te Poperinge werkten de velleplo(t)ers die de schapevellen van wol ontdeden.

De hoppebroers van Menen schijn geen gemeens te hebben met de hoppe. ‘Wij hopen bruers’, was de leuze van hun rederijkerskamer. Tijdens hun vergaderingen vervaardigden ze gedichtjes aan de lopende band. Een goed glas hebben ze ook echter gedronken. De schotters van Watou waren de knappe schutters van de St.-Sebastiaansgilde.

De troetelnamen voor Wervik en Ieper zijn ook in de legenden binnengedrongen. De Wervikanen gebruikten nogal verkleinwoorden op -tje, zoals boektje, huistje en paktje. De mantjes zijn zo de Wervikse mannetjes. De Ieperse kindjes hebben een historisch verleden. Tijdens de zevende kruistocht werd Willem van Dampierre in 1250 gevangen genomen. De heren van de wet van Ieper schonken aan Margareta van Constantinopel zoveel juwelen om haar zoon vrij te kopen dat zij de Ieperlingen zou bedankt hebben met de woorden ‘mijn lieve kinderen’. De keikoppen van Poperinge lachten dan ook zo graag met die lieve Ieperse kindjes.

Lang hebben de inwoners van Menen ook gelachen met de baljuw die belast was met het handhaven van de orde. Een onvoorzichtige koetsier was er in 1546 oorzaak van een dodelijk ongeval. De baljuw deed de wielen van de wagen afdraaien en in de gevangenis onderbrengen. De spitsvondige koetsier liet er echter nieuwe aanpassen. Zouden er nog elders zulke wagenwielvervangers verbleven hebben?

Het merendeel van die scheldnaam wordt thans niet meer gebruikt.
.
Karel M. De Lille in ‘Het Iepers Kwartier’ van 1965

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>