Smeulende en tergende levens

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     81 Views     Leave your thoughts  

Maarten Luther krijgt nog welgeteld twee maanden om zijn dwalingen te herroepen en als hij dit niet doet, dan zal zijn straf niet min zijn. Lees maar: ‘indien binnen de tijd van zestig dagen Luther niet openlijk zijn dwalingen herriep en zijn werken in ‘t vuur wierp, werd hij verklaard van een halsstarrige ketter te zijn, in de ban gedaan, en zijn ziel overgegeven aan Satan. Ook werden alle wereldlijke vorsten onder dezelfde strafbedreiging gelast, zich van zijn persoon meester te maken om naar verdienste van zijn misdaden gestraft te kunnen worden.’ Mijn monnik is vogelvrij verklaard. De bulle van de paus verspreidt zich ook in Vlaanderen. In Leuven bijvoorbeeld worden Luthers boeken op straat verbrand. De nieuwe gedachten van Luther lijken op het eerste gezicht amper doorgedrongen te zijn in het Westland en in Brugge. Het stof van de geschiedenis speelt zo zijn parten. Ik zie me verplicht om verder te graven in mijn eigen archieven. Een Ieperse Franciscaan schijnt al vanaf 1519 te prediken in de kerk van Sint-Maarten om de lokale gelovigen te wapenen tegen de nieuwe leer.

De Ieperse jaarboeken geven na wat zoekwerk uiteindelijk toe dat de vogelvrij verklaarde Luther maar al te goed bekend is hier in mijn eigen streek. De getuigenis van mijn pausgezinde kroniekschrijver is veelzeggend: ‘anno 1517 zaaide Martinus Luther het onkruid op de akker van de paus Joannes Medecis Florentius, genaamd Leo X. Hij was geassocieerd met Alricus Swinglius en meer goddeloze maar geleerde mannen. Zij noemden zich gereformeerden of hervormers. Luther was geboren te Isleven in Saxenland, wierd religieus in het klooster der paters Augustijnen te Erfort en werd in het jaar 1512 doctoor in de Godheid.’

‘De wetenschap blies (‘blaasde’ staat er eigenlijk geschreven) hem op en miek hem hovaardig en hij begon met een geweldige haat de Roomse kerk aan te vallen. De aflaten dienden hem om met meerdere vrijheid zijn gramschap op de kerk uit te voeren. Hij heeft zijn kap verworpen en een huisvrouw aangenomen. Deze misleider veroorzaakte veel bloedstorting die men in de historie vindt. Vlaanderen heeft het afgezien met vrees en flauwe reden kavelinge. Men moet de universiteit van Leuven toeschrijven dat Vlaanderen daar van zulke doling bevrijd is geworden.’

Het is in elk geval duidelijk dat de jaarboeken van Ieper pas later aan het papier werden toevertrouwd. En zeker na 1525 want het is pas dan dat de predikant, tegen de zin van zijn aanhangers trouwens, in het huwelijk zal treden met de zestien jaar jongere Katharina van Bora met wie hij trouwens zes kinderen zal krijgen. Er is trouwens een aardige dubbelzinnigheid geslopen in de oude geschriften. Luther wordt hier omschreven als een misleider. Ik moet er hartelijk om lachen. Volgens de letters van het woord mag ik dus voortaan elke celebrant van een of andere religieuze dienst met gerust gemoed als een misleider pur sang beschouwen.

De Ieperlingen worden gewaarschuwd om de nodige afstand van deze alternatieve godsgedachten te bewaren. In Veurne, Nieuwpoort, Poperinge, Diksmuide zal dat ongetwijfeld ook het geval zijn. Ze krijgen allemaal hun plakkaat. ‘Anno 1518, op de 30ste december was er in de stad van Ieper vanwege de koning gepubliceerd, present François Thorin en Joris de Bruyne met de poortbaljuw een plakkaat dat niemand wie hij zijn mag en zal vermogen te zweren, vloeken, blasphemeren, (godlasteren) en de naam van God loochenen, nog die van de heilige maagd Maria, noch grote verfoeilijke en grauwelijke eden te doen waarmee zij hierdoor opnieuw de pijn en de wonden van Jezus Christus op zijn kruis openrijten en verversen.’

De waarschuwing is ondubbelzinnig. De eerste overtreding wordt bestraft met een geldboete: ‘op peine voor de eerste maal van een geldboete volgens de middelen van de persoon, de tweede maal publiekelijk aan het pelorijn gesteld te worden of op een schavot en voor valse eed de tong doorstoken te worden en voor de derde maal op alle hoeken van de straten van de stad gegeseld te worden en alsdan voor eeuwig uit het land verbannen te worden op peine van de galge.’

De orders komen van Margaretha van Oostenrijk, de tante van keizer Karel, die op dat moment andere katten te geselen krijgt in Spanje en die zoals de Ieperse kronieken het aangeven op dat moment in 1518 inderdaad nog de status van koning bezit en niet die van keizer. De kwestie van het geselen van die katten in Spanje, mag ik hier in Ieper overigens eigenlijk wel letterlijk opvatten.

Op 20 oktober volgt er een nieuwe verordening. Een eeuwig edict met als getuigen Pieter van de Capelle, Pieter Coekele en de Ieperse schout van dienst. De tienden die de kerk opeist bij de mensen moeten voor veel kwaad bloed zorgen bij de man in de straat en zal vermoedelijk reden nummer één zijn waarom het nieuw geloof zo aanslaat bij de burgers. Met welk recht kan de kerk geld blijven eisen van de mensen? Luther zal blijkbaar een gevoelige snaar geraakt hebben. De voorbije tijd moet het aftroggelsysteem bestemd voor de bouw van pauselijke extravagantie en voor de zakken van de geestelijken nog toegenomen zijn. Na honderden jaren van gedwee tienden betalen op voedsel en landbouwopbrengsten, heeft de zwarte kerkbrigade er nog een schepje bijgedaan. Hun geldhonger blijkt amper te stillen.

De levensomstandigheden op het platteland zijn op dat moment bepaald zorgwekkend. Miljoenen keuterboertjes in Duitsland, Frankrijk en Vlaanderen. Arme stakkers, de naam van boer niet waardig, leven er hun erbarmelijk leven. In koterij opgetrokken uit hout, leem en gestapelde stenen, met een strooien dak en één kamer waarin het hele gezin slaapt, eet en leeft. Voeg daarbij een lapje grond. Een kippenren, een varkenshok, een koestal en wat tuin waarop met wat geluk groente probeert te groeien. Van hygiëne is er geen sprake. Onhoudbaar koud en kil tijdens de winter. Snikheet in de zomer. Luizen, vlooien, ratten, muizen, muggen, ziekte, koorts. Water en droogte. Stank en verrotting. Smeulende en tergende levens die wel eindeloos lijken te duren.

Tien percent van wat deze sukkelaars hier produceren, moet als sinds jaar en dag dan nog afgestaan worden aan de kerk. Voeg daarbij de pacht voor huis en grond die twee keer per jaar moet betaald worden aan de heer. En alsof dat nog niet allemaal genoeg is, moeten de bewoners nog enkele maanden per jaar gratis gaan werken voor de eigenaar. Het leven in de middeleeuwen. Een verschrikking. Heffingen op zowat alle levensmiddelen. Zout. Vee. En alsof dat nog allemaal niet volstaat, is er de voortdurende terreur van onbetaalde rondzwervende soldaten die tussen de oorlogen in op zoek zijn naar goed om te plunderen. Hoe vaak heb ik al geschreven over de roof en de verkrachting die hele dorpen van de kaart veegden?

Het bestaan moet uitzichtloos zijn. Gelukkig is er de dood als uiteindelijke verlossing. Hopelijk voorzien van het beloofde extraatje van het eeuwig leven, de definitieve afrekening met alle ellende hier op aarde. En ook deze belofte lijkt nu plots meer te gaan kosten. Ik kan me de weerstand van de mensen goed inbeelden. Het nieuw edict wil paal en perk stellen aan extra kerkelijke belastingen. Als er belastingen komen, zullen die wel geheven worden door de magistraten. En niet door de priesters. De kapittels moeten zich tevreden stellen met wat ze van oudsher konden vragen aan de mensen. Het beteugelen van extra kerktaksen heeft trouwens het voordeel dat de haat tegen de kerk in de kiem gesmoord zal worden. Hopelijk zal de onrust ermee gestild worden.

De nieuwe wet is duidelijk: ‘de geestelijke en andere personen die pretenderen de tienden te doen betalen op verscheidene opbrengsten die groeien uit de aarde, zoals hout, gras of weidinge en van alle vette hoornbeesten zoals schapen, varkens, kalveren, ganzen, enz.., insgelijks van rapen, kolen, appelen, peren, noten en dergelijke vruchten. Dat het niet betaamt en dat er bevolen wordt dat geen geestelijke, lid van een of ander kapittel, van welke soort of slag of stad het zal vermogen om andere tienden op te eisen of te lichten dan die welke hun voorzaten gewoon waren op te eisen 40 jaar of langer geleden in de tijd. Niemand heeft nog het recht om extra tienden op te eisen op risico van nulliteit.’

De eis om Luthers geschriften in brand te steken, zorgt natuurlijk voor een tegenreactie van zijn kant. Actie zorgt zoals altijd voor reactie. ‘Als de kerk het zich permitteert om mijn boeken te verbranden, waarom zouden wij ons dan inhouden?’, vragen Luther en zijn medestanders zich af. Hij eist het recht op wedervergelding op en ‘wierp de pauselijke bulle en decretalen den 20 december 1520 te Wittemberg insgelijks openlijk in het vuur.’ Door dat te doen, kan Luther trouwens niet meer terug. Deze prediker verbrandt letterlijk en onherroepelijk zijn schepen. Van een terugkeer naar de schoot van de kerk kan er nooit nog sprake zijn. Er rest nu alleen nog maar de werkelijkheid van een open oorlog met de officiële kerkinstanties.

Die oorlog vertaalt zich in heftige reacties in Duitsland. De voorstanders zegevieren, het dissidente geloof zal uitgeroeid worden. Luthers aanhangers lezen de bullen met verbijstering en met stijgende verontwaardiging. Het beetje eerbied dat ze allemaal nog wel hadden voor de paus smelt als sneeuw voor de zon. Protest en massale optochten van het gemeen leiden in veel steden tot geweld en tot het provocatief verscheuren van de bewuste bulle.

Luther zelf is niet verbaasd. Wat de paus allemaal oplegt, is het levende bewijs dat hij zichzelf schuldig maakt aan onrechtvaardigheid en ongodsdienstigheid. Leo als antichrist, zo’n exemplaar die zijn macht alleen maar met dwingelandij en overheersing uitoefent. Het nieuw testament had het goed voorspeld. Hij vermaant alle christelijke vorsten om zich van zulk schandelijk juk te ontdoen en zich achter de vrijheid van het mensdom te scharen. De lokale regeringen komen zwaar onder spanning. De kampen staan als kemphanen tegenover elkaar, de gemoederen raken van langs om meer opgehitst. Duitsland schudt en beeft in zijn voegen.

Dat is zowat de toestand als de twintigjarige Karel het roer overneemt in Duitsland. 1520, het is bij hem altijd makkelijk om te rekenen. De keurprinsen hebben zich een tijd op de vlakte gehouden en zeker niet gereageerd voor of tegen Luther. Zijn werk en zijn overtuiging hebben zich verspreid over heel Duitsland en die maken vooral indruk op de studenten. ‘Deze twist had echter op de gemoederen van het volk een diepe indruk gemaakt. De eerbied van het gemeen voor de oude leer en zijn instellingen was verminderd, en de brandstof die gans Duitsland in vuur en vlam moest zetten, was reeds overal verspreid.’

De schrijver heeft het natuurlijk over Luthers fameuze boeken. ‘De studenten kwamen bij benden uit alle delen van het keizerrijk naar Wittemberg. Melanchton, Carlostadius en andere meesters reisden naar Luther om uit zijn mond dezelfde gevoelens te leren, welke zij bij hun terugkeer verder verspreidden bij hun landslieden, die dezelve aanhoorden met diezelfde levendige aandacht, die men besteedt aan de waarheid wanneer die vergezeld gaat van de nieuwigheid.’

Met een beetje diplomatie kon paus Leo dat allemaal wel voorkomen hebben. Dom van hem, hij heeft van deze brave monnik een verbitterde tegenstander gemaakt. Zijn aanhang is zo groot, dat niemand het hier aandurft om deze Luther in de ban van de kerk te slaan. Deze gaat stapje bij stapje verder in zijn aanvallen op Rome.

‘Hij ontdekte, bij trappen, de nutteloosheid van de bedevaarten en boetedoeningen, de ongerijmdheid van de tussenkomst der heiligen en de goddeloosheid van hun aanbidding. Het misbruik van de biecht en het hersenschimmig bestaan van het vagevuur.’ Hoe verder hij gaat in zijn kritisch onderzoek, hoe meer hij beseft dat ze de mensen al veel eeuwen blaasjes hebben wijsgemaakt. Hij ziet ook wel waarom ze de mensen zo expres dom en klein hebben gehouden. ‘Hij meende de voornaamste bronnen van hun verdorvenheid te bespeuren in hun onmatige rijkdommen, in de gestrenge wet van een ongehuwd leven en de ondraaglijke strafheid van de kloostergeloften.’

De mensen moeten zich houden aan de woorden van God en Jezus, de paus is bijzaak, helemaal niet onfeilbaar zoals beweerd. De paus is een mens van vlees en bloed zoals alle mensen. Het verwondert mij niet dat het volk aan Luthers lippen hangt. Eigenlijk is de scheuring in de kerk nu al een feit. Kerk en staat zijn één pot nat. Luther doet er nog een schepje bij. Eigenlijk zou ik hier snel overheen moeten gaan, maar zijn woorden snijden als een mes. De zedeloosheid en de straffeloosheid van de betere kringen worden als nooit voordien aan de kaak gesteld en zorgen voor een onuitgegeven crisis van het gezag.

‘De gemakkelijkheid waarmee de rijken zich aan de schrikkelijkste euveldaden schuldig gemaakt hadden en toch vergiffenis verwierven, vermeerderde de ergernis. Het hof van Rome, dat nooit uit het oog verloor om zijn eigen inkomsten zo veel mogelijk te vermeerderen, volgende de rechters in hun straffen en gestrengheid, schonk vergiffenis aan alle zondaars die een som geld konden betalen. Het denkbeeld om misdaden met geldboetes af te kopen, was in de oude tijd niet vreemd. Het gebruik ervan werd zelfs algemeen geaccepteerd, de officieren van de Roomse kanselarij gaven zelfs een boek uit waarin de juiste som voor de vergiffenis van elke zonde bepaald was.’

‘Een diaken die een moord begaan had werd voor twintig kronen vrijgesproken en ontslagen. Een bisschop en een abt konden een moord plegen voor driehonderd pond. Iedere kerkelijke kon zich op de verfoeilijkste wijze bevlekken voor het derde gedeelte van die som. De hatelijkste misdaden zelf, waarvan men in één mensenleven zelden voorbeelden van vindt werden gewoon met de mantel der geldliefde toegedekt.’

‘Maar toen er eindelijk in de wereldlijke hoven een betere manier van rechtspraak werd ingevoerd, raakte de gewoonte om misdaden af te kopen in onbruik. De voorwaarden van het hof van Rome om vergiffenis te schenken, werden voortaan als goddeloos beschouwd en als de bron van het verderf van de geestelijken.’

Luther is scherp en zijn publiek luistert met ingehouden adem. ‘En moest het dan nog gebleven zijn bij die zedenverbastering van de geestelijken. Maar neen. Hun buitensporige rijkdom en macht stelden hen tezelfdertijd in een positie om al de andere mensen te onderdrukken.’ Hun zogezegd geloof was niet meer dan een ordinair en platvloers bijgeloof, ‘hetwelk altoos met pracht of grootheid is ingenomen om gewijde lieden rijkelijk en onbepaald te begiftigen. Van daar de bron van hun onmetelijke inkomsten en dat van dit onbepaalde rechtsgebied door de kerk in elk land van Europa bezeten en waarvoor de leken voor opdraaiden. En dat die rijkdom eigenlijk hun geld was.’

De schrijvers blijven terugblikken in de tijd. Wat zich hier afspeelde in Duitsland kan je perfect kopiëren naar Vlaanderen. De politieke instabiliteit en de aanslepende oorlogen hebben de kerken groot gemaakt. In tijden van oorlog werden alleen de kerkgebouwen van vernieling gespaard. Men behoedde ze uit eerbied voor de kerkelijke waardigheid maar vooral uit bijgelovige vrees van de kerkelijke ban, een dreigement waar de geestelijken te pas en te onpas mee zwaaiden.

‘Velen die dit bemerkten, droegen hun land over aan de clerus om achteraf hun eigendommen in leen te houden van diezelfde kerk. De kerk kreeg met verloop van tijd zo veel eigen leenmannen waardoor haar macht nog groter werd. Met zeer veel uitwendige praal tot de priesterlijke bediening gewijd, werden ze van de rest van de mensen onderscheiden door hun bijzondere kleding en een andere levenswijze. Ze konden uit hoofde van hun staat genieten van verscheidene exclusieve voorrechten waar andere christenen niet in deelden.’

‘Naarmate de geest van bijgelovigheid toenam, werden ze aanzien als wezens verheven ver boven de ongewijde leken. Ze meenden dat men hen niet volgens dezelfde wetten kon beoordelen of aan dezelfde straffen kon onderwerpen. De burgerlijke rechtbanken maakten een uitzondering voor de priesters. Deze ongezonde vrijheid werd trouwens geruggensteund door pauselijke vonnissen en kerkelijke vergaderingen en bekrachtigd door de voornaamste keizers die het land ooit bestuurden.’

De kerkelijke gewaden als schild voor immuniteit. Zo kan ik dit het best interpreteren. En weeral eens dat gesjoemel met de term ‘gewijd’. Gewijd water en gewijde ambten. Even kruisgewijs zwaaien met de handen was voldoende om iets of iemand te wijden. Bepaald hallucinant om vast te stellen dat het dit zwart volk was die zo hard inkerfde op bijgeloof en afgoderij. Het ergste van allemaal was de wetenschap dat ze ervan overtuigd waren dat ze zelf een heilige dimensie konden geven aan de dingen.

Hoe waanzinnig het er allemaal aan toe ging, blijkt verder in deze oude teksten. ”Zo lang een kerkelijke met de geestelijke waardigheid bekleed was, werd zijn persoon geheiligd gehouden en ten ware dat hij van zijn bediening was afgezet, kon de ongewijde hand van wereldrijke rechters zijn persoon niet aanraken.’ De macht om een kerkman af te zetten kwam alleen toe aan geestelijke hoven. ‘Het viel moeilijk en kostelijk om een vonnis tegen hem te verkrijgen, zodat de meeste beschuldigingen volstrekt onbestraft bleven. Veel schelmen namen om geen andere redenen de kerkelijke orde aan, dan om daar door hun straf te ontwijken welke zij voor hun misdaden verdiend hadden.’

‘De Duitse edelen klaagden openlijk dat deze gezalfde kwaaddoeners zelden, zelfs niet om de gruwelijkste misdaden, met de dood gestraft werden. Deze immuniteit voor de burgerlijke rechter was een smet op de maatschappij van toen en hielp allerminst om vooruitgang te zien in het gedrag van de geestelijken.’

Vooruitgang? Bach, ik kan nog niet eens het topje van de ijsberg vatten. Het leven van de mensen is verknocht met en verknoeid door de geestelijken. Ik blijf het me afvragen hoe deze mannen en vrouwen in hemelsnaam kunnen geloven in waarden die eeuwen en eeuwen gezorgd hebben voor de smerigste corruptie en wantoestanden. Ik kan het echt niet beter vertalen dan wat ik hier te lezen krijg: ‘terwijl de geestelijkheid met zo veel ijver haar voorrechten zocht te verzekeren, maakte ze een gedurige indrang op die van de leken. Alle zaken, het huwelijk, uiterste wille, woeker, wettige geboorte als mede het kerkelijk inkomende rakende, werden verondersteld zo nauw aan de godsdienst verbonden te zijn, dat ze allemaal door geestelijke hoven konden gevonnist worden.’

‘Hierdoor kregen de kerkelijken nog grotere vermogens en geldsommen welke in die tijden betaald werden aan diegenen die de bedieningen van het recht hadden.’ Ik kan me perfect de vrees van de mensen inbeelden. Een heilige schrik voor de opgelegde straffen. Ik besef nu waarom schrik in mijn eigen taal nog altijd gelinkt wordt aan het bijvoegsel ‘heilig’. Heilige schrik om rond de oren geslagen te worden met de kerkelijke ban bijvoorbeeld. In de Westhoek en in Vlaanderen kunnen ze er over mee vertellen.

‘Die ban werd oorspronkelijk ingesteld om de kerk in haar zuiverheid te bewaren. Men bediende zich daarvan om uit de vergadering van de gelovigen zulke hardnekkige zondaars te weren, van wie hun goddeloze gevoelens en hun ergerlijk leven de christelijkheid tot schandvlek strekten.’ En dat was nog maar het begin van de ellende.

‘In het vervolg durfden de kerkelijken zich daar van onbeschroomd bedienen om hun wereldlijke macht uit te zetten en er in de beuzelachtigste gevallen gebruik van te maken. Wie hun uitspraken naast zich neerlegde of verachtte, zelfs in burgerlijke zaken, haalde zich direct deze verschrikkelijke ban op de hals, door welke hij niet alleen van al de voorrechten van een christen verstoken werd, maar zelf de rechten van burger en van mens ontnomen werd. Deze heilige vrees die men voor deze monsterlijke ban had, hield de stoutste en meest oproerige geesten in teugel en onderworpen aan het kerkelijk gezag.’

De kerk zorgt deksels goed voor haar vermogen en haar rijkdommen die ze met zo veel ijver en behendigheid bij elkaar heeft gebracht. ‘De bezittingen van de kerk werden verklaard om onvervreemdbaar te zijn, als aan God toegewijd, zo dat de inkomsten van de naamloze vennootschap ‘kerk’ dagelijks de winst verbazingwekkend deed aangroeien. In Duitsland werd gerekend dat de kerkelijken meer dan de helft van de eigendom der natie in handen hadden, net zoals dat het geval was in de buurlanden.’

‘Deze uitgestrekte bezittingen waren daarenboven aan geen belastingen onderhevig zoals dat het geval was bij de gewone burgers. De geestelijkheid was volgens de wet vrijgesteld van belastingen en alle gevallen van eventuele bijstand werden aanzien als zuivere giften en edelmoedigheid van de kerk. Door deze vreemde ongerijmdheid in de regering vonden de leken van Duitsland zich beladen met al het gewicht van de belastingen. Dit terwijl de rijkste eigenaars of grootste landbezitters niet verplicht waren de staat bij te springen of te verdedigen.’ Ik lijk wel beland bij de Interbrews, de Electrabels en de Microsofts van de eenentwintigste eeuw.

En dat het dan nog mensen uit eigen land waren. Maar neen. ‘De rijkdom en de voorrechten waren niet in het bezit van kerkelijken die hun verblijf hadden in Duitsland. De bisschoppen van Rome hadden zich al vroeg het stoutste recht aangematigd, namelijk dat van de onfeilbare opperhoofden van de christelijke kerk te zijn. Hun doortrapte staatskunde, hun behendigheid om geen gunstige gelegenheden te verzuimen..’ en zo gaat het maar verder.

De helft van een land bezitten, laat natuurlijk zijn sporen na tot op het hoogste niveau: ‘Duitsland was het land waar de kerkelijke oppervorsten met het willekeurigst gezag heersten. Ze sloegen enige van de voortreffelijkste keizers in de kerkelijke ban, zetten hen af en hitsten hun onderdanen, hun staatsbedienden en zelfs hun kinderen op om tegen hen de wapens op te nemen. In het midden van die twisten breidden de pausen voortdurend hun eigen rechten uit en beroofden ze de wereldlijke vorsten van hun dierbaarste voorrechten.’

De kerk heerst over het puin die de wereldlijke macht met zijn oorlogen is kwijtgespeeld. De mannetjes van Rome zitten werkelijk overal. ‘De pausen konden het hele rijk met hun schepsels vullen, allemaal onderdanen die exclusief afhingen van de pauselijke zetel en waar de wereldlijke leiders niet het minst vat op konden krijgen. ‘De rijkste bedieningen werden in elk land aan vreemden gegeven en de rijkste schatten overal uitgeput om de pracht en de weelde van hun hof te voeden.’

Waarom zou ik verwonderd zijn van de steun die Luther krijgt van de man in de straat? ‘In de bijgelovigste eeuw zelf toonden de volken zich oproerig tegen deze onderdrukking en hun menigvuldige klachten en gemor maakten dat de pausen hen niet langer durfden vergrammen en een stuk van hun autoriteit zouden afstaan.’ Er werd met andere woorden weer ruimte gemaakt om eigen mensen aan de leiding van lokale kerken te krijgen. Maar het hof van Rome beknotte deze maatregelen door elke benoeming te laten afhangen van de pauselijke goodwill. De hoogste in rang, de kardinalen, werden enkel door de paus aangesteld, een fenomeen dat we anno 2016 nog altijd kennen.

Er waren natuurlijk meer kandidaten dan postjes. De gebieden moesten eerst vrijkomen. Een beetje zoals bij een notariskantoor. ‘Daarom voerden ze de pauselijke toezeggingen in, ‘expectative graces’. Een wachtlijst waarmee de paus iemand tot het eerst open vallend kerkgoed benoemde. Het maakte dat Duitsland vol was van kerkelijken die enkel van het Roomse hof afhingen, het welk zij uit hoofde van hun toezeggingen aankleefden, insgelijks zorgde het ervoor dat de vorsten hun persoonlijke voorrechten kwijt raakten, terwijl de rechten van de heren tot onbeduidend werden teruggeschroefd.’

Het marchanderen met deze ambtstitels steekt de ogen uit. ‘De schraapzucht en de knevelarij van het Roomse hof waren zo groot dat ze bijna tot een spreekwoord werden.’ Ik schud er zo een uit mijn mouw. Als de paus de passie preekt, boer pas op je ganzen. Met de paus in de rol van vos natuurlijk. Het passiespel van Pasen en het gegoochel met god als één doortrapte leugen. ‘Het verkopen van kerkelijke bedieningen was zo kenbaar dat er niet eens moeite werd gedaan om het te verbergen of te bedekken. Gehele benden kooplieden kochten openlijk ministerfuncties en kerkelijke waardigheden doorheen de verschillende staten van Duitsland en verkochten die weer verder met een flink stuk winst.’ Alsof je vandaag de functie van bisschop zou kunnen kopen op Kapaza of eBay.

Mensen die echt gelukkig waren met hun geloof, overtuigde en goedhartige christenen, zagen deze praktijken met lede ogen aan. Deze koophandel van geestelijke functies was de katholieke kerk onwaardig. De economen op hun beurt klaagden over het teloor gaan van zo veel financiële middelen die bij zulke ongewijde handel verloren gingen.

‘Inderdaad, de geldsommen welke het Roomse hof uit deze geregelde en wettige belastingen trok van al de landen die zijn gezag erkenden, waren zo aanzienlijk dat het helemaal niet te verwonderen is dat de mensen morden. Iedere kerkelijke betaalde bij het aanvaarden van zijn bediening de ‘annaten’ aan de paus. Het gaat hier over de toekomstige inkomsten uit zijn waardigheid van één jaar. Deze belasting werd met uiterste gestrengheid ingevorderd en bracht onnoemelijk veel geld in het laatje. Voeg hierbij de vrije giften door de pausen menigmaal van de geestelijkheid opgeëist, als mede de buitengewone tiendenheffingen van de kerkelijke inkomsten, onder voorwendsel van de kruistochten tegen de Turken, militaire operaties die nog maar sporadisch werden uitgevoerd. Dit alles te samen kan men opmaken welke onmetelijke inkomsten gestadig door Rome verzwolgen werden.’

‘Zo was het dus gesteld met de bedorven zeden, de buitensporige rijkdom, de macht en de voorrechten van de geestelijkheid.’ De komst van Maarten Luther was blijkbaar hoognodig. De Schotse historicus William Robertson die in 1769 deze woorden voor de eerste keer aan het papier toevertrouwde, hoedt er zich voor van vooringenomen te zijn. ‘Ik heb deze schets geenszins getrokken uit de twistschrijvers van die tijd’, geeft hij aan. ‘Deze zouden de dwalingen van de kerk nog veel omvangrijker hebben omschreven.’ Zijn bronnen zijn registers en betogen uit officiële rijksvergaderingen, zakelijke documenten, zonder emoties, koel en bezadigd neergeschreven en waarbij maar al te duidelijk bleek hoezeer dat oude keizerrijk probeerde zich los te wrikken van deze kerkelijke dictatuur.

Ik er eigenlijk geen plaatje rond te maken. De boodschap van Luther om het Roomse juk af te werpen, wordt door de burgers met grote gretigheid omarmd. De passionele prediker laat niemand onberoerd. ‘De hevigheid en vinnigheid van Luthers karakter, het vertrouwen waarmee hij zijn leer verkondigde’. Zijn kleine kantjes worden aanvankelijk door zijn aanhangers met de mantel der liefde bedekt, maar die zijn er wel. ‘De verwaande en verachtelijke wijze waarmee hij al diegenen behandelde die met hem van mening verschilden, zouden pas veel later als grote mankementen in zijn karakter opgemerkt worden.’

De man moet zijn supporters werkelijk opjagen en beroeren. Hoewel zijn boodschap terecht lijkt, krijg ik toch een wrange smaak over de man die hij is. Zou hij dan zo’n type prediker zijn die we zo vaak zien op tv? Charismatische sprekers zijn toch wel echt gevaarlijk als ze zelf gaan beseffen hoeveel invloed ze kunnen opdringen aan hun publiek, hun sekte. Zo ook voor een flink stuk in Duitsland rond 1520. ‘Zijn gebreken stoorden zijn tijdsgenoten niet, wier gemoederen hevig beroerd werden door de gewichtige geschillen welke hij voorbracht, hij, de man die daarenboven nog zelf de gestrengheid van de paapse dwingelandij gevoeld had en in de kerk met eigen ogen de verdorvenheid gezien had tegen welke hij zo sterk uitvoer.’

 

 

Dit is een fragment uit de kroniek ‘Vogelvrij

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>