Smokkelcentrum Poperinge

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 year ago     433 Views     Leave your thoughts  

Smokkelcentrum Poperinge in 1767

De stad Poperinge telde in 1767 een aantal winkels dat, volgens het rapport van de douaneofficieren buiten elke verhouding tot het aantal inwoners stond. Ze noemen niet minder dan 34 winkels van textielwaren ‘sans les petites choperies’: 4 lakenhandelaars verkochten ook allerlei stoffen en lijnwaad; 4 andere verhandelden stoffen, linnen en katoen; en daarnaast waren 26 winkels van linnen, zakdoeken en lint. Een doorn in het oog van de douaniers was die beruchte winkel van ‘De Leene’ op Poperinge-Buiten: ‘la fameuse boutique à La Lienne (zo schrijft het rapport van 1767) scabreusement située sur le grand chemin de Bailleul et à un gros quart de lieue de la frontière, où il se trouve une quantité prodigieuse de toutes sortes de marchandises en draps, étoffes etc.’.

Deze winkel is een ware stapelplaats van smokkelgoed die al de winkels van Poperinge van Franse stoffen voorziet. Om de douane te paaien worden nu en dan enige stukken aangegeven.

Er waren nog andere zulke winkels op de grens: de douaniers wisten er drie zijn te Boeschepe, twee te Westouter en twee te Godewaarsvelde. Terwijl deze grenshandel ongemeen bloeide, gingen de plaatselijke nijverheid en het handwerk achteruit. De lijnwaadwevers, in 1767 een goede honderd in getal, klaagden steen en been over de toestand van de garenmarkt: zij konden zich niet meer regelmatig bevoorraden op de markt van Poperinge, Franse handelaars en hun Vlaamse agenten gingen op de marktdagen de spinsters tegemoet en kochten onderweg een deel van het ruw garen op.

En de fabrikanten van Ieper, vooral Malou en Hovyn, hielden voor het overige deel de garenmarkt van Poperinge in handen. Met het gevolg dat de wevers de een na de ander hun huisgetouw verlieten en overgingen naar de garenhandel, het ‘ketsen’, waarmede zij gemakkelijker geld konden verdienen.

De vroeger zeer bloeiende garentwijnderij was ook aan het afnemen. De twijnders, die hun ruw garen trokken uit de omstreken en van de spinsters te lande, werden ook de pas afgesneden door de bovengenoemde concurrenten. En ook in hun afzet werden ze gehinderd sedert een keizerlijke ordonnantie het leuren op het platteland beteugelde: vroeger immers gingen zij steeds vrij langs de wegen om hun naaigarens rond te venten, in de winkels te lande hadden zij hun beste klanten.

In 1767 waren nog een vijftiental twijnders werkzaam. Hier volgen hun namen met tussen haakjes het aantal werklieden in hun dienst. – François Danneel en zijn moeder (6). Pierre Savaete (4, soms 5). Charles Laroux (4). Philippe Billiau, Ignace Caron, Therese Cerf (elk 3). François Bradt, Jacques Ghisse, N (?) Carton (elk 2). Pierre Ameele, N (?), Declercq, Weduwe Bradt, Pierre Vermeesch en Vader, Pierre Clau (elk 1). Charles Braem werkte alleen. De twijnders stelden dus te zamen 35 man te werk.

Van de vier blekerijen deed de garenblekerij de beste zaken: zij werkte met 20 man en had een jaarlijkse omzet van 60.000 pond garen, die geheel naar de kooplieden van Ieper ging. De drie lijnwaadblekerijen stelden elk vier, soms maar twee man te werk. De blekerijen waren alle vier ontstaan omstreeks 1750 en werkten zonder octrooi.

De wolkammerij verkeerde in volslagen verval: van de 14 wolkammers in 1763 bleven er in 1767 nog 8 over. In hetzelfde jaar hielden nog twee kousenwevers stand. Twee hoedenmakers, Pierre Vercruysse en Fredericq Hughebaert, verwerkten nog een zekere hoeveelheid wol; zij stelden elk 2 man te werk.
Het verbod op de leurhandel benadeelde ook de belangrijkste nijverheid van Poperinge: de schoenmakerij. De meesters-schoenmakers – er waren er 50 waarvan sommige 18 à 20 gasten te werk stelden – deden in 1767 hun beklag omdat ze met hun koopwaar niet meer mochten venten langs de dorpen en gehuchten.

De schoenmakers kochten hun leder bij huidenvetters te Ieper, Diksmuide en Veurne, niet bij de huidenvetters van Poperinge zelf, die meer handelaars dan fabrikanten waren. Zeven leerlooiers hadden er samen 12 kuipen in bedrijf; zij kochten huiden in de omstreken op en zonden ze voor een groot deel onbewerkt naar Wervik, dat toentertijd een zeer actief smokkelcentrum was.

Sieur Chastelain was er de grote afnemer die de opgekochte huiden verder onbewerkt over de grens wist te brengen. Feitelijk dekte de Poperingse leerlooierij een belangrijke smokkelhandel in huiden via Wervik.

De vier tabakfabrikanten: Foquedey, Wilsoet, Bertin Quion en Morel, die elk een dozijn gasten in dienst hadden, verwerkten overzeese tabaksoorten (die over Brugge, Oostende en Nieuwpoort binnenkwamen) met tabak uit eigen streek. Een goed deel van hun productie ging in smokkel naar Frankrijk

Ook de pottenbakkerij was, ten dele althans, op Frankrijk gericht. Poperinge telde drie bedrijven met elk 5 werklieden. Poperings aardewerk had een goede naam: ‘le potteries sont réputées des plus parfaites’, zegt het rapport. De pottenbakkers werkten zonder octrooi.

Uit dit overzicht van de Poperingse economie in 1767 blijkt dat er in die jaren een verschuiving heeft plaats gehad van nijverheid naar koophandel: fabrikanten worden negotianten en somtijds dekt de fabriek de negotie, die een typische grensnegotie is. De ontwikkeling van de plaatselijke nijverheden wordt geremd en ontwricht

door de uitvoer van de eigen grondstoffen. Dit was vooral het geval met de weverij en zelfs de twijnderij. Het gesponnen vlasgaren van het Poperingse ging naar Frankrijk, hetzij rechtstreeks, hetzij over de fabrikanten van Ieper. Voor een groot deel ongebleekt.

Deze beweging, die zich in 1767 op de Poperingse garenmarkt aftekent, heeft zich in de volgende jaren tot dieper in West-Vlaanderen uitgebreid. In 1780 zien de belangrijke garenmarkten van Menen, Izegem en Roeselare een goed deel van hun ongebleekt vlasgaren regelmatig opgekocht door talrijke kleine fabrikanten van Wervik. Fabrikanten, die feitelijk negotianten en smokkelaars zijn. Het rapport van de douaneofficieren klaagt deze toestand aan. Wel was er bij keizerlijke ordonnantie een beperking op het vervoer van vlasgaren in de grenszone opgelegd, maar de maatregel werd ontdoken met medewerking van de magistraat van Wervik.

De wetsheren van de grenssteden mochten immers certificaten van vervoer aan hun onderdanen afleveren, en de heren van Wervik maakten een zeer ruim, zo niet onbegrensd gebruik van hun voorrecht. De Wervikse wevers kregen certificaten zoveel ze wilden tegen 1 sol per exemplaar; de wetsheren gingen zelfs nog verder: zij gaven blanco vrijbrieven, de belanghebbenden konden deze zelf invullen mits de 100 pond per keer en per wever niet te overschrijden.

In feite waren de Wervikse kleine ‘fabrikanten’ en wevers de tussenpersonen van de Franse manufactureurs en kooplieden: deze lieten eenvoudig de garens, die ze op de markten van Izegem en Roeselare hadden opgekocht, naar Wervik overbrengen onder dekking van de vrijbrieven van hun Wervikse facteurs.

Eens te Wervik, ging de koopwaar naar de z.g. ‘fabrieken’ op de Leie, die niets anders waren dan stapelplaatsen van smokkelgoed. En de Vlaamse vlasgarens werden met de bootjes over de Leie gesmokkeld bij volle dag. Zo was de toestand in 1780.

Volgens zijn zeggen stond de douaneofficier machteloos tegenover deze praktijken. Hij kon de schepenen van Wervik niet overhalen om hun vrijbrieven met meer voorzichtigheid uit te geven. En zo bereikte de lading, onder goede dekking, maar steeds weer de Leieboorden waar goed getrainde mannen de overvaart verzekerden.

Dramatische ontmoetingen met de douaniers, zoals ze zich op de beruchte ‘Volandrie’, op de open Leie tussen Wevelgem en Menen, afspeelden – en zoals ze beschreven werden door E. Sabbe in zijn ‘Histoire de l’industrie linière en Belgique 37-38; Brussel 1945)’ waren hier niet te vrezen.

Verliezende partijen daarbij waren: ten eerste zijne majesteit de Keizer, zo noteert onze verslaggever, er komen immers geen rechten binnen terwijl de uitvoer groter is dan ooit. En ten tweede, de talrijke kleine arme spinners en spinsters die in de klauwen van de kooplieden zitten: deze verkondigden luid op de markt dat de uitvoer van garens altijd maar moeilijker wordt om zodoende de prijzen te drukken.

Uit de mededelingen van deze laatste douaneofficier mogen we afleiden dat het afromen van de garenmarkt door de smokkelhandel in de Oostenrijkse tijd zich niet alleen te Poperinge heeft voorgedaan. Het zal een algemeen verschijnsel in onze grensprovincie geweest zijn, ook de gewestelijke markten lagen op het smokkelnet. Uit de laatste beschouwing van het verslag blijkt ook dat de vingers van oud en jong alhier zo vlijtig hebben gesponnen, dat zij bijwijlen hoeveelheden vlasgaren op de markt hebben gebracht die de vraag van de inkrimpende eigen weverij en van een uitgebreide smokkelhandel te boven gingen.

Antoon Viaene in Biekorf 1960

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>