Solden aan het Hooghe

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       8 months ago     280 Views     Leave your thoughts  

Pieter van den Bossche vertrekt naar Komen
Filips van Artevelde is op zijn hoede en verlaat zijn standplaats in de regio Brugge. Hij geeft orders aan Pieter van den Bossche om met een divisie zwaar bewapende Vlamingen op te trekken richting Komen waar de overtocht van de Leie beveiligd moet worden. Pieter de Winter krijgt gelijkaardige bevelen om hetzelfde te gaan doen in Waasten. Alle bruggen tussen Meereghem en Kortrijk moet afgebroken worden. De aanwezige schuiten en scheepjes dienen vernietigd te worden.

Van den Bossche heeft natuurlijk zijn tijd nodig om ter plekke te geraken in Komen. Lodewijk de Haese, een bastaardzoon van onze graaf, dixit een jonge en stoute ridder die zich wil onderscheiden met enige kloeke daden, attaqueert de streek rond de Leie met een onverhoedse charge. Samen met honderdtwintig wapenmannen, ridders en schildknapen, voert hij een charge uit op Komen. De burgers die de stad uitvluchten worden achtervolgd. De streek slaat alarm. ‘Men klipte de klokken op alle dorpen daar omtrent, en de landslieden kwamen van alle zijden gewapend aangelopen, zo dat die ruiters zich niet langer daar dorsten vertrouwen en terugkeerden.’

Het duel speelt zich af ter hoogte van de brug over de Leie in Komen. De Vlamingen zijn in groten getale toegestroomd en houden de doorgang bezet. Een deel van de constructie wordt zelfs afgebroken en deels met mest gecamoufleerd waarop ze zichzelf verdekt opstellen en de komst van de bende van de Haese afwachten. Het wachten duurt niet lang. Ik schakel even over op de rechtstreekse commentaar van de jaarboeken voor me: ‘wanneer de ridders met gevelde lancien op hun aanvielen, zo dat zij de doortocht vrij ziende, op de brugge reden. Het gelukte aan omtrent dertig andere van daar over te geraken, maar de brugge dan brekende, onder de volgende, is er een deel van deze zwaar bewapende ruiters in de riviere gevallen en verdronken.’

De eerste gevechten aan de Leie
Ridder Jan de Jumont verdwijnt ook in de Leie maar hij kan zich uit het water redden waarop hij zwaar toegetakeld wordt aan hoofd en lijf door de ‘schichten’ van de Vlamingen. De breuk van de brug veroorzaakt paniek bij de graafgezinden die nu alles in het werk stellen om te ontkomen aan de wraakzucht van de Komenaars. ‘Ze trachteden alleszins te vluchten ofte over te zwemmen, maar zeer vele, waar onder de kastelein van Willon en de ridders de Bouchars, St. Hilaire en Hendrik van Duffel, en meer als zestig andere verdronken of wierden omhals gebracht, aan de overige ten meerder dele gekwetste, lukte het nog, ter nauwernood te ontkomen.’

Artevelde moet in zijn nopjes zijn met de lokale zege, maar de kronieken blijven er toch bescheiden bij. Ze laten me weten dat hij van Brugge naar Ieper vertrekt in het gezelschap van Pieter van den Bossche. Ze worden er in stijl ontvangen. Filips en Pieter en hun brigades gaan wat later poolshoogte nemen van de toestand in Komen. Ze geven er het bevel om de brug deels los te maken van de oever zodat die in geval van nood onmiddellijk kan verwijderd worden.

In afwachting kan de ponton verder gebruikt worden door de landslieden die er met hun goed en met hun beesten nog de oversteek kunnen doen. De leider blijft vijf dagen in Ieper. Hij zorgt er voor dat de oevers van de Leie voldoende beveiligd en bemand zijn en daarna gaan hij en zijn mannen te paard naar Oudenaarde. Een van zijn mensen draagt zijn wapenschild. Een zwart geval met de afbeelding van drie zilveren hoeden. Ondertussen komen ze langs in Kortrijk waar het gezelschap twee dagen blijft en verder werkt aan de beveiliging van de Leiekanten.

Een slechte tijd om oorlog te voeren
Koning Karel verhuist op 3 november naar Seclin. Connestabel De Clisson en de maarschalken komen er in discussie met zijn adviseurs. Oorlog voeren in dit jaargetijde is best gevaarlijk. Aanhoudende regens en bittere koude zullen zorgen voor gezwollen rivieren. De oevers zullen veranderen in brede en moerassige meersen. ‘Waar begint de Leie eigenlijk zijn loop?’, vraag de connestabel. Dat blijkt in Lysbourg, enkele mijlen verder dan Arien-aan-de-Leie te zijn. Hij stelt voor om Vlaanderen binnen te vallen vanuit de linkerzijde van de rivier. Er zal een soort van afleidingsmanoeuvre nodig zijn om de Vlamingen te verrassen.

Maar uiteindelijk wordt er toch beslist om de oversteek te wagen ter hoogte van de Leie in Komen. De volgende dag verplaatst de koning zich naar de abdij van Marquette. Een leger onder het bevel van de Franse maarschalken rukt op in de richting van Komen en Waasten. Zeventienhonderd wapenmannen, zevenhonderd voetboogschutters en vierduizend voetgangers die gewapend zijn met schilden, pieken en bogen. Het voetvolk wordt aangevoerd door de ridders Joos Van Halewyn en de heer van Rambures. Eigenlijk zijn het een soort van genietroepen.

Ze moeten de wegen herstellen, de hagen, bomen en bossen die de doortocht kunnen belemmeren afkappen en waar dat nodig is moeten grachten en putten opgevuld worden. Op maandag 17 november arriveert de Franse voorhoede voor Komen. De brug blijkt er effectief afgebroken, een overtocht van de Leie is onmogelijk. Temeer omdat er meer dan negenduizend Vlamingen in slagorde opgesteld staan aan de linkeroever. Pieter van den Bossche bevindt zich op de kop van de losse brug. Met een bijl in de hand, schrijven de kronieken, het lijkt wel een pose. De Clisson stuurt zijn volk een mijl terug achteruit. Zijn mannen moeten op zoek gaan naar alternatieve oversteekmogelijkheden. Maar die zijn er niet te vinden. De Fransen zitten met een probleem en besluiten om ter plaatse te overnachten.

De schalkse oversteek van de Fransen
Er vertrekt een boodschapper naar Rijsel met de vraag om enkele schuiten via wagens naar Komen te laten voeren. Met die schuiten zal geprobeerd worden een bruggenhoofd te maken. Ik heb in het verleden de bewuste periode al enkele keren beschreven, maar nooit heb ik die zo uitvoerig gedocumenteerd geweten als hier in het jaarboek van Kortrijk. De schrijver ervan moet in het bezit zijn van interessante Franse bronnen. De extra accenten maken mijn geschiedschrijving in elk geval completer en dat stemt mij tevreden. De details vliegen me om de oren. De heer van Simpy en enkele andere ridders hebben zich in alle geval voorgenomen om zich met een stoutmoedige actie te laten onderscheiden.

Het is dit gezelschap dat naar Komen afzakt, met de gevraagde schuiten bij zich. Voorts hebben ze de nodige touwen, planken en staken geladen. Ze lossen hun materiaal een stuk zuidelijker dan Komen, op een beschutte plaats en buiten het gezicht van de Vlamingen. Aan weerszijden van het water wordt een staak geplant, een touw over het wateroppervlak verbindt beide staken en zorgt er voor dat de schuiten aan de andere zijde kunnen worden getrokken.

Ik krijg een lijst van notoire ridders voorgeschoteld. ‘ten getalle van ruim honderdvijftig, de meeste allemaal ridders van hoge edeldom’. Met zijn allen steken ze de Leie over en gaan ze zich verstoppen in een klein bos aan de overkant. In afwachting van de komst van nog meer versterking. De connestabel wordt op de hoogte gebracht van de oversteek en stuurt zijn neef, één of andere pipo van Rieux ernaartoe om poolshoogte te nemen van de toestand wat verderop aan de rivier. Die vindt er niets beter ook dan zich bij het gezelschap aan te sluiten. De hoofdmacht vindt het maar een riskante onderneming. Als ze door de Vlamingen betrapt worden, zullen de Franse waaghalzen het met hun leven bekopen. Hij besluit om een afleidingsmanoeuvre uit te voeren en begint met een beschieting van de Vlamingen.

Schichten en ballen boven de Leie
Licht geschut en een massa van ‘schichten en ballen’ vliegen over de Leie. De Vlamingen antwoorden met gelijkaardige beschietingen. Enkele kilometers stroomopwaarts slagen de Fransen er in om een klein legertje aan de overzijde te loodsen. Zestien banieren, dertig standaarden, vierhonderd man, de ‘bloem van het ridderschap’, allemaal zonder hun knechten en gemene krijgslieden’. Ze voelen zich voldoende sterk om door de meersen en het slijk naar het noorden te sluipen, richting de Vlamingen in Komen. Het gebeurt allemaal onder leiding van de heer van Simpy. De Vlaamse mannen krijgen ze na korte tijd in de gaten. ‘

Hoe zijn die Fransen godverdomme over de Leie geraakt?’ Tot aan Kortrijk is er geen enkele brug meer over? Pieter van den Bossche probeert rustig te blijven. Hij verbiedt zijn soldaten om het relatief klein groepje indringers aan te vallen. De drassige Leieboorden zullen hun vooruitgang wel stremmen en onmogelijk maken. Er zal sowieso geen gevaar uitgaan tegen hun eigen groot leger. En dus blijven de Vlamingen stilzwijgend geschaard rond de geaccidenteerde brug in Komen. Aan de overzijde is de connestabel er niet gerust in. Zijn Franse ridders lopen grote risico’s. Hij heeft ze verboden om de brug te benaderen wat gezien de meerderheid van de vijand neerkomt op een zelfmoordactie.

Het enige wat hij kan doen om zijn mannen te beschermen, is de aandacht van de Vlamingen af te leiden en om zelf aan te vallen. Zo komt het dat een menigte van ridders en schildknapen plots met houten ribben en planken naar de brug oprukt in een poging om de oversteek te realiseren. Franse afweerschutters proberen ondertussen met man en macht de Vlaamse afweer te neutraliseren.

Er gaat veel Vlaams volk verloren
Half november zijn de dagen kort. Met het invallen van de duisternis staken de Fransen hun pogingen. ‘Beide partijen moeten nu het aankomen van de dag verbeiden’. De ridders die door de meersen sluipen, moeten de hele lange koude nacht met hun voeten in de modder blijven staan. Zonder eten of drinken, zwaar bewapend. En de hele nacht blijft de regen naar beneden gutsen. Ik klappertand haast bij het omschrijven van de miezerige omstandigheden en de kouderillingen van de sukkelaars. Kort voor dageraad worden ze dan nog overvallen door de Vlamingen. Ook dat nog. De Fransen hebben zich echter goed geconcentreerd opgesteld en verdedigen zich in gesloten slagorde tegen de aankomende zwaardslagen van de vijand.

Ze schreeuwen er op los en dat geeft blijkbaar de indruk aan de Vlamingen dat ze met meer zijn dan gedacht en dat andere hulptroepen ook al de oversteek hebben gemaakt. De manschappen van Artevelde zijn er vrij licht gewapend op af gegaan en leiden hierdoor gevoelige verliezen tegen de zwaarbewapende ridders. Er gaat veel Vlaams volk verloren. Pieter van den Bossche deelt eveneens in de malaise want hij krijgt een zwaardsteek in de schouder en raakt gewond aan het hoofd.

Zijn lijfwachten, dertig kloeke knechten, kunnen hun kopman maar ternauwernood ontzetten en van het strijdtoneel wegdragen. Er zit niet veel anders op dan te vluchten en terug te keren naar hun beginposities aan de brug. Ze worden nu natuurlijk achterna gezeten door een bende gemotiveerde Fransen die bloed ruiken en die onderweg al een aantal woningen in brand steken. Hun kompanen aan de andere kant van de rivier zijn ondertussen volop in actie geschoten en slagen er deze keer wel in om over de gehavende brug te stormen.

De Fransen krijgen vrij spel in Vlaanderen
Bij het krieken van de morgen van de 18de november staat de hele Franse krijgsmacht op Vlaamse bodem. De Vlamingen deinzen achteruit en proberen dekking te zoeken in het open veld. Er zijn boodschappers vertrokken naar de omliggende dorpen met een vraag om hulp, de paniek moet onbeschrijfelijk zijn. Dat lees ik trouwens in de taal van de Kortrijkse jaarboeken: ‘Men klipte geweldig de klokken op alle dorpen. De vlucht der vrouwlieden en onweerbare mensen met al wat zij konden wegvoeren was schrikkelijk, een groote menigte kwam naar Kortrijk gevlucht.’ Het baat allemaal weinig.

De Vlamingen hebben bij het nieuws van de Franse doorbraak in Komen hun verdedigende posities in Waasten, Wervik en Menen achtergelaten en hebben nu natuurlijk vrij spel gegeven aan de Franse indringers. Die vallen nu als briesende leeuwen het Vlaamse land binnen, ‘te lande waart in, alles rovende en brandende waar zij konden aangeraken.’ Menen wordt helemaal geplunderd. Wervik ondergaat hetzelfde lot, ‘dat boven dies nog gans door ‘t vier vernield wierd en alle de menschen die zij er nog vonden, vermoord.’ Hier voel je dat oorlog meer is dan enkele lijnen opgeblonken tekst. Het is de pijn, de intense vrees, de panische angst, het verliezen van je geliefden.

De letterlijke agonie van lijf, leden en geest. De hulpeloosheid en de onmacht tegen de brutaliteit van vreemde soldaten die hun wraak uitspuwen en zich zonder medelijden of empathie uitleven in een orgie van geweld en bestialiteiten. Mijn onmacht om de telkens terugkerende tragiek van de oorlog met een fileermes te omschrijven staat in scherp contrast met de dramatische horror die mensen allemaal elk voor zichzelf moeten ondergaan.

Een vrouw van slecht gedrag
De Vlamingen krijgen hun versterkingen vanuit West-Vlaanderen, maar die helpen allemaal niet. Ze kunnen onmogelijk stand houden tegen de overmacht van de oprukkende Fransen. Een deel slaat op de vlucht naar Ieper en de rest zoekt hulp in Kortrijk. Drieduizend Vlaamse mannen worden ter plaatse afgemaakt en dan reken ik nog niet de slachtoffers mee die sneuvelen tijdens de chaotische vlucht. Ze zijn trouwens zo bijgelovig geweest om hun standaard te laten dragen door een vrouw van slecht gedrag. Gelukkig kan er nog een beetje humor af. De dame in kwestie heet Marie Jetrud, een naam die nu vermoedelijk Marie-Gertrude zal zijn.

Ze had de Vlamingen er vooraf van verzekerd dat, als zij de eerste Fransman tot bloedens toe kon kwetsen, ze dan allemaal de ‘volkomen victorie’ zouden halen. Het draait natuurlijk helemaal anders uit en mijn Marie-Gertrude wordt al van bij het begin van de gevechten gedood. Vlaanderen is in 1382 nog behoorlijk rijk en heeft die rijkdom vooral te danken aan de weverij van stoffen en laken.

De oorlog heeft de handel tot stilstand gebracht en de pakhuizen puilen uit van de voorraden. Een bekoorlijke buit voor de Fransen. Geen enkele stad is naar evenredigheid rijker dan Wervik die trouwens vermaard is omwille van zijn hoge ouderdom. De Fransen sparen er hun wreedheden niet. Vooral de Bretoenen, Normandiërs en de Bourgondiërs laten zich in kwalijke zin opmerken. Maar de Bretoense soldaten zijn de wreedste, staat er neergeschreven.

Solden aan het ‘Hooghe’
Ze verkopen hun buit op het ‘Hooghe’ bij Ieper. Zillebeke. Kopers uit Doornik, Douai, Rijsel en Atrecht slaan er de slag van hun leven. Dure en exclusieve lakens kunnen ze nu kopen aan de soldaten voor een spotprijs van één gulden per stuk. De Fransen blijven natuurlijk niet hangen aan het Hooghe. ‘Korts daarna is het Frans leger afgedaald naar Ieper, alwaar op lijfstraffe verboden wierd dat men geene andere tale mochte gebruiken als de Franse, altijd iets kwaads vindende in de Vlaamse taal, om dat zij die niet konden spreken, noch verstaan’.

De komst van de Fransen zorgt voor oproer in de stad: ‘de wethouders en andere ambtenaren wilden de stad aan de Fransen overgeven, en Pieter hun gouverneur, die aldaar van Artevelde gesteld was, wilde het beleg afwachten’. De burgers zien een beleg hoegenaamd niet zitten. Er zijn wel Engelse hulptroepen op komst, maar die zullen er nooit in slagen om binnen te geraken en zonder hun hulp zijn ze helemaal niet opgewassen tegen de overmacht die de Fransen etaleren. De zaken worden op de spits gedreven. De Gentsgezinde gouverneur Pieter en enkele edelen worden geliquideerd en de Ieperlingen nemen het heft weer in eigen handen.

Ze sturen twee Predikheren naar de Franse koning met een verzoek om vergiffenis en met de melding dat de stadspoorten wagenwijd openstaan voor de komst van de Fransen. Blijkbaar is de delegatie wat aan de magere kant. De geestelijken keren terug en er wordt een nieuwe afvaardiging gevormd. Twaalf burgers gaan nu onder leiding van de abt van Voormezele richting Franse koning. ‘Hem te voet vallende, gaven zij de sleutels van de stad, met offer van 40.000 guldens te betalen, tot het onderhoud zijnder troepen, de welke gegeven wierden aleer hij in de stad is gekomen, op voorwaarde dat hun stad niet zou geschonden worden, noch de burgers geplunderd worden, ‘t welk aldus beloofd, aangenomen en volbracht werd.’

Een bloederige raid op Poperinge
Die van Ieper hebben gezorgd voor het eigen veiligheid, maar hebben zich allerminst bekommerd om de veiligheid van de mensen buiten de stadswallen. Een bende Franse ruiters zaait nu verderf op het platte land en bezondigt zich aan allerhande boosheden. Zo moet Poperinge een bloederige raid ondergaan. De Vlaming en de Vlaamse taal zijn kop van jut als ik het zo lees: ‘ze gebruikten nergens nog genade, noch barmhartigheid ten opzichte dat zij altijd de Vlamingen boven alle andere volkeren hadden gehaat om hun trotsheid en grote vrijheid.’

De vrijwillige overgave van Ieper wordt gevolgd door die van zowat alle steden in het Westland. De inwoners van Cassel, Bergen, Broekburg, Veurne, Duinkerke, Poperinge, Torhout, Roeselare, Belle en Menen nemen de door Artevelde aangestelde bevelhebbers gevangen en leveren die uit aan de Franse koning. Ze maken van de gelegenheid gebruik om hem om genade te verzoeken. De simpele burgers krijgen al bij al een triestig antwoord, de koning gaat akkoord, maar, ‘behalve dat al hun vee en andere goederen moest blijven tot buit van de soldaten, doch dat al hun huizen, hoven en lichamen in ‘t minst niet beschadigd zouden worden.’

Zo worden de arme mensen beroofd van hun levensmiddelen. Graaf Lodewijk is er niet over te spreken. De Fransman heeft hem niet eens betrokken bij de onderhandelingen. Zijn gezag bij het Franse hof staat wel op een heel laag pitje. Het lijkt er op dat hij niet eens bekeken wordt als de graaf van Vlaanderen. De uitgeleverde bevelhebbers van de Vlaamse steden worden allemaal onthoofd. De executie vindt plaats op de brug van Ieper, een plek die ik onmogelijk kan lokaliseren.

Dit is een fragment uit deel 6 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>