Spletmatrozen en kwaweervogeltjes

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     75 Views     Leave your thoughts  

De visvangst

Naast een degelijke kennis van de zee en haar visgronden moet men ook een dosis geluk hebben in de opbrengsten, om een schone reis en goede besomming te maken. Ten eerste komt het er op aan de vis te vangen, ten tweede zonder pech de thuishaven te bereiken en ten derde in de vismijn een goede prijs voor zijn ‘vangste’ te bekomen.

Het Europees kwotum voor elk land vastgelegd, beperkt de vissen naar willekeur. Wanneer de netten bovengehaald worden en er zit te veel vis in of soorten vis die je niet mag vissen, doet het pijn aan het hart om deze terug over boord te gooien en is de vis meestal dood en een prooi voor de zeevogels in plaats van voor de mensenconsumptie.

Schelvis is een leugenaarsvis, heeft twee zwarte plekken op de kop. De Zonnevis (Sint-Pietersvis) heeft geslapen in de zon en vertoont verbrande plekken in het midden van zijn lijf.

Men mag nooit goeie reis wensen aan de visser die in zee steekt op visvangst. Hij is daarvoor zeer kwaad omdat hij vooraf door deze wens weet dat hij een ‘slechte reis’ zal maken, geen goede vangst en geen goede prijs voor zijn vis. Daarom reageert hij fel tegen de zegspersoon met een ruwe uitdrukking: ‘verrekt gie nieuweers’. ‘Ik vertrek met het schip en ik ga hem geheel werebrengen.’ is de wens van de schipper (de meester aan boord). ‘Ge zijn de vint’, betekent ‘gij zyt de baas op het schip’.

Wanneer het schip de koppels van het staksel voorbijvaarde naar zee, maakte de visser een kruisteken. Guido Gezelle dichtte ‘Kruiske, kruiske, goed begin, heeft het kruis toch wonderen in!’ Voor een geslaagde visvangst roept de visser ‘In Gods naam’. Aan het net aan boord werd venushaar (in visserstaal muishaar) gebonden en is het aangewezen dat een oude vrouw op de kuil van de korre waters (pist) (aan boord betekent schip). Anderen zeggen: ‘hoe jonger het meisje hoe beter’.

Het eerste voorwerp dat men aan boord deed van een nieuw vaartuig, was het kruisbeeld , gewijd door de pastoor. De visser had betoruwen op Sint-Antonius van Padua (Toontje) en deed beroep op hem in geval van penarie en hij moet helpen bij verlies van een voorwerp. Wee echter wanneer het tegenslaat, dan wierp de visser het beeld op de grond van colère (gramschap). Dit noemen ze het beeld kastijden.

Men deed een nagel van de paaskaars in de voorsteven van het schip, ook was daartoe een gaatje voorzien in de achtersteven en in het midden van het vaartuig waar de vis moest liggen. Het gaatje werd met een ringetje toegeslagen door de baas.

Wanneer het stormde tijdens de oude Ijslandvaart en de galette dreigde te vergaan, ging Pier Kloefe uit De Panne naar beneden en ontstak een kaars. De wind draaide en de boot en zijn bemanning (koppage) waren opnieuw veilig. Het geloof verzet bergen, maar kan ook de zee kalmeren.

‘Mouwvreters’ zijn een ontsteking door het wrijven van de onderkant van de vest op de polsen bij de werkzaamheden aan boord van een vaartuig, vooral bij contactname met het zilte zeewater en ophalen van de korre. Om dit te vermijden verkortte men de mouwen, zodat de polsen vrij kwamen en brandde met de haren van de arm af met een kaars. Remedies voor genezing van de mouwvreters: bandjes lijnwaad rond de bezeerde plekken binden en vet van zeevogels erop smeren. Daartoe werd de buik van de levende vogel opengesneden en het vet uit de buik gehaald. Op verzwering van de vinger (de fieke), deed men levers van de pijlstaartrog (djude) die gerot waren en natuurlijk vreselijk stonken.

Een wonde omzwachtelde men met een gedroogd palingvel. Om een wonde te ontsmetten werd er op gepist. Om katrienewielen af te lezen, een trouwring (niet van een familielid) van het eerste huwelijk laten ronddraaien in de ontsteking.

Een genezer kon het ‘vier’, verbrandheden, de roze op de kake (wang) en van de neus aflezen. Tegen verhitheid: een stierepees in stukjes kappen, laten weken en koken in kandijsuiker, tintuurjodium en melk in doen en opdrinken.

Wanneer de visser, vooraleer in zee te steken, nonnen of pastoors ontmoette, keerde hij terug huiswaarts en stelde de reis uit tot de volgende dag. Een visser zag eens drie nonnen op het staketsel zwaaien, hij mocht niet terugzwaaien naar deze nonnen. Hij zei ‘we gaan er een zak krijgen’ (veel tegenslagen hebben op zee). Vast slaan met de korre aan een wrak, de korre weg. Niets te vangen. Een reis voor de paus. Geen stert (staart) te vangen.

Er mocht geen zwarte kat voor de voeten lopen; dat was een toveresse en dus niet in zee gaan. Nooit op zondag of heiligendag in zee steken, men zou slechte vangsten hebben. Ook niet met Kerstdag het ruime sop kiezen, de korre zou vol joengers (kinderen) zitten. Men maakte dat men ‘s nachts voor 12u op Kerstnacht thuis was.

Op Allerzielen werden de haringnetten (beeg) binnengehaald aan boord, een kaars ontstoken en vijf Onze Vaders gebeden voor de doden. Op Allerheiligendag 12u moest de korre binnen zijn, anders bing men niets anders dan lijken. Men herdacht toen ook de overledenen en stopte het vissen. Op Onnozelekinderendag niet vissen men zou niets anders dan ‘puppen’ (poppen) vangen.

Vroeger ging men nooit in zeze op Sint-Pietersdag, want dan stormde het altijd. Zo bleef een open boot van Oostende op zee (vergaan). Nooit op een vrijdag de proefreis met een nieuw vaartuig doen, ook geen nieuw materiaal aan boord doen die dag. Niets anders dan tegenslag te verwachten.

Vissers dulden geen spletmatrozen (vrouwen) als bemanningsleden omdat ze niet over boord konden wateren zoals de mannen. Wanneer de vrouwen dit op het dek van het schip deden zou alles rotten aan boord. Meisjes mochten ook niet op het dek wateren.

Geen zoetekoeke, geen taartjes, geen boterkoeken, geen koekestuten aan boord brengen. Het zou al misère en verdriet veroorzaken en het zout in je pap niet verdienen. Iemand had boterkoeken meegebracht, men verloor de korre, een nieuwe aangedaan ging opnieuw te kwiste en met een derde kwam men vast te liggen aan een wrak, na zes uren lreeg men het net los.

Zich niet scheren aan boord, geen vangsten meer. Nooit over pasters en nunnen (nunnetrutten) klappen. Het dek niet met een borstel afvegen, het geluk werd afgeborsteld. Men veegde de vuiligheid met de voet door het gat (spuigat, verloopgat), zelfs legde men een dweil om de voeten af te vegen om over het dek te gaan.

De spreuk; ‘de vis komt bij hem door de verloopgaten naar binnen’, betekent dat hij een gelukzak is. ‘Dat loopt de spuigaten uit’ betekent: dit gaat te ver. Een hoer ontmoeten (tegenkomen) betekent geluk. Een rechterpoot van een mol in zijn beurze (zak) hebben tegen ongelukken. Een note van schade (neutemeschate) bij zich dragen was goed tegen de zweren.

Wanneer men op nieuwjaar de koekoek hoorde roepen mocht er geen koude meer komen, ‘je zijt uitgewinterd’. Een vissersmoeder plaatste drie kaarsjes in een platte teljoor met zand voor de drie afgestorvenen. Wanneer het eerste kaarsje opgebrand was, was het zieltje naar de hemel gegaan.

Sjanfoeter is een geheel groot schip zo groot als de oceaan. Het sloeg met de kluwerboom al draaiende de top van de kerk van Zuytcote (Frans-Vlaanderen) af. Een mannetje kroop in de top van de mast om de schuifblok, die schreeuwde (piepte) in te smeren en wanneer hij terugkeerde was het een oud ventje. In de kluwerboom kon er een bootje plaats nemen. Ze stonden met 24 man aan het roer om het roer over te steken.

Een ‘malfiet’ is een bestaand vogeltje dat overdag langs het water fladdert en ‘s avonds schreeuwt. Het brengt ongelukken mee: geen vis vangen, de korre die scheurt, er is niets te verdienen. Het is een kwaweervogeltje. ‘Het zijn malefieten die regen en wind schietten’. Hij is een malfiet: een persoon die de oorzaak is van allerlei malchances en liefst vermeden wordt.

Pastoor Lootens van Oostduinkerke vloog op een borstelstaart, zei men. Hij kon de kokkemare aflezen wanneer men er door bereden werd, dit is een ‘brokke zot’ zijn en hij besprenkelde de geteisterde.

De ‘marionetten spelen in de mast’, beteket de wind die schuifelt in de masten wanneer de marionetten in de lucht kletteren, dit is een teken van slecht weer.

Het kacheltje in het logies van het schip noemde men een driepikkeltje, het rustee op drie pootjes en op het rookgat van de stovebuis op het dek werd een rookkapje geplaatst tegen regen en zeewateroverspoeling.

Gelezen in ‘Die Chronycke Bachten de Kupe’ van 1998.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>