Stadense familie op de vlucht

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     504 Views     Leave your thoughts  

Op 13 mei 1990 overleed mevrouw Wilhelmina Caura. Zij was geboren in 1898 en als oudste lid van de heemkring had zij de eer op het jaarlijkse driekoningenfeest – tot in januari 1990 – de traditionele feestkaars aan te steken. In 1987-’88 vertelde ze ons het verhaal van de vlucht van haar familie in 1914 en hun verblijf in Frankrijk in de Eerste Wereldoorlog. Bij het neerschrijven van het verhaal hebben we zo veel mogelijk de taal en eigen vertelstijl van Wilhelmina bewaard.

Nadine Demeulenaere in ‘Het Gebied van Staden’ – 1991 –

vlucht

Op het Stampkot 1914

Ik ben nog van de andere eeuw. Ik ben geboren op het Stampkot, op 22 oktober 1898. Mijn vader was Désiré Caura, moeder was Emerence Van Scheller. Ze staan in het boek van Donald Vandecandelaere op de foto van de 14 koppels die hun gouden jubilé vierden. Moeder was van Vladslo, vader van Zarren. Ze zijn naar Staden komen wonen in de kuiperij op het Stampkot. Daar woonden mensen die naar Argentinië gegaan waren. Eli en Eudoxie, zijn nog in Vladslo geboren.

Ons huis stond aan de linkerkant als je van de Houthulststraat naar het Stampkot ging. Vader was kuiper; hij ging kuipen dichten in de brouwerij. We hadden zelf bier in huis voor de boeren. Het was de herberg “De Kuiperij”. Vader ging langs de Vossedreve naar Houthulstbos om bomen te kappen. Ge moest dat allemaal zelve doen en ge moest ze ook zelve naar huis brengen. Vader vroeg dan Verhelst. Die woonde toen op de molen. Hij haalde de bomen dan met zijn paarden naar huis. Later van tijd heb ik vader nog geholpen met bomen zagen en in enden korten.

Toen de oorlog begon woonde Eudoxie, mijn zuster, in de kuiperij, ons oud huis. Het staat er nu niet meer. Ze was getrouwd met Theofiel Terryn. Ze hielden herberg en boerden. Mijn broer Eli was getrouwd met Bertha Paesbrugghe. Hij woonde op de platse, in een huis vooraan in de Kapelleriestraat. Na de oorlog kochten ze het huis ernaast, met de schadevergoeding. Ik ben veel jonger en ik was nog thuis.

In 1914 woonden vader, moeder en ik al vier jaar niet meer in de kuiperij. We waren verhuisd ’s Graveneikewaarts. Dat was een schoon huis! Met een grote hof met een doornhage rond. En schone vloeren! Naar de nieuwe mode. Saten Ceuninck had het gebouwd om er te gaan rentenieren. Hij had op het hof van Carettese geboerd. Maar zijn vrouw werd ziek en hij is op de platse gaan wonen. Dat huis staat er ook niet meer. Van daar zijn we gevlucht.

Half oktober 1914

Ja, we zijn gevlucht. Mijn broer Eli was al weg van de donderdag. ’t Mannenvolk vluchtte hier allemaal weg van de donderdag. Zijn vrouw Bertha was bij ons gekomen met Maria, toen een klein kind. Ze ging bij ons blijven, zei ze. Maar de zaterdagnuchtend zegt ze: “Ik moet naar huis. Ik moet de konijnen eten geven.” En mijn vader zei: “Goed. Maar ik ga mee.” Als ze thuis kwam, gaf ze de konijnen eten en ze zei tegen vader dat ze niet weer mee ging naar het Stampkot. Vader kwam alleen terug. Maar hij geraakte niet meer thuis. Hij zag dat het Stampkot vol Duitsers zat en hij durfde niet naar huis komen. Hij sliep bij Stormes”.

Ja, van de zaterdagvoormiddag passeerden de Duitsers hier over de baan en de anderen zaten 10 op de berg. Ze begonnen te schieten. En wij naar de kelder. We zaten daar van de zaterdagavond tot de zondagmorgen: moeder en ik, Beitens van aan de andere kant van de straat en André, Eudoxies jongen. De zondagmorgen ben ik met André naar zijn huis gegaan. Niemand thuis. Alles stond open. ’t Schof van de toog lag op de grond. De koe was weg en de zwijns lagen dood. Leon Amery die op het boerderijtje ernaast woonde, riep: “Ze zijn naar Cheintens, naar de Duivenakker”. Chein was de broer van Theofiel, mijn schoonbroer. Ze waren met hun koe naar daar gevlucht. Zo ja, André liep naar daar. Ik ging terug naar huis. Vader was ook thuis geraakt. De Duitsers waren doende hun gekwetsten weg te dragen. Het Rode Kruis was op de hofstee van Amery’s. Ze schoten toen al erg. De maandagmorgen was het schrikkelijk.

Op de vlucht

De familie Crombez uit de leegte kwam vragen: “Gaat gij vluchten? Zouden we tegare gaan?” De maandagmorgen zijn we gevlucht. Ik had niets mee. Ik had een schoon koffertje gereed gemaakt om te vluchten. Er zat een baai in en vers goed. ‘k Moet ergens gehoord hebben dat we dat gereed moesten doen. Ik stond daar met mijn koffertje, maar vader zei: “Draag dat zere were. We gaan morgen weer thuis zijn.” Dat dacht hij omdat hij maar één dag weggeweest was! De familie Crombez had kennissen op de Vijfwegen. We trokken daarnaartoe, te voet. We gingen bij die mensen binnen, boeren. Ze waren blij dat ze Crombez zagen. Ze maakten koffie en we hebben daar gegeten. Ze wilden dat we daar bleven. Maar ze begonnen zo verschrikkelijk te schieten aan de kanten van Westrozebeke, aan de kant van de berg. En we zegden: “We gaan hier weg.” Te voet naar Poelkapelle.

We kwamen daar op ’t hof van Aloïs Desimpel die afkomstig was van Staden. Bijna heel de berg zat er. Ze hadden juist gebakken en ze deelden al hun brood uit. We hebben daar ook in de schuur geslapen: in rijen met een zak om ons te dekken. En als we ons water moesten maken, moesten we naar buiten. Aan de kanten van Staden was het één gloed. En schieten was schieten. ’s Morgens zijn we weer vertrokken; Crombez ook. We gingen naar Boezinge. En wie we daar zagen! Pastoor Mostaert. Hij zei dat hij naar Roesbrugge ging. Wij gingen naar Poperinge, weer te voet. We moesten in de grachten gaan om de soldaten te laten passeren, Franse soldaten.

Poperinge

We arriveerden in herberg ‘De Zunne’ (= De Zon) op de weg van Elverdinge naar Poperinge-stad. We waren tenden. Ik heb me daar aan een tafeltje gezet en ik viel in slaap, zo moe was ik. We hadden daar chance: René Seys van ’t Stampkot had een broer die niet ver van ‘De Zunne’ boerde. Die kwam daar binnen, herkende ons en sprak borg dat we daar zouden mogen blijven. De vluchtelingen zaten overal, tot in de hooivummen, overal.

Eudoxie, mijn zuster, verwachtte haar vierde kind. We hadden dus 3 kleinen mee: André, Adhemar en Elviertje. Ja, we mochten daar blijven. Die mensen deden soep en patatten gereed en we mochten op de voute eten aan een grote tafel. Ons brood en onze boter moesten we zelf kopen en we moesten in de schuur slapen. En al die troepen die passeerden! Ze zagen dat we réfugiés waren en we kregen dozen en dozen vlees.

Alice Crombez en ik moesten naar de stad achter brood. ’t Vliegveld was maar een stapje verder. We moesten van de weg op de oever kruipen en langs het vliegveld gaan. Twee keer hebben we gehad dat er vliegers boven zaten. En op een keer – we waren bijna in de stad – stonden we in een wei te kijken naar een hoop douillen die daar lagen. Terwijl we daar staan te kijken, komt er een vlieger af. En wij lopen. Een bom viel op het bakkerietje een eindje verder. Er schoot niets meer van over. En stuiven!

Als wij in ‘De Zunne’ terugkwamen, stonden ze daar, de soldaten, met hun geweer, gereed om te schieten naar de vlieger! We waren nog in ‘De Zunne’ als mijn. broer Eli ons daar gevonden heeft. Toen kwamen de gendarmes. De vluchtelingen moesten weg, allemaal. Wij hadden geen geld bij ons. Vader had zijn geld thuis gedolven. Ik had een beetje drinkgeld maar Eudoxie had haar geld mee. En we zijn bij haar gebleven. Crombez hadden geld en ze zijn daar gebleven.

Westvleteren

Eli die in Westvleteren gevlucht was, zocht een plaats voor ons in Westvleteren. Goed, we woonden daar in een klein huisje, bij een oude man. Hij at van onze kost en we hadden zelve niets! We zaten daar in een keukentje. Geen stoelen. We moesten op een bak zitten en om de beurt uit een teljoor eten. We waren niet ver van de paters en de zondag gingen we daar naar de mis.

Het naderde voor mijn zuster. Zo ja, we zegden tegen die man dat we zouden weggaan. Vader wilde niet weggaan en ging bij Eli blijven. Hij wilde altijd maar naar huis. Ze gaven toen laissez-passers in Oostvleteren. Vader ging er een halen om naar Staden terug te keren. Ik ging met hem mee, van ’s morgens te vieren. Toen we in Boezinge kwamen, stond daar een Stadenaar buiten aan een boerderij, een man van Stadenreke, de broer van .. “Ge zult nooit aan ’t sas van Boezinge geraken”, zei hij. ’t Was daar werkelijk vol kraters van bommen, en we zagen toen plots de kerk van Zuidschote in brand schieten en vader zei:

“We gaan terug”. Ik was blij, blij! We moesten weer langs de grachten gaan, langs de afspanningen van de weiden. ’t Waren al soldaten op de baan. En ’t slijk lag ik weet niet hoe dik. En toen we weer aan ons huizeke kwamen, zat het vol soldaten, Franse soldaten. Daar zat een met een blauwe halsdoek en hij zat koffie te malen. En hij zong ‘Sous les ponts de Paris’. Ik zie hem nog voor me. Ik ga dat nooit vergeten. We moesten op de hooizolder slapen. De soldaten sliepen in een kot beneden. En toen op een morgen hoorden we gestommel en lawaai. Mijn schoonbroer ging kijken. De vlag van ’t Rode Kruis stond aan de voordeur.’t Waren dokters. Ze zaten in ons voorplaatsje. We hadden een beetje wasgoed op de bleek gelegd. De paarden hadden het in de grond getrappeld en we vonden het bijna niet meer! Alle dagen kwamen er zieken. Ze brachten daar geen gekwetsten; we waren te ver van het front.

We zegden: “We moeten hier weg. Eudoxie kan hier zeker niet blijven.” Vader ging daar blijven in een kleine huisje een eindje verder.

Op de dool

We wisten toen dat er van uit Poperinge een trein reed die vluchtelingen wegvoerde. We deden ons pakje gereed en met die 3 kleinen – ’t kleinste was 17 maanden – zijn we te voet naar Poperinge gegaan. En toen we daar kwamen, hadden we geen trein! We moesten naar Watou, zegden ze. Te voet opgetrokken. ’t Smuukte, ik weet het nog. Toen we in Watou kwamen, zagen we daar een Stadenaar voor de deur staan: Sarlowie Bintein. Hij vroeg ons binnen en we sliepen daar op de grond. We moesten naar de trein in Herzele. Weer te voet naar Herzele, tegen de grens. In een café bij de statie aten we een teljoor soep. De baas zei dat er daar ook geen trein was. “Vraag in de statie wat ge moet doen.” In de statie zeiden ze: “t Beste dat ge kunt doen is uw trein betalen naar Hazebroek. Daar gaan de gendarmes u afhalen. Ze verzamelen daar de vluchtelingen tegen dat ze ze verder in Frankrijk kunnen wegbrengen.”

Hazebroek

’t Was waar: de gendarmes stonden daar. Ze brachten de vluchtelingen onder in 2 zalen. Wij lagen in de eerste zaal. Daar brandde een grote stoof. We sliepen in rijen in ’t stro. We moesten gaan eten in ’t hospice. Drie keer per dag: ’s morgens een kom frutsop en een snee droog brood, ’s noens een kom soep – ze stonk; ’t was lijk van de schoteldoek gekookt -, ’s avonds weer een snee brood en frutsop.

Toen we daar in die zaal lagen, kwam daar een madamtje: madamtje Petit, een braaf mens. Ze kwam de vluchtelingen bezoeken. Ze zei tegen mijn schoonbroer en mijn zuster: “Ga naar de burgemeester en zeg dat ge in zulke staat zijt.” En tegen mij zei Eudoxie: “Ga mee om te vragen of ge bij ons moogt blijven.” De burgemeester was een pastoor: abbé Lemirez. We deden ons geval uiteen en hij ging voor een oplossing zorgen. ’s Anderendaags al hadden we een huis. ‘r Was het huis van een Spanjaard die naar zijn land gevlucht was toen ze in ’t begin van de oorlog op Hazebroek geschoten hadden.’t Was een fruitwinkel geweest: ‘Au jardin des plantes’ . We mochten daar wonen.

Maar we hadden geen allocation. Mijn schoonbroer moest maar zien dat hij aan werk geraakte. In de eerste dagen had hij er al: huidevetter. Madame Petit had ook werk voor mij in een naaiatelier: tenten naaien. We moesten knoopsgaten maken, linten en knopen aannaaien van ’s morgens 7 uur tot ’s avonds 7 uur voor 1 frank. ’s Middags stopten we om te eten.

Tussen de zaterdag en de zondag is Elodies kind geboren: Jozef. Er was een dokter bij, een vluchteling. Moeder moest voor al die kinderen zorgen. En ze was al zestig jaar! Begin januari werden er twee kindjes ziek: Elviertje, eenentwintig maanden, een Adhemartje van vier jaar en een half. Elviertje had de kinkhoest. Moeder moest er twee keer mee naar buiten lopen; ’t werd zwart en blauw. Vader en Eli zijn toen achtergekomen. Vader en moeder sliepen in het enige bed dat er in huis stond. En wij weer op de zolder, weer in een rij!

Vader en Eli hadden werk in Merville, een uur te voet. En vader, die oude man, moest daar tranchees delven. Op een keer, toen ik thuis kwam van mijn werk, zei vader: “Ik heb een huizeke gepacht. We gaan een keer gaan kijken.” Het huisje lag in de rue Merville. Achter de ruiten zag je het onkruid, manshoog. “We mogen hier twee maanden wonen voor niets”, zei vader. Maar ik zei: “Vader, liever dan dat ik hier kom wonen, laat ik me wegvoeren. Van morgen al.” “Wel,” zei hij,” we laten ons wegvoeren!” Ik was blij! Ik was blij!

Ferriere-en-Bray

’s Anderendaags al hadden we een trein. Ons pakje gemaakt en weg. Mijn zuster bleef tot ze daar bombardeerden. Dan is ze ook bij ons gekomen. In ons ongeluk hadden we chance. In Calais moest het mannenvolk opgeven welk beroep ze hadden. Vader gaf zich dus op als kuiper. Hij moest gaan kuipen in een ciderfabriek in Ferrière-en-Bray in de Seine-Inférieure. We woonden in de refectoire waar de arbeiders altijd gegeten hadden. Ze brachten daar beddekens voor ons en kassen. En er stond een eendelijks grote stoof. De kolen mochten we halen op de koer. Ik moest de was doen buiten aan een fornuisje. Ook als ’t vroor. Nu, we waren kontent. We waren weinig gewend en … we hoorden niet meer schieten!

Ik moest in de kelder helpen om de melk uit een soort metalen kuipen uit te gieten in zakken. Die zakken werden in rekken geplaceerd en ’t water leekte eruit. Dat water stroomde over de vloer en we waren alle dagen zoppenat. We deden onze kousen af. Maar … we moesten direct naar den bureau. Kousen weer aan! ‘k Had daar een mooie daghuur. Maar moeder zat vol reumatiek en ik moest thuis blijven.

Toen moest Eli soldaat gaan zijn. We verhuisden naar( … ) Eudoxie pachtte een groot huis en we woonden elk in een helft. Veel vrouwen van mannen die soldaat waren, gingen weer bij hun ouders wonen. Zo was het niet moeilijk om aan een huis te geraken. Op een keer hoorden we ’s avonds een gegrol en gedruis. We hoorden ook de mensen naar buiten lopen. Wij keken door ’t venster.’t Was een zeppelin die bommen kwam gooien op de statie. Hij had al bommen gegooid aan alle kanten maar geen … op de statie! Die zeppelin geleek op een sigaar; hij was verlicht en grolde als hij vloog.

Op het einde dat we in Ferrière waren, kregen de mensen de griep, de Spaanse griep. Ik heb hem ook gehad. Dat was een vreselijke griep. De dokter kwam maar één keer bij mij; hij had te veel werk. ’t Was te donker op mijn kamertje, zei hij en ik moest direct naar beneden. Ik gaf bloed over. Al bloedige fluimen, een nachtpot vol. ‘k Kreeg een fles medicijn. De jongens en ik hebben die griep gehad. Maar we hebben het overleefd. Veel mensen stierven. De endeklokken luidden tot in de achternoen. In onze buurt stierf een meisje van Roeselare, een jaar of dertien oud.

Dan ben ik gaan kuisen bij een horlogeur, dan in een apotekerie. Toen vroegen ze een meisje op het kasteel van Ememont-laVillette, een kleine gemeente daar dichtbij. Ik ging dus in dienst bij graaf en gravin Arogneau-de-Romblay de Cannecaude! Aan alles moest ik helpen: schotels wassen – en ’t waren er veel -, de keuken kuisen, cireren .. Al de vloeren waren in eikenhout, tot in de wc’s toe. De galerieën waren in mozaïek. Dat moest allemaal gecireerd worden. We deden dat met borstels die we op onze schoenen staken. Zeg dat we schaverdijnden!

Er was daar een kokkin, een kamermeisje, iemand die de paarden beging, een koetsier, voor ieder werk was er iemand. Er was zelfs een knecht die in de zomer met een ezel heel het gazon moest rakelen. Voor de kokkin, Henriette, heb ik nog een paar savatten gemaakt. Ik had er voor mij gemaakt van een lap van een soldatenkapote. We mochten niet veel geld verdoen! Ze had er zo een goeste naar en ‘k heb er een paar gemaakt.

De koetsier was ook een vluchteling. Hij was van Voormezele. Marcel heette hij; zijn familienaam weet ik niet meer. Als ze me op het kasteel nodig hadden, schreven ze een kaart en Marcel bracht ze. Ik moest gaan helpen als ze een diner gaven, als ze overkomst hadden en als hun schoondochter, de vrouw van de oudste zoon, met de kinderen overkwam. De graaf en de gravin hadden namelijk twee zonen. Ze waren soldaat. De oudste heb ik nog gezien op het kasteel. De jongste is gesneuveld. Als de kleinkinderen er waren, moest ik ervoor zorgen terwijl de grote mensen gingen eten.

Soms was ik daar drie weken aan een stuk. ’t Kamermeisje en ik hadden boven kamertjes naast elkaar. In de zomer gingen we naar de mis in Goumay met paard en voiture; in de winter kwam een priester mis doen in de kapel op het kasteel. Daags voor dat we naar België kwamen, kwam madame me nog halen. Ze was ontgoocheld. De familie Jonckheere van Stadenberg woonde toen langs de boulevard en ze ging daar vragen. Achteraf heb ik gehoord dat er niemand geweest is.

Terug naar huis

Mijn vader kwam voor, in ’19. De Terryns, familie van Eudoxies man, waren niet gevlucht en vader logeerde bij hen. Van ons huis was de achterkeuken blijven staan, de stalling en de wc, en een barak die de Duitsers aangebouwd hadden waar dat er beddekes in stonden, bespannen met telefoondraad. We zijn een beetje nadien overgekomen en hebben daar gehuizenierd.

We zijn met de trein geland in Zarren. In een wagon zaten onze bezittingen. Iemand ging erachter met paard en kar. In onze boomgaard lag er een Franse soldaat begraven: Henri Lebeau. Zijn kepie hing op ’t kruisje. Ze hebben hem later ontgraven. Marcel, mijn toekomstige man, was vrijwilliger geweest en hij was vroeg af van ’t leger, van in augustus al. Hij was laatst bij de ballon captif geweest in Antwerpen.

We moesten voor den ondertrouw naar de burgemeester Ampe die toen woonde waar dat nu Noël Reyns-Doubel woont. We kwamen te voet van ’t Stampkot. Marcel had geen nieuwe kleren. Hij had nog maar een nieuwe kostume van toen hij van ’t leger kwam. Dus: ik ook geen nieuwe kleren. Dat was geld gespaard. Er was daar iemand in huis en samen met Charles Ampes vrouw was hij getuiges. We moesten toen van daar naar de kerke, al te voet – ’t was een schone trouwdag -! De kerk was kapotgeschoten en de naaste kant was een beetje opgekalefaterd. Dan naar ’t Stampkot. Moeder had konijnen gegeven, ze doodgedaan en Eudoxie deed ze gereed voor Marcels ouders en voor ons. Er was daar anders niemand gevraagd. ’s Avonds te voet naar Zarren en ’s anderendaags ’s nuchtends naar Frankrijk. Marcel had daar werk. ..

Nadine Demeulenaere in ‘Het Gebied van Staden’ – 1991 –

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>