Stokvis, tong en haring

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 weeks ago     122 Views     Leave your thoughts  

Hertog Filips komt in het jaar 1500 op bezoek in Duinkerke. De magistraat, opgetut in pronkerige ceremoniekledij ontvangt de graaf in stijl en schenkt hem enkele zilveren voorwerpen en enkele vaten exclusieve wijn, de traditionele geschenken van een Vlaamse stad aan hun meesters. Zes jaar later is het spel van de jonge graaf al afgelopen, vergiftigd en vermoord, en zullen de Duinkerkenaars het moeten zien te rooien met zijn zoontje Karel. Grootvader Maximiliaan zal eerst nog een jaar of tien de touwtjes in handen houden tot Karel tot de jaren van verstand zal komen. De situatie hier blijkt ingewikkeld te zijn. De heerlijkheid Duinkerke is eigendom van een Franse adellijke familie uit de Vendôme. Frans grondgebied in hartje Vlaanderen zorgt uiteraard al eeuwen voor een complexe cocktail aan intriges en belangenvermenging. Elk bezoek van de kasteelvrouw van de Vendôme aan haar eigendom zorgt voor grote zorgen bij de Vlaamse autoriteiten. Ik mag niet uit het oog verliezen dat het Parijs is die het laatste woord heeft in alle hangende juridische kwesties. Vlaanderen is nu eenmaal Frans leengebied. Dat de pairs van Frankrijk vaak partij kiezen voor de familie Vandôme, zorgt er natuurlijk voor dat de situatie in Duinkerke gevaarlijk gespannen blijft.

Een jonge en erg competente keizer Karel beseft de strategische waarde van een stad als Duinkerke en gaat al van in zijn jeugdjaren in het verzet tegen de Franse invloeden hier. Dat wordt helemaal duidelijk bij de dood van Maximiliaan van Oostenrijk. Karel ambieert het om de keizerlijke kroon van zijn grootvader over te nemen. François, de nieuwe koning van Frankrijk treedt direct op het voorplan en stelt zich eveneens kandidaat om keizer te worden van het Roomse Rijk. Het wordt een electorale tweestrijd die kan tellen. Duitsland en het Roomse Rijk kan ik niet echt bestempelen als een land maar veeleer als een lappendaken van tientallen heerlijkheden en leengebieden met elk hun eigen keurvorsten. Eigenlijk kan ik de situatie best vergelijken met de Verenigde Staten van Amerika, met elk hun gouverneur en hun eigenheid en een volk dat zijn voorkeur uitspreekt i.v.m. de kandidaten voor het presidentschap. In het Duitsland van 1519 is het eigenlijk niet echt anders.

De twee kandidaten, Karel en François, sturen hun afgevaardigden naar Saksen, Keulen, Zwitserland, Berlijn, Rome, Denemarken om er hun invloeden te laten gelden, om stemmen te ronselen. Ik vertel het jullie maar direct: het werkwoord ‘ronselen’ is een verkeerde keuze. ‘Kopen’ is de juiste omschrijving. Beide kandidaten houden er schandalige praktijken op na en zwaaien met goud en voordelen om stemmen binnen te halen. Goud geniet de voorkeur, maar de beloftes van grondgebied, pensioenen, huwelijksallianties, lucratieve deals, aanzienlijke geschenken zorgen ervoor dat de hebzucht van de keurvorsten tot op ongekende hoogtes wordt aangewakkerd.

Eigenlijk zou al dat gesjacher achter de schermen moeten gebeuren, het gaat tenslotte over een vrije keuze van elk van hen. Dit onwaardig spektakel speelt zich integendeel af in volle openbaarheid; tussen de verkiezingsperiode die begonnen is in mei 1518 en afloopt in juni 1519, op de dag van de verkiezingen. De twee kandidaten gunnen elkaar het licht in de ogen niet en zorgen voor een vuile oorlog die niets of niemand spaart. De tegenstanders onderscheppen correspondentie van elkaar en publiceren de inhoud ervan zonder de minste scrupules. Schandalige toestanden en onderhandelingen waar Karel en François hun kwaliteiten en hun slechte karakters naar boven halen.

Karel etaleert een geslepenheid die verwonderlijk is voor zijn jonge leeftijd. François is een pure Fransman, een opschepper, zowat de voornaamste kwaliteit van alle Fransen. Victor Derode is zelf een Fransman, hij kan het weten. De ene kiest verkeerde medewerkers en de andere maakt gebruik van trouwe medewerkers die geen kloten waard zijn. Karel drijft zijn medewerkers tot het uiterste met een stroom van brieven en vaak haast onmogelijke eisen en verwachtingen. François gebruikt de koninklijke macht en een berg aan financiële middelen om zijn volgelingen te overtuigen. Geen van beide zal het er zo maar bij laten indien ze de keizerskroon zouden mislopen. De legers worden opgebouwd om op te rukken ingeval van mislukking.

Het gaat hem vooral om zeven kiesdistricten. Bohemen, Brandenburg, Mainz, Treves, Keulen, Saksen en de pauselijke staten. Karel opent een kredietlijn van 100.000 florijnen bij een Florentijnse bankier. François troeft hem af en legt een pak meer op tafel. ‘Ik wil absoluut verkozen worden’, verklaart Karel meermaals, ‘wat het me ook mag kosten.’ Op de dag van de verkiezing bereikt hij een astronomisch bedrag van meer dan twee miljoen gouden florijnen. Ik bespaar jullie de verdere details. De Vlaamse Spanjaard raakt zo met grof geld verkozen en zal voor de rest van de tijden in de geschiedenisboeken verzeilen als ‘Keizer Karel’.

Om zijn glorieuze verkiezing te vieren wil hij in alle steden van zijn rijk grote feesten georganiseerd zien. Dat is ook het geval in Duinkerke, net zoals in alle andere Vlaamse steden. Het publiek viert de aanstelling van hun graaf tot keizer van Europa met processies, rondgangen, rederijkersspelen en andere festiviteiten. Karel vertrekt vanuit Spanje om zich in Duitsland te laten kronen. Na een tussenstop bij de Engelse koning Hendrik VIII, een triestige persoonlijkheid volgens mijn schrijver, ontscheept hij in Calais en van daar gaat het richting Duinkerke waar de hele bevolking hem met veel poeha ontvangt.

De gezagsdragers voelen zich bijzonder geflatteerd met het hoog bezoek dat de volgende jaren nog zal herhaald worden. Lokale kronieken hebben het natuurlijk over de ceremonie die daarmee gepaard gaat. Het verwelkomingscomité wordt voorgegaan door de baljuw zelf. Hij vertegenwoordigt de graaf van Vlaanderen in Duinkerke. Natuurlijk uitgedost als een kalkoen op kerstdag met zijn obligate roede van justitie, het ultieme teken van zijn macht. Hij wordt gevolgd door de topfiguren van de stad. De burgemeester, de schepenen en andere gezagsdragers. Allen in ceremoniekledij in bruine of zwarte stof versierd met velouren banden stappen ze naar hun heer en meester.

De Fransen hebben het over hun ‘seigneur’. Het woord heeft wel iets. Ik vind er de fysieke grandeur van de graaf in terug. De seigneur arriveert te paard of in een koets. De griffier neemt het woord in naam van het schepencollege en verwelkomt de heer. Wat zijn de inwoners blij met zijn komst. Hij mag het weten. De burgemeester overhandigt de sleutels van de stad, ze liggen te blinken op een zijden kussen. ‘Je mag de sleutels houden zoals je dat tot nog toe altijd al gedaan hebt’, antwoordt de seigneur. ‘Als jullie goede onderdanen voor me zullen zijn, dan zal ik me gedragen als een goede prins’. Het ritueel zal bijna niet veranderen tussen de tijd van keizer Karel en die van Napoleon.

Bij de poorten van de stad staat een stoet klaar om Karel te vergezellen. De kanonniers, getooid in het rood en wit, hebben de gasten al verwelkomd met minstens 100 kanonschoten. De boogschutters tekenen present in hun rode en gele kledij en het gezelschap van de roodbruine kruisboogschutters. Ze worden gevolgd door de geestelijken voorzien van al hun ambtelijke veren. Ze dragen de relieken van al hun kloosters. De stoet wordt afgesloten door de kapitein van Duinkerke en diens medewerkers.

Langs het parcours van de stoet staan orkestjes die het hoog bezoek luidruchtig begroeten. Ik zie overal bomen met honderden brandende waskaarsen. Hier en daar worden mysteriespelen opgevoerd en vreugdevuren aangestoken. En dan is het tijd voor de geschenken. Wijn. Karel krijgt vier vaten wijn van 220 liter. De meesteres van de Vendôme krijgt er twee en wat kantwerk. De keizer ontvangt een schitterende vaas. Het deksel is helemaal versierd met bladerwerk met in het midden een leeuw die het wapenschild van Duinkerke in zijn bek klemt.

Op dergelijke momenten willen de bevelvoerders van de stad ook wel demonstreren hoe vriendelijk en vrijgevig ze zijn voor het volk. Gratie langs hier en strafverminderingen langs daar, toespraken, muntstukken voor de arme luizen, zonder dat allemaal zouden er geen echte feesten bestaan in Vlaanderen. Na deze feestelijke entree gaat Karel rusten. De volgende morgen zal hij een mis bijwonen in de kerk van Sint-Elooi, natuurlijk voorafgegaan door de beau monde van de stad en daarbuiten. Het gebouw is tot aan de nok gevuld met heren uit Vlaanderen, Spanje, Italië en Duitsland. De aartsbisschoppen van Toledo, Palermo en Valence. De bisschop van Luik. De graven van Ravestein en van Hoogstraten en nog een pak meer notabelen van de hoogste rangen en standen.

Na de misviering gaat er een belangrijke ceremonie door in het stadhuis. De keizer stapt er naar toe, gezeten op een rijkelijk opgesmukte muilezel. De eedaflegging is een gewichtige aangelegenheid voor elke Vlaamse stad die zichzelf een beetje respecteert. Sinds Gwijde van Dampierre in 1297 zijn trouw aan het volk en hun vrijheden heeft afgelegd, is diezelfde geplogenheid traditie geworden bij al zijn opvolgers. Het volk weet zich gerespecteerd in zijn stedelijke afspraken, de heer kan er zijn leidende positie duidelijk maken, de macht van de seigneur tegenover de onderdanigheid van zijn feodale ondergeschikten.

Tegen een achtergrond van goudversierde lakens spreekt Karel zijn eed uit. Uit zijn koninklijke mond oreert hij met hoge stem volgende formule: ‘wij, Karel, koning van de Romeinen, toekomstig keizer, koning van Spanje, van Jeruzalem, de twee Siciliës, aartshertog van Oostenrijk, hertog van Bourgondië, graaf van Vlaanderen beloof hier en nu met mijn erewoord van prins één en ander te respecteren.’

‘Ik zal de heilige kerk vrijwaren van alle verdrukking, beloof de weduwen en de wezen goed en loyaal te behandelen, net zoals ik dat zal doen met de burgers en de inwoners van deze goede stad Duinkerke. Ik zal jullie privileges, vrijheden, statuten, gewoonten en gebruiken respecteren en die in mijn hoedanigheid van graaf van Vlaanderen in stand houden, precies zoals mijn voorgangers dat hebben gedaan. Moge God en al zijn heiligen mij helpen bij deze taak.’

Het oudste raadslid van Duinkerke neemt nu het woord. ‘Hoor en luister goede mensen. Onze soevereine meester, onze natuurlijke prins en graaf van Vlaanderen is hier aanwezig voor onze ogen. Wij van onze kant zweren om goede en trouwe onderdanen van hem te zijn en om hem te steunen in al zijn wensen en bevelen. We zullen met al onze middelen instaan voor zijn domeinen, heerlijkheden, plaatsen en grenzen van zijn land, dat van Vlaanderen. We hopen dat God ons hierbij zal bijstaan.’ Het valt Victor Derode op dat de eed aan deze Spaanse vorst afgelegd wordt in het Frans.

Karel blijft drie dagen in Duinkerke. Twee jaar later zien ze hem hier weer terug. In het gezelschap van de graaf van Nassau, de markies van Brandenburg, de prins van Chimay en de graaf van Alba. Sluis slibt dicht en dat brengt Duinkerke in een strategische pole position om uit te groeien tot een belangrijke Vlaamse zeehaven. Ik kan dat al zien aan een reeks keizerlijke maatregelen. De zeeschepen kunnen ongehinderd de haven van Duinkerke voorbij om Sint-Winoksbergen te bereiken. Karel helpt de lokale vissers waar hij kan en brengt middelen aan om de stad te versterken. Hij laat een kasteel of een citadel bouwen aan de ingang van de haven. Hij controleert de bewapening van het nieuwe fort zelf en zal vermoedelijk ook de opdrachtgever zijn van de bouw van een nieuwe vuurtoren.

Het fort van Keizer Karel vervangt vermoedelijk het bouwvallige oude kasteel van de dame van Cassel. De vierkante toren wordt door de omwonenden omschreven als ‘De Gapaer’. Leuke authentieke Vlaamse naam, hoewel zijn functie wat minder zachtzinnig is. Aan de toren zijn ijzeren uitsteeksels aangebracht waar regelmatig hoofden van gemartelde veroordeelden op gespietst worden. Victor Derode vermoedt dat het eigenlijk origineel ‘kapaer’ moet geweest zijn, zoals in ‘kaper’ en dat de bewuste koppen wel eens die kunnen geweest zijn van piraten en zeekapers die op heterdaad betrapt werden op het enteren en beroven van zeeschepen. De ‘Gapaer’ zal 150 jaar overeind blijven staan om dan in te storten en vervangen te worden door een nieuwe constructie die nu nog altijd ‘De Leugenaer’ genoemd wordt.

De visvangst marcheert aanvankelijk prima in de jaren 1500 en dat heeft vooral te maken met de gewoonte om vis te verorberen in de vastenperiode. De vorsten geven het goede voorbeeld en zijn ondergeschikten apen hem na. De keizerlijke schepen die vanuit Duinkerke naar Spanje varen worden volgepropt met vis. Gezouten en gerookt. Zoetwatervis zoals paling snoek. Zeevis. Kijk maar naar het boodschappenlijstje. 350 stokvissen, 600 tongen, 2400 schollen. Haring, kabeljauw, zalm.

Tijdens het begin van Karels ambtstermijn lijden de Duinkerkse schippers regelmatig grote schade door toedoen van de Engelsen en de Denen die niet aarzelen om Vlaamse schepen te kapen en aan te slaan. De keizer eist maatregelen om de visindustrie te beschermen en laat de vissersschepen begeleiden door militaire konvooien. Rond 1520 varen er nog vijfhonderd vissersschepen en samen zijn ze goed voor een omzet van 500.000 dukaten. Tegen 1535 zal dit aantal teruggebracht zijn naar vierhonderd. Die militaire bescherming kost natuurlijk handenvol geld. De piraten kennen van langs om minder scrupules en vissen kan niet meer geriskeerd worden zonder extra bescherming. De vervelende maar noodzakelijke kost wordt betaald door een extra belasting op de vis. Het ‘lastgeld’ zorgt ervoor dat de lijdende visnijverheid er nog extra op achteruit gaat.

De stad Duinkerke staat in Vlaanderen vooral bekend om zijn geprepareerde zure haring. De tonnen met haring met het label van Duinkerke zijn te vinden in zowat al de vrije steden van Vlaanderen. Wie ook zuur zal kijken in die tijd, zal ongetwijfeld de Franse koning François I zijn. Nadat hij naast de keizerlijke kroon heeft gegrepen, is de idioot uit op wraak. Vijandelijkheden in het noorden van Spanje en in het Luxemburgse zijn er mooie voorbeelden van. François wordt in Italië krijgsgevangen genomen en belandt in een Madrileense gevangenis waar hij pas een hele tijd later kan wegraken na het sluiten van een verdrag met Karel.

Karel neemt het zekere voor het onzekere en stuurt markies van Ambfort met meerdere schepen en galjoenen naar Duinkerke. Deze laat grote werken uitvoeren aan de stadsversterkingen. Er komt een batterij met afweergeschut, de steigers worden hersteld, Duinkerke moet absoluut in staat zijn om zich te verzetten tegen een militaire aanval. De middelen komen niet alleen uit de lokale kassa. Ook de Spaanse middelen worden aangesproken. En om de Franse vijand bezig te houden stuurt de keizer zijn aanvoerder Charles van Croy naar Picardië en Artesië om er waar mogelijk ravages aan te richten. Van Croy zal zich 15 jaar later persoonlijk moeien met het beleg van Terwaan, de ongelukkige plek die hij van de lijst van levende steden zal mogen schrappen.

Een wapenstilstand tussen Spanje en Frankrijk belet de kapers niet om de Vlaamse vissers te blijven kapen tijdens hun visvangst. De Vlaamse kuststeden krijgen de toestemming van de vier leden van de Raad van Vlaanderen om extra schepen te bewapenen. Een fundamenteel recht tot wettige zelfverdediging, de marine vindt er zijn ontstaan. De Duinkerkenaars gaan op hun beurt in het offensief en maken het de vijanden moeilijk in het Kanaal.

Voor Nieuwpoort en Duinkerke is de komst en de dominantie van de Spanjaarden toch wel het vermelden waard. Die zit trouwens nog maar in een eerste fase. Victor Derode haalt nog enkele andere belangrijke gebeurtenissen naar voor. De stichting van het broederschap van de Duinkerkse kanonniers in 1519. Het overlijden van regentes Maria van Oostenrijk, de tante van Karel in 1530 en het bezoek van haar opvolgster Maria van Hongarije in 1537 en 1546. De straf van de Gentenaars na hun verraad in 1540. De excommunicatie van de Engelse koning Hendrik VIII, de algemene mobilisatie in heel Vlaanderen van alle jonge mannen tussen de 20 en de 25 jaar. De aanbeveling om de Engelsen goed te behandelen als potentiële partners draait in 1546 anders uit wanneer de koningen Frankrijk en Engeland het verdrag van Crepy tekenen. De inkt is vermoedelijk nog niet helemaal droog wanneer beiden naar het hiernamaals worden gestuurd. De oorlog sterft helaas niet samen met hen.

Op een of andere doorreis door Vlaanderen maakt Karel van de gelegenheid gebruik om zijn zoon Filips te komen voorstellen aan het volk van Duinkerke. Het gezelschap komt van Rijsel en wordt verwelkomd door de magistraat en een hele stoet met 140 flakkerende wassen kaarsen die vader en zoon gaat verwelkomen buiten de stadspoort van Sint-Elooi. Ze ontmoeten elkaar ter hoogte van de sluis van Sint-Winoksbergen. De klokken luiden de hele tijd. Er volgt een vervelend moment als blijkt dat zoonlief geen woord Frans verstaat en de Duinkerkse magistraat zich niet kan uitdrukken in het Spaans. De meubelen worden gered door een zekere Granvelle die in die tijd nog bisschop is van Arras en pas later een grote rol zal spelen als adviseur van beide prinsen. De bisschop verwelkomt Karel en Filips en dankt het stadsbestuur voor hun warme ontvangst.

Filips II is vermoedelijk fijn gerust in al die diplomatieke tralala en wil even zijn jeugdige benen strekken. Hij rent naar de top van ‘De Gapaer’ om er te kunnen genieten van een weids panorama van de streek. Ondertussen is het beneden cadeautjestijd. Filips zal nog twee keer terugkeren. In 1537 en op 5 september van het jaar 1555. Een jaar eerder treedt hij in het huwelijk met Maria Tudor, de koningin van Engeland. Filips stuurt hiervoor zijn rechterhand, de hertog van Egmont naar Londen om er de verbintenis in zijn naam aan te gaan. De boodschapper van dienst vertrekt met het Duinkerkse schip ‘De Levrete’ om zijn belangrijke taak te gaan uitvoeren. De overtocht naar Engeland kost zweet, bloed en tranen aan de lokale marine die zich moet wagen tussen de vijandelijke vloten van de Zeelanders en de Schotten. Ze brengen als geen ander schade toe aan de haringvissers van dienst.

Keizer Karel legt de keizerskroon neer waar hij zo stevig voor geleend heeft. Zijn zoon Filips II volgt hem op. Onder zijn lange en onweerachtige regering ondergaat Duinkerke grote veranderingen. Die geven toch wel aan dat de lokale haven aan belangrijkheid wint, een realiteit die ongetwijfeld ten nadele speelt voor de buren van Nieuwpoort. Nog voor zijn aftreden heeft Karel met de Fransen een wapenstilstand van 5 jaar afgesproken. Lang voor het verstrijken van die deadline flakkert de strijd echter al weer op. Het huwelijk van Filips met Maria Tudor doet er natuurlijk alles aan. Engeland en Spanje staan allebei vijandig tegenover Frankrijk en dat betekent nu dat Frankrijk in Filips een dubbele rivaal ziet.

Franse legerbenden vallen het land van Bredenarde binnen. Ouderwijk (Audruicq), een buurstad van Duinkerke blijft geplunderd achter. Daarna volgt een Franse aanval op zee waarbij een groot deel Duinkerkse vissersschepen buit genomen wordt. Om de haven van de Franse agressie te vrijwaren arriveert er op 28 september 1557 een Spaanse vloot in Duinkerke. Ongelukkig genoeg hebben de schepen pest aan boord en die heeft grote ravage aangericht bij de bemanningen. Allen die besmet zijn, worden bij aankomst afgevoerd naar kampen buiten de stad waar ze in afzondering worden geplaatst. De evacuatie gebeurt op kosten van Duinkerke, hoewel er sprake is van een tussenkomst van de koning.

In die tijd heeft de hertog de Guise gezorgd voor een stunt door het Engelse bruggenhoofd Calais te heroveren. Hij maakt hiermee een einde aan een bezetting van tweehonderd jaar. Er wordt nu gevreesd voor Duinkerke die zo goed als zonder verdediging zit. Een armzalige bende van honderd man moet de stad overeind houden. De archieven, de privileges en het kostbaar vaatwerk worden alvast overgebracht naar veiligere steden in Vlaanderen. Wat ik al eerder had vernomen uit Nieuwpoortse monden, kan ik hier nu ter plekke vaststellen. De bevolking slaat op de vlucht. Alles heeft te maken met de heersende paniek bij het stadsbestuur. De chaos en de beklemming zorgen voor speciale taferelen. Steekkarren zijn hun gewicht in goud waard en dat wordt er ook voor betaald.

Vanuit St.-Omer komt er in allerijl hulp afgezakt. Tweehonderd, al lang niet meer betaalde huurlingen onder leiding van de heer van Staple, verrichten in Duinkerke meer kwaad dan goed want ze slaan uit onvrede zelf aan het plunderen. Heel wat vernielingen natuurlijk en die van St.-Omer worden gevolgd door garnizoenen van Sint-Winoksbergen die al niet veel beter zijn. De magistraat van Bergues vindt het optreden van zijn eigen troepen ronduit schandalig en veroordeelt drie schuldigen tot de galg. De dood van hun kompanen zorgt ervoor dat een bende van vijftig terugkeert naar hun thuisstad om er zich te wreken. Iets wat niet lukt. Ze worden integendeel met zijn allen door de rechtbank gewaarschuwd. De mannen besluiten om dan maar over te lopen naar de Franse vijand waarbij ze natuurlijk in geuren en kleuren alle details overbrieven over de precaire situatie waar Duinkerke zich in bevindt.

Wat een warboel. Te midden van dit zootje ongeregeld wil de gouverneur van Duinkerke nog eens zijn voorposten gaan controleren. Tijdens die extra verkenningsronde wordt hij per abuis voor een Fransman gehouden, van zijn paard gesleurd en gedood door zijn eigen mensen. De burgemeester en de schepenen die de laatste eer willen bewijzen aan hun gouverneur worden ook al overvallen en mishandeld door rebellerende soldaten. Enkele schepenen druipen gewond af naar hun thuisbasis. De discipline bij de troepen van Filips II is duidelijk ondermaats. Schrijver Victor Derode is scherp: bij de legerleiding zal het al niet veel beter zijn.

Op 28 juni 1558 vertrekt een Franse divisie met een vers aanvalsplan vanuit Calais. De voorpost die goed is voor 2.000 paarden en enkele pelotons boogschutters posteert zich tussen Marck en Ooie, in de richting van Duinkerke. Tussen het nieuw-Franse Calais en het Vlaamse Duinkerke liggen amper 45 km. Twee dagen later slaan 17.000 Fransen hun bivakken op in de nabijheid van Grevelingen met de bedoeling om Broekburg (Bourbourg) aan te vallen. Het echte doel van de campagne is natuurlijk de verovering van Duinkerke waar heel wat burgers de bui al zien hangen en verder vluchten richting Nieuwpoort.

De opmars van de vijand komt nu pas helemaal op gang. Mardick gaat voor de bijl en de omgeving van Duinkerke wordt overspoeld door Fransen. De kalender staat nog maar op 2 juli. De Spaanse militaire leiders die de havenstad zouden moeten beschermen, tonen zich helemaal niet capabel. Een stel dwazen die liever lui zijn dan moe. Wat nodeloos verschieten van munitie op de vijand die zich nergens en overal buiten de stadspoorten bevindt. De vijandelijke aanvalskracht stelt heel wat meer voor. De Franse artillerie toont zich wel efficiënt. Een batterij aan de kant van de Recolletten schiet een grote bres in de stadsmuren. Enkele Duinkerkenaars proberen die wanhopig te dichten met huisraad, meubelen, bedden, tafels, planken, roeispanen, stenen. De vissers spannen er hun netten.

Wat er zich trouwens nog aan de binnenkant van de stadsmuren bevindt, stelt niet veel voor. Enkele groepen met gewapende mannen die zich zwaar opgejaagd voelen door het grote leger daarbuiten en de plunderaars in de stad zelf. En een paar Spaanse officieren die zich nog maar korte tijd geleden erg stoer voordeden met het bevel om zich in geen geval over te geven. Na amper drie uur van beleg zijn ze de eersten die het slechte voorbeeld geven. Gouverneur Recourt ziet ook wel in dat de situatie hopeloos is en denkt maar aan één zaak. Zijn eigen vel redden en dat van zijn manschappen. De burgemeester moet maar zijn plan trekken.

Dit is een tekstfragment uit het pas verschenen deel 7 van ‘De Kronieken van de Westhoek’.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>