Storm op het kasteel van Boezinge

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       6 months ago     228 Views     Leave your thoughts  

Vlamertinge en Elverdinge zitten verveeld met de Walen
Op 12 maart 1579 arriveren er in Elverdinge honderd Waalse ruiters. Ze blijven er vier dagen en de inwoners moeten zorgen voor hun soldij. Twee schellingen per man en per dag en daarna vertrekken ze terug naar Roeselare van waar ze gekomen zijn. ‘Die van het Brugse Vrije wilden geen Walen in hun land hebben, want ze weerstonden ze met geweld en vochten dikwijls tegen malkander.’ Ook Vlamertinge zit verveeld met een peloton Walen onder het bevel van hun wrede kapitein Laparast.

Hij heeft trouwens nog een groep ‘pioniers’, arbeiders en genietroepen bij zich. Het bolwerk van de brigade bevindt zich ter hoogte van de kruising van de Lombaardbeek met de weg Ieper-Poperinge, enkele honderden meter voor het dorp van Vlamertinge als je vanuit richting Ieper komt. Op 19 maart komt het tot een confrontatie tussen een groep Ieperlingen die de steun krijgen van een deel Gentenaars. ‘Tijdens de nacht omtrent 24 uur is uit Ieper gekomen kapitein Ooster, met een vendel Gentenaren en een vendel Ieperlingen, en ze hebben het bolwerk van de Walen te Lombaert-brugge afgesmeten en hun brandwacht geforceerd, welke haastig de Gentenaars tegemoet getrokken zijn tot de voorzeide Lombaert, waar ze hun van beide kanten in slagorde hebben gesteld, op die manier elkander vreselijk aanvallende.

Een groot getal van Walen, meestal hun pioniers met de kapitein zelf werden dood gesmeten. De overgeblevenen zijn gevlucht in de kerk waar zij zich van voor sterk hielden omdat het daar zeer goed versterkt was met veel schietgaten. De Gentenaars hebben de kerk niet kunnen winnen omdat zij er niet lang konden blijven en vooral uit vrees voor de komst van nog veel meer andere Walen die te Poperinge lagen. Bij hun vertrek staken ze het vuur in de plaatse en brandden de hele Kruisstraat af tot aan de Poperingestraat, zodanig dat er geen huizen meer en bleven.’

Aanval op het kasteel van Boezinge
Op 8 april arriveren er nogal wat Schotten en Fransen in het klooster van Ter Duinen in Koksijde. Elk met zijn eigen kapitein. De inwoners van de kasselrij van Veurne-Ambacht worden verplicht om er de vreemde legers te voorzien van honderd hoornbeesten en evenveel schapen. Van Koksijde vertrekken ze naar Grevelingen en verder op naar Linken. Rond deze tijd verhuizen de Walen van het kasteel van Boezinge naar hun kamp in Vlamertinge en vangen daarbij zowel inwoners als paarden, ‘maar ze lieten ze ’s anderendaags los gaan, mits dat men aan hen zou leveren pioniers om hen te versterken.’

De 20ste april van 1579 onderneemt het garnizoen van Ieper nu een uitval op het kasteel van Boezinge dat ze willen bestormen. Dat blijkt echter moeilijk haalbaar en uit frustratie ‘staken ze het in vuur en verbrandden ze de kerke en de plaatse.’ Vier dagen later komen er extra Walen toe bij dat kasteel dat blijkbaar de vuurhaard heeft weerstaan en nu verder versterkt zal worden. Het nieuwe garnizoen staat onder leiding van kapitein Antone Labulestrein en is voorzien van ongeveer drieëntwintig paarden.

De Westhoek staat in vuur en vlam
De positie daar in het kasteel van Boezinge moet excellent zijn. Op 5 mei zit de vijand er nog altijd. Diezelfde dag vereren ze Elverdinge met een bezoekje. De dorpsgenoten worden verplicht om zes koeien, schapen en koren ter beschikking te stellen. ‘En ze fortifieerden hun kasteel zeer sterk met aarden muren en hebben zich voorzien van proviand, genoeg om er een half jaar te leven.’ Het leger van de Schotten en de Fransen verhuist op zijn beurt van Linken naar Poperinge en dat zullen de omliggende parochies wel geweten hebben. Ze blijven er tien dagen tot de 16de mei wanneer ze nu plots optrekken richting kasteel van Boezinge.

Ze zijn voorzien van artillerie en een kanon met de bedoeling om de sterkte te beschieten. Iets waar de Walen zich blijkbaar niet aan verwacht hebben. Ze verkiezen de terugtocht boven het kanongebulder en trekken met hun geweren richting Menen waar hun kapitein gedood wordt door de pijl van een kruisboog, ‘gearquebuseerd’ zoals men dat heet. ‘Daarna is dit leger van Boezinge vertrokken, na eerst die prochie gans verbrand te hebben rondom de plaatse, gaande langs Torhout naar Staden waar ze logeerden en van daar alweer naar Torhout waar ze al de omliggende parochies ruïneerden, doende gruwelijke schade overal waar ze passeerden.’

De Westhoek staat in vuur en vlam. Op 30 mei laten de Walen Mesen achter zich en op hun beurt vallen de Ieperlingen het dorp binnen en steken er al de huizen in brand. Twee dagen later wacht de kerk van Merkem hetzelfde lot. Het blijft allemaal gaan om de godsdienst. De geuzen kunnen het niet verdragen dat er op het platteland nog Roomse kerkdiensten worden gehouden. De hoogbaljuw van Ieper stuurt op zijn beurt een hoop volk naar het klooster van Eversam. ‘Op de 4de juli heeft men de zelve abdij geheel beroofd en de religieuzen kwalijk behandeld, en hebben ze daarna het klooster en de kerk geheel verbrand, dreigende nog veel andere kerken en plaatsen in vier te steken.’

Roofpartijen in Brielen en Boezinge
Van Eversam gaat het nu richting Noordschote waar de lokale pastoor zich nog af en toe riskeert aan de Roomse godsdienst ten gerieve van zijn katholieke parochianen. De geuzen beroven de geestelijke van zijn meubelen, stelen wat ze kunnen uit zijn kerk en steken die daarna in brand. Op 4 juni krijgen Wormhout en Ekelsbeecke te maken met een roofoverval van Walen uit Cassel die er vandoor gaan met hun beesten, koeien en schapen.

Drie dagen later zijn de Walen terug in Mesen en komen ze ook koeien roven in Brielen, Boezinge en Vlamertinge. De 16de juni zorgen de Walen van Mesen er op hun beurt nu voor dat de inwoners van Vlamertinge en Elverdinge op rantsoen gezet worden en volgt er een brandschatting. Concreet betekent dit dat de inwoners zich kunnen vrijwaren van brandstichting als ze met geld over de brug komen. Zolang Mesen niet in hun handen valt, zien de Vlamertingenaars zich verplicht om dagelijks twintig pond te overhandigen aan de Walen. Voor de Elverdingenaars ligt dat bedrag op veertien pond. ‘Dat duurde tot dat Mesen gewonnen was.

Ze waren daarmee vrij van deze last en ook vrij van roverij en brandschatting.’ Jan van Acker, kapitein van de vrijbuiters, legt gedurende vier dagen zijn kamp in te Elverdinge. De mensen van het platteland zijn er opnieuw de pineut van. ‘Zij deden de landsman zo een grote slavernij aan als de Walen’. De schrik in de Westhoek zit er diep in. De jaarlijkse afrekening van de ‘Acht Parochiën’ wordt in 1579 veiligheidshalve gehouden in Ieper-stad want ‘men dierf niet te vergaderen op het platte land omwille van de Walen en de vrijbuiters.’

Bij het Branderken in Vlamertinge
‘Op 19 juli 1579 waren ten noorden van de boerenwacht van Noordschote, Zuidschote en Reninge vijf of zes van de hardnekkigste vrijbuiters in de vaart gesmeten en verdronken’. Het is in elk geval figuurlijk een hete zomer. Drie dagen later wordt Mesen opnieuw door de Gentenaars in brand gestoken, waarop de Walen er hun rentree maken en het stadje extra gaan versterken. Bij het ‘Branderken’ in Vlamertinge worden er op 30 juli een aantal vrijbuiters dood gesmeten of gevangen.

Afvaardigingen van de diverse buitenparochies worden als gevolg hiervan bij de krijgsraad Ieper ontboden waar ze warempel complimentjes krijgen toegezwaaid: ‘hun wachten deden goed toezicht tegen de vrijbuiters waardoor er een einde was gemaakt aan hun roofpartijen.’ De Ieperse soldaten hebben vernomen dat de Walen van Roesbrugge zich gesetteld hebben in Poperinge, gaan er naartoe en nemen de buurstad in bezit. Driehonderd Waalse ruiters maken van de gelegenheid gebruik om de buitengebieden van Ieper te verrassen. Ze verschansen zich bij het (Brielense) Noordhof en splitsen zich nu op in kleine benden die zich sporadisch aanmelden aan de Boezingepoort om dan terug te keren naar het Noordhof.

Het lijken wel pogingen om de Ieperlingen uit hun kot te lokken. Ze slagen in hun opzet: ‘Die van Ieper, dit ziende, zijn met een grote bende voetvolk naar dat paardenvolk toegetrokken en hebben daar jegens elkander geschermutseld. Er bleven vijf Walen dood en een vijftal Ieperlingen raakten gewond. Hun kapitein Croey werd gevangen genomen en naar Grevelingen geleid waar hij zes weken op water en brood werd gezet. Bij hun vertrek staken de Walen de meeste overdrachten van de Iepervaart in brand en daarop naar Roesbrugge vertrokken.’

Ieper is best nijdig op die van Poperinge
De 14de oktober hergroeperen de Walen van Roesbrugge, Cassel, Ekelsbeecke en Menen zich tot één leger en gaan ze op rooftocht doorheen Veurne-Ambacht waar wel zeventienhonderd koeien, tweehonderd paarden worden buitgemaakt op de landbewoners. Alles wat ze kunnen dragen aan meubelen wordt door de mannen weggesleept. In Ieper zijn ze ondertussen nog altijd verbolgen om het feit dat de Walen hun overdrachten hebben vernield.

Ze verdenken de Poperingenaars ervan dat ze de aanstokers van de vernielingen zijn geweest. ‘Zo zijn ze vertrokken naar de Poperingevaart waar ze de West-Overdracht en de overdracht van Coppenolle hebben verbrand.’ Een militaire operatie van 23 oktober zorgt toch wel voor een positiewisseling bij de vijandelijke troepen. De Walen die zich verscholen houden in Menen besluiten die nacht om Kortrijk te gaan beroven. De Ieperlingen profiteren ervan om de achtergelaten versterkingen van de Walen tijdens hun afwezigheid in te nemen en krijgen hier trouwens de hulp van een peloton Schotten vanuit Roeselare. ‘De Walen werden daarop begekt, liepen weg en zwommen door de Leie waardoor er enige verdronken zijn.’

Ieper is nog altijd nijdig op Poperinge omdat ze hier de Walen vrij spel hebben gegeven waardoor die vrijuit konden zwerven in de omgeving van Vlamertinge, Elverdinge, Dikkebus en de andere buitengemeenten. En nog meer verbolgen zijn ze omwille van de wetenschap dat die van Poperinge altijd bier hebben geleverd aan de Walen van Roesbrugge. ‘Zo zijn de Ieperlingen gekomen naar de stad Poperinge en zijn ze gegaan in al de brouwerijen en hebben er alle brouwketels aan stukken geslagen en bedorven. Dit gedaan zijnde hebben ze de Poperingenaars verplicht om de herstellingen van hun brouwmateriaal af te stemmen met de hoogbaljuw. Gelijk ze gedaan hebben voor een grote som geld en met de belofte om nooit nog bier te leveren aan de Walen van Roesbrugge.’

Komen en Wervik worden verwoest
De 15de november valt Wervik in de handen van de Schotten, Fransen en de Ieperlingen. De stad wordt in vuur en vlam gezet. Twee dagen later valt Komen. Het lokaal kasteel blijft echter in Waalse handen. Het is nu de beurt aan de Schotten om het platteland tussen Komen en Wervik te verwoesten terwijl de landlieden met zijn allen op de vlucht zijn geslagen. Op 3 december houden de Walen tactische besprekingen in Rijsel in de aanwezigheid van onder andere graaf Mansfelt, mijnheer De la Motte en de heer De Montigny. De gesprekken leiden tot een herbevoorrading van de troepen in het kasteel van Komen.

Tijdens datzelfde najaar ondervindt de bevolking van Langemark en Roeselare grote hinder van de Franse soldaten die de landsman evenveel schade aanrichten als de vijand zelf. Een verdraaid smerig trekje van elke oorlog. Op 12 december volgt er een grote confrontatie in de buurt van Wambrechies waarbij de Walen het kasteel van Quesnoy veroveren en er de Gentenaars doden. Ze richten nu hun pijlen op Komen waarop de Schotten, Fransen en de Ieperlingen zich genoodzaakt zien om tijdens de nachtelijke uurtjes de plaat te poetsen. De 22ste december houden de Ieperlingen lelijk huis in Vlamertinge, Elverdinge en Zillebeke waarbij alle drie de kerken in brand worden gestoken.

 

Dit is een fragment uit Deel 6 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>