Stormweer over Oostende

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 weeks ago     68 Views     Leave your thoughts  

Zondag 26 november. Na twee weken schrijven aan mijn nieuwe kroniek, met de voorlopige titel ‘Stormweer over Oostende’ is het misschien leuk om even een update te brengen over de stand van zaken bij mijn ‘Kronieken van de Westhoek’. Het schrijven gaat prima. Korte dagen en lange nachten, donker buiten, gezellig werken aan de pc. Het is dus niet moeilijk dat ik er vaart kan achter zetten. Elke dag minstens anderhalve bladzijde tekst in mijn Oostende-verhaal. Gevolgd door een dagelijkse inlassing in mijn blog. Momenteel staat de teller hier al op 1156 artikelen over de Westhoek. In de namiddag werk ik (bijna) elke dag verder aan de herwerking van mijn ‘Schone Histories van Ieper’ die gebaseerd zijn op het werk van Louis Boeteman, zodat 250 jaar geleden.

De herwerking van mijn websites heeft toch wel zes maand tijd gekost en is nu definitief achter de rug waardoor ik me weer volop kan focussen op schrijven. Het opzoeken van archieven in Kortrijk, Wervik, Ieper, Zonnebeke blijft ook een vast item in mijn agenda. Geloof me maar als ik jullie vertel dat ik me geen seconde verveel. Dat vind ik toch wel heel erg aangenaam. Het is ook plezant om dag na dag meer bezoekers over de vloer te krijgen. Het wordt duidelijk dat jullie mijn werk wel lusten en daar ben ik een tevreden man over.

En nu breng ik jullie even naar Oostende. Teksten die ik de voorbije week geschreven heb. Even een korte omschrijving van de stand van zaken. Katholiek Vlaanderen krijgt de steun van de Spanjaarden om de Hollandse protestanten uit het land te verwijderen. De Hollanders, ondersteund door de Engelsen hebben nog één bastion in Vlaanderen: Oostende. En dus wordt er besloten om daar in 1601 een eind aan te maken. Jullie kunnen hier lezen wat er zich dan gaat afspelen in en rond onze stad aan zee. Veel leesplezier!

De prins van Oranje, Maurits van Nassau wordt op de hoogte gebracht van het beleg van Oostende. Na ruggespraak met de Staten van Vlaanderen stuurt hij zo goed zonder uitstel twaalf Engelse vaandels Engelsen en zeven vaandels Nederlanders die hun intrede doen op 9 juli 1601. De Engelsen staan onder het bevel van generaal Franciscus Veer, de Hollanders onder dat van kolonel Huchtenbroek. Alles samen zowat drieduizend manschappen goed voorzien van voorraden en munitie. Veer deelt de lakens uit, de nieuwelingen bezetten direct hun posten, de generaal begint al direct met zijn tanden te tonen met herhaalde uitvallen die zorgen voor beduidende verliezen bij de aanvallers en die geruime schade aanbrengen aan hun graafwerken. Toch worden de Engelsen teruggedreven, gepaard natuurlijk met verlies van manschappen, reden genoeg om het tactisch anders aan te pakken.

Generaal Veer beslist om de strook voor de vijandelijke verschansing van Sinte-Clara te versterken met drie nieuwe redoutes die door zijn manschappen begroet worden onder de naam van de ‘Polders’. De nieuwe loopgraven worden bezet gehouden door voldoende krijgsvolk voorzien van genoeg geschut. De nieuw gebouwde redoutes bieden de kans om op relatief veilige manier de stadsvesten en de bestaande bolwerken te versterken en de weg ernaartoe beter te beveiligen. De ervaren generaal Veer beseft dat de belegerden hier de meeste aanvalsdruk zullen moeten verwerken, iets wat achteraf ook direct zal blijken. Aartshertog Albrecht beslist om zich meer te focussen op de Sinte-Claraschans. Frederik van den Berg verlaten hun posities in Bredene en formeren een nieuwe post rond Sinte-Clara. Er moet absoluut belet worden dat de Oostendse bezetters hun posities verder opbouwen aan de buitenkant van de stadsmuren. Door dit bevel worden er tegenover de Polders nu twee aanvallende schansen gegraven: die van Sinte-Maria en Sint-Maarten.

De Engelsen en de Hollanders proberen desondanks grond te winnen en extra versterkingen op te trekken. Graaf Frederik van den Berg steekt daar een stokje voor door een geweldige aanval waardoor ze hun posten moeten verlaten en de koningsgezinden deze posities nu zelf veroveren en er verder werken aan een nieuwe verschansen, die van Sinte-Anna omdat ze precies op haar feestdag het stuk land buitmaakten. Voldoende beweging dus ter hoogte van Sinte-Clara. Ook bij Albertus is er grote bedrijvigheid. Naast de graafwerken aan de verschansingen zijn de mannen nu ook begonnen met de bouw van een dijk tussen de duinen en het strand richting oude stad. Op die manier hopen ze de monding van de vaart langs deze kant te blokkeren voor de scheepvaart. De dijk wordt opgetrokken uit met stenen bundels van wel zeven meter lengte en netjes naast elkaar geplaatst vormen ze inderdaad een prima dijk.

De ontwerpers van de nieuwe stenen dijk hebben onvoldoende rekening gehouden met de grillige Noordzee. Het ontembaar zeewater dat met geweld tegen deze nieuwe barrière aanbotst slaat er wel altijd hier en daar stukken weg waardoor het een werk zonder einde is om de dijk te onderhouden. En daarbij komt natuurlijk nog dat de werklieden bij hun arbeid hevig begroet werden met een hagelbui van kanon- en musketschoten die de belegerden deden regenen vanuit de stad waarbij velen gedood of gekwetst werden. En toch. In weerwil van al die gevaren en hinderpalen werd de dijk afgewerkt en achteraf nog extra beschermd met een nieuwe schans die bezet wordt door veel zware kanonnen die nu helemaal een einde maken aan het gebruik van de haven in de oude stad.

De Oranjegezinden proberen zich ook extra te versterken tegenover de Albertus-verschansing. Ze vormen de duinen om tot een soort van buitendijk die verbonden wordt de bolwerken van de oude stad. De hele gordel wordt bekend onder de naam van het zeebolwerk en dient ervoor dat de zeevloed niet langer hun vestingen aan deze zijde zou beschadigen. Tijdens de aanleg van beide dijken komt het herhaaldelijk tot confrontaties. De Hollanders blijven inderdaad helemaal niet rustig achter hun zeebolwerk maar vallen regelmatig uit in de strook aan de overkant waardoor de koningsgezinden alle hoop mogen vergeten om in deze zone nog verdere graafwerken uit te voeren.

Aan de kant van Bredene wordt er ook verder gewerkt. Frederik van den Berg die naar Sinte-Clara versast is wordt in Bredene vervangen door de graaf van Bucquoy, een kolonel van het Waalse regiment. Hij onderneemt letterlijk en figuurlijk een graaftocht richting Oostende. Na de realisatie van een eerste redoute volgt een tweede die omvangrijker is en die de naam van Sint-Karel krijgt en die bezet wordt met verscheidene zware artilleriestukken. Die kanonnen zijn in staat om zware schade toe te brengen aan de schepen die Oostende langs deze kant benaderen of er wegvaren. De toegangsroute, zijnde de grote vaart is op die plek in twee verdeeld. De ene zijtak heeft zijn uitloop bij de voornaamste stadsvestingen terwijl de andere zich in een smalle vesting die aansluit bij een beschermde buitenweg.

Dat blijkt vrij goed te lukken. De schepen van de belegerden worden door het geschut vanuit de nieuwe redoute langs deze kant zwaar beschadigd dat ze wel genoodzaakt zijn om aan- en af te meren aan de andere kant van de vaart. En dat is opmerkelijk. Sint-Karel ligt nog altijd vrij ver van de zee. Albrecht laat er een extra dijk aanleggen tussen de grote vaart en de oever van de zee. Een beetje een kopie van wat hij laten uitvoeren heeft bij Sint-Albertus. De bondgenoten blijven natuurlijk niet zomaar toekijken naar wat de koningsgezinden uitrichten en proberen hen zo veel mogelijk te hinderen. De prins van Oranje vecht ook op andere plaatsen conflicten uit met Albrecht. Hij belegert ‘s Hertogenbosch waardoor Frederik van den Berg met enkele naar ginder wordt geroepen en Oranje op zijn beurt moet inbinden en alles zich weer zal concentreren op Oostende.

Bowens wordt best lyrisch en haalt zijn schoonste Vlaams naar boven: ‘de belegeraars die extra versterking hadden gekregen na het beleg van ‘s Hertogenbosch, begonnen met nieuwe moed al hun werken verder te zetten. Het was dan dat Oostende door zo een vermaard beleg een bijzondere naam begon te krijgen in al de gewesten van Europa en de nieuwsgierigheid opwekte van veel belangrijke heren uit Frankrijk, Engeland, Schotland, Polen, Zweden, Denemarken enzoverder. Ze kwamen dagelijks naar Oostende om de stad en de kwartieren van de belegeraars te bezichtigen. Deze nieuwsgierigheid was voor velen erg gevaarlijk. Want de belegeraars hielden niet op om dag en nacht hun batterijen te laten spelen met de stad, ze schoten met gloeiende kogels en kegelstenen die een ijselijke verwoesting aanrichtten in de stad en veel mensen doodden. Dat was ook de reden waarom de Engelse bezetters zich onder de aarde begroeven op de groentemarkt. Want door het afschieten van de daken en de stenen muren was het zeer onveilig in de straten en dat allemaal terwijl de belegerden zich evenmin inhielden om de belegeraars met gelijke munt te betalen.’

Toch wordt er geen vooruitgang geboekt. De situatie blijft, ondanks de zware bombardementen zoals ze is. Jacobus Bowens kiest zo te lezen toch wel de kant voor Albrecht. Een middelmatige krijgsheer zou het al lang opgegeven hebben, maar deze Albrecht dus niet. Hij blijft onverzettelijk ondanks de hoge kosten en het vele bloedvergieten. En dat terwijl er amper vooruitgang geboekt wordt en de hoop om de stad effectief te veroveren gering blijft. Hij wordt zowat overal geconfronteerd met bijna onoverwinnelijke hinderpalen. De grondwerken van de belegeraars worden de hele tijd door beschadigd of weggespoeld door zwellend zeewater. Ze moeten om de haverklap hun loopgraven verlaten gewoonweg omdat die onder water staan. Vooral bij springvloeden of hoog water. Soldaat zijn is een hondenstiel en dat zullen zijn mannen wel dagelijks ondervinden. En komt daarbij nog de wetenschap dat de koningsgezinden er niet in slagen om de zeetoevoer van Oostende af te sluiten waardoor de belegerden dagelijks hun versterkingen en proviand kregen, materiaal die vanuit de andere havens van Holland en Zeeland naar hier waren verscheept.

En toch denkt de aartshertog er niet aan om Oostende te verlaten. Met de hulp van god zal hij deze stad zeker en vast veroveren. Dat laat hij trouwens expliciet weten in een brief van 25 augustus 1601 aan de vier leden van Vlaanderen. Het beleg is dan al een week of zes aan de gang. De bewuste brief is natuurlijk een dwingende opdracht om geld en penningen te krijgen. Vlaanderen mag best het bewijs leveren dat ze achter haar koning staat. Dat kan mits een betaling van 600.000 gulden en dat naast de bestaande storting van 90.000 gulden per maand. Dank zij die middelen kan het beleg dus verder gezet worden. Hoe het er in de realiteit aan toe gaat vertelt Bowens alweer op zijn typisch verhalende manier.

‘Men schoot zonder ophouden, zowel op de stad als op de schepen die er wilden binnenvaren, waarop de belegerden niet nalieten daarop te antwoorden, zodat er aan beide zijden velen gedood en gekwetst werden, waaronder verscheidene personen van de voornaamste adel. De uitvallen van de belegerden waren om zo te spreken haast oneindig. Alle wegen en omliggende plaatsen waren bezaaid met handen, voeten, armen, beenderen en ingewanden. Men werd dit schriktoneel ondertussen zo gewoon dat de belegerden die om beurt uit de stad kwamen, de dode mensen opensneden om er het vet uit te halen als het slachtbeesten waren.’

Aartshertog Albrecht beseft dat hij iets zal moeten doen en dat het verder zetten van deze slachting weinig zin heeft. Vooral omdat hij amper vooruitgang boekt. Tijdens een crisisvergadering wordt er besloten om niet verder te prutsen maar om de oude stad met één grote stormloop te veroveren. De aanval begint op 21 december van 1601, om 3u in de morgen en duurt twee volledige uren. In de heetst van de strijd steken de belegeraars de stadspalissaden in brand met vuurwerk, iets wat grote beroering en ontsteltenis veroorzaakt binnenin de stad. Maar van plooien is geen sprake. De koningsgezinden worden met groot verlies van manschappen teruggedreven en kunnen door de opkomende zee niet eens hun doden met zich meenemen. De Oranjegezinden verstoren deze terugtocht in volle paniek nog met hun uitvallen waarbij ze veel krijgsgevangen maken en die binnen Oostende meeslepen.

Dat belet niet dat de belegerden zich toch wel in een netelige toestand bevinden. Ze hebben veel volk verloren tijdens de stormloop van de vijand waardoor hun getalsterkte onvoldoende is om nog alle buitenposten te bemannen. En dat terwijl het overleven van Oostende daar van afhangt. Daarbij komt nog een gebrek aan levensmiddelen en munitie. Door de aanhoudende tegenwinden konden de schepen niet in de buurt komen en tot overmaat van ramp wordt de oude stad op het einde van december zo erg beschadigd dat de belegeraars om het zo te zeggen meer te vrezen hadden van het geweld van de zee dan voor de aanvallen van de belegeraars.

Generaal Veer, de gouverneur van Oostende zit met de handen in het haar. Op enige bijstand van schepen vanuit Zeeland moet hij door die averechtse winden niet rekenen. Hij zal het slim moeten spelen, of zoals hij zegt komt het er op neer om de wolf zonder bijten aan zijn oren vast te houden. Het komt er voor de generaal op aan om tijd te winnen en hoe kan hij dat beter dan in onderhandelingen te treden met de vijand.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>