’t Foetbol

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     367 Views     Leave your thoughts  

Er zijn soorten van seizoenen ; sommige streken kennen een regen en een droog seizoen maar daar wij in ons gezegend landje enkel een regenseizoen kennen moeten wij het jaar anders indelen. Dit gebeurt best in een voetbal- en een wielerseizoen. Over beide zaken kan men geleerde boeken schrijven, maar geleerdheid of geen: wat denkt de kleine man ervan?

Officieel begint het voetbalseizoen de eerste zondag van september en duurt tot einde april.

Gedurende het seizoen trekken er de zondagnamiddag ontelbare “mannen” en ook “mannekens” naar ’t voetbal.

HET PLEIN

Voetbal wordt gespeeld op een plein. Dit plein is gekend onder verschillende benamingen; veruit de meeste ploegen beschikken, zowel in letterlijke als figuurlijke zin, over een “bilk”. Daar de koeien, die zes dagen in de week deze bilk bevolken, zich weinig gelegen laten aan het zondagsvermaak van die vele “mannen” is op zaterdagavond het plein bezaaid met groene vlekken die wel op spinazie gelijken maar er niets mede te maken hebben. Bereidwillige zielen verdienen graag een pint door het terrein op te kuisen, de lijnen van het speelveld met kalk te tekenen en de kleedkamers in orde te brengen. “Kleedkamers” een mooi en groot woord voor de barak opgetrokken uit plaatijzer of betonnen platen waar de spelers zich voor en na de match omkleden.

Een categorie clubs bezit een beter terrein, dat in de week niet meer dient als weide. Het is omheind met betonplaten zodat niemand, zonder te betalen, de match kan volgen. Deze terreinen zijn in september mooi bedekt met gras, maar na de winter zijn ze kaal als een rat, vandaar dat sommige als “ratteplein” bekend staan.

De “grote” en “rijke” clubs beschikken over een “stadion”. Daar hebben ze de opgebouwde “gradins”, al dan niet overdekt, voor de volksplaatsen die ook “populaires” of poptjes genaamd worden. Dan is er ook nog de tribune, maar dat is voor de betere klas. Ze beschikken ook over een zaal voor het beheer, en daar worden de clubtrofeeën bewaard, enz.

HET BESTUUR

Iedere vereniging wordt bestuurd door een comité. De leden van het bestuur worden gewoonlijk als “comitards” bestempeld. Zij staan ook veelal in geen geur van heiligheid bij de supporters. Zij zijn het immers die de toegangsgelden bepalen en die zijn voor de supporter altijd te hoog. De comitéleden zijn er alleen op uit hun zakken te vullen op de rug van de club.

Als bij de ploeg een haar in de boter zit dan hoort men de vraag: wie zit er eigenlijk in dat comité? – En het antwoord is dan rap gegeven : “Mensen waarvan dat hun verstand in hun portefeuille zit.” “Gasten die denken het verstand in pachte te hebben, maar die zeker nog nooit voetbal gespeeld hebben.” De volksmens voegt er aan toe: “Legt een voetbal voor hunder voeten, ze gon der over vollen, ze kunnen er niet tegen schippen, mor dat het een geldzak woare, ze zoen weten wat ermee gedaan.”

DE SPELERS

Voetbal wordt gespeeld door twee elftallen ofte “ekiepen” die tegen elkaar zijn opgesteld en die trachten zoveel ballen mogelijk in het doel van de tegenstrever te schoppen. De enen moeten “goals” maken en de anderen moeten dat trachten te verhinderen. De man die in eerste instantie moet beletten dat de bal in zijn net verdwijnt, is de doelwachter, maar zo noemt hij enkel in de gazetten, bij de mensen is hij de .,goalkeeper” of kortweg de “kieper”. Voor hem staan er backs opgesteld, daarvoor dan de half- of middenspelers en dan de voorspelers. Deze laatsten worden verondersteld de “goals” te maken. Een kieper moet alle ballen pakken, anders is hij geen goeie. Hij kan lenig zijn als een katte, maar ‘hij kan ook karpelsprongen maken, hij kan er met zijn klakke naar gooien en al de ballen deure loaten. In het laatste geval vraagt het publiek of het nodig is dat men planken voor de goal zou nagelen, of ’t net voor de goal hangen in plaats van der achter. Een slechte keper is een “loten” en zo een keeper krijgt in een match een “gehele zak goals” en de tegenstrever wint met een stroate.

Spelen de backs niet te best dan doen ze mee “als Îiggenden back” of als “goalstake”. Maar ook de andere krijgen hun deel, loopt een voorspeler niet snel genoeg achter de, bal aan, dan avanceert hij als een “striekiezer tegen wind”, of loopt hij achter de bal “lik of dat hij noar zen schoenmoeder moet”. Ook roept men … trekt die stake ut het plein of je go wortel schieten”.

Trapt een speler naast de bal dan stampt hij een gat in de lucht en “’t gaat regenen”, of hij heeft zijn schoenen “averecht an”. Vergeet een voorspeler naar het doel te schieten dan heeft hij zijn poer in de vestiaire geloaten. Een speler die alle ballen voor hem alleen verlangt en vergeet dat hij medespelers heeft wordt er door het publiek aan herinnerd : “je spilt met alven zulle.” Maar iemand die er letterlijk zijn voeten aan veegt en zich niet het minst inspant opdat zijn ploeg zou winnen is een zweetdief.

Een speler kan een makker een mooie kans bezorgen tot het maken van een doelpunt ; het wordt hem bezorgd op een teljore. Voor de tegenstrevers is het publiek lang niet mals: spelen ze slecht en ongenietbaar voetbal : “’t is een stroateploeg”. Laat de tegenstrever alles toe dan is het een faire ploeg, maar in het andere geval: ze spelen met een mes in hunder zakken, ’t zien beenhouwers, slachters, brutzakken, beesten, enz. “Me goan ze van ’t plein hollen en een smèringe geven.”

Van de eigen spelers worden brutaliteiten vlug door de vingers gekeken. Vroeger meer dan nu werd er geroepen : “stampt ze de poten of.” Van een ploeg waarvan het spel nog slechter is dan de voormelde stroateploeg zegt men : “legt een blekken pot op ’t plein en ze spelen kampioen.” Het slechtste is wel als men die blikken pot door een “pluimen kussen” vervangt. Ze kunnen ook spelen lik de joers of “de kadetten spelen beter, of ze mogen nooit geen voet meer op ’t plein zetten.”

DE OEFENMEESTER EN DE VERZORGER

Iedere ploeg die zich -zalt- respecteert heeft tegenwoordig een oefenmeester of entraineur en een verzorger of soigneur. De entraineur is in veel gevallen een oud-speler die door het bestuur bekwaam genoeg wordt geacht om de jongeren te zeggen hoe het moet of niet moet. Bij de grote clubs is een vreemde oefenmeester een bewijs van standing. Goeie oefenmeesters zijn zeldzaam, want met deze zou een ploeg altijd moeten winnen, de andere zijn vanzelfsprekend zeer talrijk. Wint de ploeg te weinig dan vragen de supporters zich af: “woar heet den dienen zen diplom gehaald, bij den ‘ezel’ zeker” (Ezel is hier een vervorming van Heyzel. Op het Heyzelstadion was de school voor trainers ondergebracht.) ’t Kan ook een entraineur zijn van mijn voeten (om het deftig te zeggen). Hij weet waarschijnlijk het verschi1 niet tussen een voetbal en een kasseisteen en hij zou de spelers iets willen aanleren.

Is de oefenmeester te vaderlijk met de spelers dan is het een zokke die geen gezag heeft, is hij te hard dan is het een feldwebel die de spelers afjakkert. Een vreemdeling wordt de raad gegeven elders met de marbels te gaan spelen, ’t is een avonturier, een weggeschipten, een opfretter van de ploeg, enz.

De soigneur, in tegenstelling met entraineur, is beter in de gunst bij het publiek. Hij is immers de man die bij iedere kwetsuur van een speler onmiddellijk van de bank opspringt, met het valiesje in de hand het veld oprent en in veel gevallen verloren moeite doet want ondertussen is de speler opnieuw reeds te been. Is het geval echter erger dan beschikt de soigneur over een beste geneesmiddel in zijn valiesje. Wat steekt daar eigenlijk in, wel een spons, een plastiekzak gevuld met… miraculeus water en een… kasseisteen. De spons die dient om het miraculeus water op de bezeerde plek te wrijven, en ja het gebeurt : de half dode is in enkele seconden springlevend en kan het spel vervolgen. Een speler van de tegenpartij die de spons nodig heeft is een kommediant, die moet in de cirk goan spelen, “zen zuste clowns gevraagd”, enz. En die steen dan, wel die dient om het valiesje wat “gewichtiger” te maken.

Spelen de spelers niet snel genoeg dan moet de soigneur zijn mannen vitessepillen geven, een peperbol in hun achterste duwen omdat ze rapper zoen lopen, enz.

DE SCHEIDSRECHTER

Om na te gaan of de beide ploegen de reglementen van het spel naleven loopt er op ieder plein een scheidsrechter, beter gekend als “den arbieter”. Gewoonlijk deugt die man voor geen van beide ploegen, ’t kan zijn voor een dat hij goed is, maar de twee bevredigen gaat eenvoudig niet. Bevoordeligt hij de ploeg die op eigen veld speelt dan is hij een thuisarbieter, dat kan nog zoveel geen kwaad voor de supporters ; maar in het andere geval wekt hij spoedig de verontwaardiging op van een groot gedeelte van de supporters en krijgt hij heel wat lieve uitdrukkingen naar zijn hoofd geslingerd. Om de spelers attent te maken op de gemaakte fouten, beschikt de scheidsrechter over een fluitje. Bij een fluitsignaal moet het spel onderbroken worden. Fluit de scheidsrechter te weinig dan vraagt men of hij zijn schufel ingeslikt heeft”,of zit jen schufel verstopt misschien, of is hij vervrozen ?” Fluit die brave man teveel naar hun goesting, dan fluit hij gans de match noar de knoppen of er wordt gevraagd of hij niet beter op een andere plaats, bv. thuis zijn schufel zou gebruiken. Maakt hij teveel opmerkingen aan de spelers dan heeft hij thuis zeker niets te zeggen.

Het slecht beoordelen van een fout heeft voor gevolg, zo de thuisploeg benadeeld is, dat er minutenlang “zot” wordt gescandeerd. Er wordt ook geroepen “arbieter je moet een bril dragen””,pakt den bril van ’t vertrek ge got beter zien”, ook krijgt hij wel eens “schelen otter” te horen. Heeft de scheidsrechter een schedel als een biljartbal dan roepen de spuiters hem toe : “vaag jen hoar ut jen ogen.”

Een scheidsrechter die het te bont had gemaakt kreeg, toen hij het terrein verliet, te horen : “arbiéter trekt dien leeuw van uw vest en plakt er een ezel op.” Toen de scheidsrechter de tegenpartij teveel bevoordeelde riep men vroeger “vendu”, nu stelt men de vraag : “hoeveel lag er oender jen teljore vandenoene?” Ook wordt in de jongste tijd “Barberan” geroepen, dit naar de naam van een Franse scheidsrechter die het zeer bont had gemaakt op een plein. Dergelijke gelegenheidsnamen verdwijnen echter zeer spoedig eenmaal de feiten waaraan ze zich schuldig maakten in de vergeethoek geraken.

Te Brugge vergeet men echter niet een partijdig scheidsrechter te herinneren dat een van zijn collega’s eens na de match door verbolgen supporters werd opgewacht, met een list in een auto gestopt, naar de bossen van Loppem werd gevoerd en daar uit de auto gewipt. De brave man, onbekend in de streek, ‘heeft uren rondgezworven voor hij de bewoonde wereld bereikte. Vandaar wordt nog wel eens gedreigd : “arbieter, kent gij Loppem?”

Een scheidsrechter die naar het oordeel van het publiek een doelpunt van de thuisploeg afkeurt is een bloeddief en die kan een pakske slagen krijgen of ja … Loppem. De scheidsrechter wordt in zijn zware taak bijgestaan door twee lijnrechters. Deze twee personen lopen langs de zijlijn en zwaaien met een vlag zo zij een fout bemerken. Is dit gezwaai niet naar de zin van het publiek dan wordt er geroepen “je zoe beter met jen hemdeslippe zwaaien” of “gebruukt jen vlagge om jen neuze te -snuuten.”

DE SUPPORTERS

Zijn er slechts twee en twintig spelers op het veld, er zijn veel meer supporters er rond. Zij worden verondersteld hun ploeg aan te moedigen, maar “ieder blijkt daar zijn eigen mening over op na te houden. De “flauwe” supporter geeft een applausje bij mooie staaltjes voetbal, bij een doelpunt. De doorsnee supporter klapt niet alleen in de handen, hij gebruikt die handen ook als trechter voor een “ahoe” geroep aan het adres van de scheidsrechter en de tegenstrevers; maar de “echte” supporter, wellicht minder in aantal dan de vorige groepen, overtreft ze echter veruit in luidruchtigheid, hij leeft alle spelfasen mede, hij heeft een uitgebreide kennissenkring, want hij spreekt evengoed met God als met zijn gebuur, die hij wellicht -vroeger nog nooit heeft gezien. Hij vraagt die gebuur naar zijn oordeel en verwacht dat hij gelijk krijgt; hij stoot soms zijn gebuur tegen de ribben of in zijn vuur schopt hij hem tegen de schenen, wat aanleiding kan geven tot een wederjunst, maar daar geeft de echte niet om.

Zijn woordenschat is een goudmijn aan humor, want wie zou er ooit aan denken dat sis iets verkeerd gaat dat die supporter zou zuchten : “’t is om een kind bie te kopen … in jen kalleson.” Dat deze woordenschat doorspekt is met Franse en Engelse uitdrukkingen raakt hem niet, hij kent geen taalperikelen, hij roept “gents” om aan te duiden dat een tegenstrever de bal met de hand heeft aangeraakt en “pienaltie” als dit in de strafschopzone gebeurt. Al deze vreemde invloeden zijn een uitvloeisel van het ontstaan en de ontwikkeling van het voetbalspel. Ontstaan in Engeland werd het op het vasteland het eerst beoefend door de jongens uit de verfranste burgerij ; “dit alles is er de oorzaak van dat de voetbalbond nu nog de Union Belge is.

De echte supporter is kwaad op drie soorten personen. Op de flauwe supporters, die niet eens weten of er zagemeel, pluimen of een binnenbloaze in een bal steekt; ze zouden hoogstens mogen dienen als ballenraper buiten de omheining. Hij is ook kwaad op sommige gazetschrijvers die zijn ploeg teveel afkammen of niet genoeg ophemelen. Die reporters hebben volgens zijn mening de match gezien van een die ’t heeft horen zeggen ofwel de match gevolgd vanuit hun zoldervenster. Ten derde is de supporter kwaad op zichzelf, maar dat alleen als het slecht gaat met zijn ploeg. Dan zweert hij op zijn plechtige kommuniezieltje nooit geen voet meer op ’t plein te zetten… maar veertien dagen later kan hij het niet laten en hij is er opnieuw, maar voor uw voetbalmanneke is het tot volgend jaar.

‘T VOETBALMANNEKE

Uit ‘Het Manneke van de Mane’ jaargang 1970

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>