’t Vrouwtje van de weerewijzer

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 week ago     43 Views     Leave your thoughts  

Vlaamsche vrienden,

Als Mijnheer Gantois my zeide: ge moet spreken in ’t Congres van Hazebroek, ik had de woorden in mijn mond om t’antwoorden : ge breekt mijn hoofd… Maar ‘k ben van deze menschen die nooit hun tanden kunnen houden en die nooit kunnen wederstaan tot de bekoring van te praten en een keer aanveerd, moest ik wel springen of verdrinken.

Nu is mijn geluk groot een keer te meer te mogen spreken in tegenwoordigheid van zooveel ware Vlamingen : ’t Is niet om alzoo te kraaien, zult gij waarschijnlijk zeggen; zijn wij met meer dan vijftig. Vijftig! Zonder hen te tellen die hun werk belet van hier tegenwoordig te zijn en zij maken het grootste deel — ik vind het al een wonderbare zake vijftig menschen vergaert te zien die van de zelve gedachte zijn en t’akkoord vallen op zekeren punten.

Gemeenlijk, zegt men, als drij Engelschmannen aanlandden, men richt een scheirwinkel op en als het drij franschen zijn, drij nieuwe sociëteiten. God bevrijde de Vlamingen van ooit met die plaage bevangen te worden! ‘k Weet wel ons getal verschrikt nog niemand veel maar vergeet niet dat ons eerst congres maar over drij jaar plaats nam. Hebt gij ook altemits gepeinst hoe slecht teken het ware als ’t hooi achter de wagen zou loepen … ’t krielt van ’t volk maar enkel op de kermisdagen en als er niet te doen is!

O ns getal is niet grooter omdat er menschen bestaan van slag en soorten op de wereld; zekeren zijn overal te vinden en steken altijd hun vinger op als er iets te likken is. Ge weet het wel: zij zijn met de Vlamingen niet; de schotel is al d’overkante.

Anderen om verstanding te schijnen, zien onze beweging van hooge aan en als die menschen in hun kapital veel domheid bezitten… en een klein gazetje; zij nemen de toelating van de beweging zottigheden te zeggen omdat zij in hun almanak niet en staat. Den 29 van Nieuwjaarmaand — uw ooren hebben misschien geruischt die dag — een klein dagbladje dat niemeer wist welke leugens uit zijn duime zuigen; vondt zeer gemakkelyk van te kappen op al de Vlamingen in ’t gemeen en bezonderlijk op ’t Vlaamsclh Verbond .

Het sprak van… maar waarom ons daarmee zoo lange bezighouden .. ’t gebuurd ons ook altemits van eentwat op papier te vagen doch ten minste, hebben wij d’ eerbare schaamte van het tot iedereen niet te toogen… en nog Mijnheer Bourgeois die ook een likje kreeg al passeeren zond het een muilestopper weer…. een redelijken … hoe het bladje zich niet verstokte weet ik niet? Dat al om wel te toogen dat zij aleen die geen strooi van ’t land zouden verroeren, altijd een heel voer kwaad op d’anderen weten te vertellen.

Daar zijn eindelijk Vlamingen die slachten op ’t eeuwig leven Amen. Zij komen maar stijf traag. Ben’k er van dage niet ‘k ben er morgen. Zij kijken altijd slinks en rechtsch en van waar de wind blaast. Als ’t weer op storm staat, zij trekken zich binnen lijk ’t vrouwtje van de weerewijzer en ’t mannetje, in d’omstandigheid de war. Vlamingen, krijgen de spuit. Dit slach van menschen staan dik lijk d’haren op den hond maar onder ons niet en waarlijk ware het hun plaatse?

Wij zijn hier al Vlamingen die Vlaanderen rechtzinnig liefhebben en zulken menschen, vermits zij willen, zijn bekwaam met vijftig van heel de wereld te verleggen ’t Is tot u dat ik zou willen spreken van eenige baatjes die tot den vooruitgang van onze beweging kunnen helpen.

Laten wij eerst kouten van het theater. Het tooneel, dat ons volk het vlaamseh spreken aantrekkelijker kan maken, de vlaamsche gevoelen versterken wat hebben wij tot nu toe getracht om het uit zijn vernedering te trekken? Zeg niet: we hooren u komen met uw houten kloefjes aan., maar ’t is onmogelijk! Men kan dat overal oprichten ten lande en in de steden en hoe kleiner de gehuchten zijn hoe gemakkelijker het gaat. Wij moeten voor een keer toogen dat de Vlamingen niet altijd ten achteren zijn om een schotel pap!

Sedert den oorlog heeft men in verscheide plaatsen getracht van vlaamsche avonds op te richten. Eenigen gelukten door hun eigen middens; velen gaven hun moed verloren omdat het niet op wieltjes liep. Maar welke middens bezatten zij? Geen! Buiten eenige kinderachtige liedjes en twee, drij dwaze stukken die u voor altijd zou den vernoegt hebben van mensch te zijn, bestoeg er niet.

Komt het, gelijk men zegt om den last t’ ontvluchten, dat de Vlamingen niet bekwaam zijn iets hooger te schatten en te smaken? Uw schattingen zelf bevestigen dat de waarheid zoo niet bestaat ; dat zij die deze gedachte overal verspreiden, leugenaars zijn. Gij hebt smaak en ‘k zou waarschijnlijk kwaalijk gekomen worden al het afliegen: Ge deelt die gave algelijk van geen hond af!

De geleerdheid zult gij zeggen? Neen, van een man zonder smaak, de geleerdheid maakt een gaai. Daar blijven maar onze ouders meer die ze ons kunnen geven en gelijk het onmogelijk is wijn te tappen uit een azijnvat, ik trek het bewijs uit dat de Vlamingen algelijk nog zoo dom niet zijn als de menschen die ze dom gelooven!

Wat hebben wij van noodig om te gelukken? Eerst eenige kleine stukjes. Men windt geen op iederen ook van straat maar tog al d’oude kassen uitsnuisteren, er zouden wel nog, onder het stof, te vinden zijn. Wij mogen ook heel d’hofstêe van Mijnheer Ryckelynck niet vergeten: de geijtebok; het zwijntje, het kalf, de beerhond. Zij werden bijna al gespeelt en met eenige veranderingen zouden het overal kunnen zijn. Met een kluchtspel of tien heeft men al een redelijken appel tegen de dorst en men kan de tijden afwachten. Nietemin ik verzoek hen die er nog eenige zouden bezitten van het ons te laten weten en van onzentwege zullen wij al trachten dat mogelijk is, om er te beschekken tot hen die ze begeeren.

Om een vlaamseh avond opt te richten, moogt men ook geen liedjes te kort hebben want zonder gezang is er geen leven In t’ heel begin van de wereld zong Adam lijk een liester van s’nuchtens tot s’avond: wat kon hij anders doen, alleen? Maar ‘k geloof niet dat het lied ergens beter kon bloeien dan in Vlaanderen. Bestaat er een land waar men zoo vele verdriet tegenkomt en meer leute: Verdriet en leute drukken zich door het zingen uit! Zoo ’t moeten toen nog liedjes zijn van « lek-me-lippe » die de menschen doen lacchen lijk de beulten of een heel neusdoek doen vol krijschen. Als gij niet en hebt in dit slach, het is verloren moeite van eraan te beginnen.

Waar die liedjes vinden? ’t is gemakkelijk om die van overtyd. Een van myn oomen zaliger zong my een keer 133 deeltjes van t’ zelve liedje en ik geloof dat hy wel nog een jaar en een dag ging kunnen voortzingen. Nieuwe liedjes en liedjes van de streek dat hebben wy te kort. Zou er nauwers geen liedjemaker meer zijn. Waarom niet? Voor den oorlog maakte men een op al de gebeurtenissen, by voorbeeld op een krop salaad gestolen «Al over d’hagen zonder vragen» en de Ghyveldenaars waren fijn preus dat het door een man van de parochie geschreven werd.

Eindelyk heeft men spelers noodig. Dat is ’t gemakkelykst vooral ten lande maar zelf in de steden ook waar er Vlamingen uit Belgie zijn want wij moeten hen niet uitsluiten en laten varen met hun haar van buiten. Het eerst middel om ons vlaamseh te bevrijden is van de Vlamingen uit Belgie die in Frankryk leven te beletten van hun taal te verliezen ; ’t verstaat zich van zyn eigen!

Men moogt geen wegwysers kiezen om te spelen en nog min om te zingen. Ik heb nog omthoud van het liedje van den smid dat ik voor den oorlog hoorde; ‘k was tien jaar oud: en het zal nooit uit myn memorie verdwynen. De zanger was leekende, zuypende, druipende nat van zweten maar ten minst iedereen zong mee en eindelyk:

Het ging zoo vrij van tokke tokke tok
Het ging zoo blij van kloppe kloppe klop
Het sloeg zoo teeder dan
Het liedje van den zwarten man.

Wil men van het liedje een soort van apostelschap maken ’t is alzoo dat men aanboord moet leggen!

Nu spring ik van d’osse op den ezel! Is-t-dat gij my het toelaat, zal ik nog een kort woordje over de boeken spreken. Ik bid u niet te vergeten dat ’t vlaamsch Verbond een bibliotheek bezit en dat zy ten dienste is van iedereen dank aan de mildheid van sommige vrienden die wij daarvan nooit genoeg zullen bedanken, bezit zy nu een groot getal boeken en geen oude vogeljes nog… Wy zouden geern geen stof moeten vagen en ’t best midden daarom ware dat de boeken altyd in handen zouden zyn. Help ons daarin; ’t is ook uw voordeel!

Wilt gy op uw eigen een vlaamsche bliblioteek bezitten: onzen boekendienst kan u de boeken gemakkelyk beschikken. Met den afslag die hij bij de boekwinkels krijgt en den wissel die nog al goed staat ; het is nu, geloof ik, den oogenblyk om boeken te kopen. Nog een middel van heel goedkoope boeken te krygen en dat zyn geen blauwe bloemtjes die ik u wil wijs maken; ware onder ons een afdeeling van het Davidsfonds te stichten.

Gy hebt waarschijnelijk al van het Davidsfonds horen klappen. Die maatschappij geeft vier boeken per jaar uit en zou ze ons kunnen bezorgen, de verzendkosten en alles betaalt, tegen tien fransche frank ‘k Moest u van dage een beetje langer spreken over d’ oprechting van onze afdeeling maar ik heb al de renseignementen niet kunnen krygen die ik noodig had: ’t is jammer maar een beengebroken ware algelyk nog erger. Ik hoop welhaast de laaste nieuws te vernemen en ‘k zal ze toen laten kennen tot hen die ze begeeren!

En nu moet ik vergiffenis vragen voor myn onderhoud dat ik zoo krom en slom uitbrabbelde. Ik koop wel dat Mijnheer Gantois, ’t naarste jaar, beter zal kiezen, ’t spreekwoord zegt de laatste koe doet de balie toe; maar ’t ware algelyk te wenschen dat die last niet altyd op de zelve beest zou vallen!

M. Janssen

Uit ‘Le Beffroi de Flandre’ – Revue Régionaliste de la Flandre Française van 1927 (tijdens het congres van de Cercle Flamand de France in Hazebrouck)

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>