Terminus Mesen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     338 Views     Leave your thoughts  

Mesen voor de oprichting van de abdij.

Daagt in de geschiedenis op als een grafelijke villa, de ‘villa Mecinensis’. Er was een grote foor, te danken aan de uitzonderlijke ligging. De foren van Vlaanderen gingen door te Sint-Omaars, Dowaai, Gent (de oudste), te Rijsel, Mesen, Ieper en Torhout. Deze vier laatste dagen op tegen het einde van de 11de eeuw. Ze zijn van meet af aan een bloeiende foor. Ze liggen alle vier ten westen van de grote verkeersader van Vlaanderen, de Schelde en vormen een westelijke economische as, parallel lopende met de Schelde en ze hangen eerder af van Brugge dan van Gent.

Verkeersas Rijsel-Mesen-Ieper-Torhout-Brugge
‘Tussen Rijsel en Mesen kon men hetzij over het land, hetzij per schip reizen. Verkoos men de landweg, dan volstond het de (Romeinse?) heerweg Rijsel, Kortrijk, Deinze, Gent te volgen tot aan haar kruispunt in de buurt van Toerkonje dat deze heerweg verbond met de heerweg Bavai-Doornik-Wervik en Mesen. Deze weg liep immers naar Mesen nadat ze van Wijtschate scheidde.

Dat de steenweg Wervik-Cassel via Wijtschate of Mesen liep, iets wat algemeen gezegd wordt maar dat eigenlijk niet afdoende bewezen wordt. De bewering berust op twee gronden. Wijtschate ligt op de rechte lijn tussen Wervik en Cassel en de weg die Mesen van Wijtschate scheidt, werd ‘steenstraat’ genoemd. Geen van beide gronden zou op zichzelf volstaan, maar hun combinatie geeft vrijwel zekerheid: de Steenstraat is werkelijk de oude steenweg, en de oude steenweg liep daar, vermits men een ‘Steenstraat’, dit is een weg die geplaveid was, toen dit nog iets uitzonderlijks was, ter plaatse aantreft.

‘Wenste men per schip te reizen, wat gemakkelijker, veiliger en voordeliger was, vooral wanneer met grote hoeveelheden koopwaren meevoerde, dan volstond het de Deule – die minstens vanaf Rijsel bevaarbaar was – af te varen. Daarna de Leie stroomafwaarts en de Douve stroomopwaarts tot aan Mesen, want daar was de rivier nog toegankelijk voor schepen. De tol werd trouwens aan de Douve geheven. Tussen Mesen en Ieper lag een weg, waarvan het bestaan in 1127 wordt bevestigd.

Walter van Terwaan bevestigde dat toen als volgt: ‘Passio comitis Caroli, in M.G.H. SS, XII. blz 558 – ‘Bruggas …per Insulam et Betuniam usque …ad Tervannam …postea castrum Sancti Audomari …iterum Tervannam transiens, Insulam resirtitur…’ Hier wordt dus, naar verluidt heel het wegenstelsel Brugge-Rijsel-Terwaan-Sint-Omaars vermeld.

Ziehier nu een tekst die bijzonder op de weg Ieper-Mesen doelt (ibid blz 559); “)de koning trekt met zijn leger) Ipra ….Messinas monesterium …xrj Ariam.” Het ligt voor de hand dat, wanneer zulks voor strategische redenen niet dringend vereist is, een leger langs de grote weg zal reizen! We besluiten dus uit deze tekst tot het bestaan van een grote weg Ieper-Mesen-Ariën.

Vanuit Ieper liep er ook een weg over Staden en Torhout naar Brugge. Vermits het leger op één dag tijd van Brugge naar Ieper komt, vertrekt van Brugge op 25 april 1127 een leger dat aankomt te Ieper de 26ste april. Het bestaan van en rechtstreekse verbindingsweg kan niet worden betwijfeld. Omdat deze weg over Staden liep (halverwege tussen Torhout en Ieper), is deze verbindingsweg tussen deze steden nu ons altijd de weg die toen over Torhout ging.

Vanuit Ieper was Brugge ook te bereiken via de Ieperleet en de Ijzer. Dat er vanuit Brugge een weg liep naar Gent, spreekt vanzelf en ook per schip kon men gemakkelijk van het ene naar het andere varen. Over het Zwin, de Zee en de Schelde. Van Gent anderzijds kon men peer per land en per boot – langs de Leie namelijk – naar Rijsel terugkeren. Het economisch leven, nauw verbonden met de verkeerswegen, vormde dus een gesloten kring waarvan het noordelijke punt Brugge was. Slechts in de sector Mesen-Ieper was het verkeer te water uitgesloten.

Mesen lag dus aan een terminuspunt. Aan de plek waar de waren die vanuit het zuiden kwamen en voor Ieper en Torhout bestemd waren. Deze goederen werden hier gelost uit de schepen om verder over het land vervoerd te worden. Het is immers niet denkbaar dat ze de reusachtige omweg over Gent, zee, Ijzer en Ieperleet zouden doen om Ieper te bereiken.

Ieper was een stad met een grote lakenproductie. Ontelbare hoeveelheden, vruchten van de plaatselijke nijverheid, moesten dus naar het noorden en het zuiden, bijvoorbeeld naar de foren van de Champagne gebracht worden. Dit vervoer geschiedde natuurlijk voor een deel langs de Schelde, maar hoe kon deze vanuit Ieper bereikt worden? Over de Ieperleet en de zee? Dat was wel een erg grote omweg, daarom was het zo gemakkelijk om de 10 km die Ieper van Mesen scheidden over het land af te leggen, daar de waren op de schepen te laden en ze verder over het water te vervoeren. Dat was ook de eenvoudigste en minst vermoeiende wijze om vanuit Ieper al de economische centra; Dowaai, Kamerijk, Valencijn, Doornik, Gent en Antwerpen te bereiken.

Mesen was dus het aangewezen knooppunt tussen de economie van de Scheldevallei en deze van zuidelijk West-Vlaanderen. Tenslotte was deze stad ook nog rechtstreeks verbonden met Terwaan door de grote heerweg Bavai-Doornik-Cassel-Boulogne(Bonen).

De toenmalige verkeerswegen zijn een voldoende verklaring voor het bestaan van een foor te Mesen. Door de foor is er de abdij gekomen. In een tijdspanne van 30 jaar in de 11de eeuw wordt een stichting geplaatst in drie foorsteden; Rijsel (Sint-Pieterskapittel), Torhout (Sint-Pieterskapittel) en Mesen.

De oorkonde van Robrecht de Fries, schenkt goederen aan de gemeenschap waarvan een gedeelte belast was en bestemd voor de 14 broeders en zusters die daarmee het gasthuis of gasthof konden onderhouden. De kanunniken zijn derhalve aangewezen gastheren geworden van de handelslieden en pelgrims en ze brengen ze onder in het ‘domus canonicorum’.

Overal waar de foren bloeien treft men in de nabijheid een versterkt slot. Er is daarvan een traditie te Mesen en in de 13de eeuw is er een ‘castellania Mecinensis, door de burggraaf van Ieper in leen gehouden van de abdij. Het terrier situeert dit grafelijk centrum ten oosten van de huidige grote markt.

De foor, eerst vermeld onder Robrecht de Fries, bestond al voor de abdij, vermits de graaf de ‘annalum forum’ aan de abdij schonk. Onder Robrecht de Fries en voor de stichting van de abdij bestaat er al een ‘vicus’, t.t.z. een niet-landelijke agglomeratie.

‘In één woord, indien we ons niet vergissen, was Mesen reeds voor het stichten van de abdij aldaar, al een kleine niet-landelijke agglomeratie rondom een grafelijke burcht, waar om het jaar de kooplieden van Vlaanderen hun waren aan de man kwamen brengen. Dankzij de wegen die Mesen met Ieper, Torhout, Brugge enerzijds met Rijsel anderzijds, met Cassel en Bonen langs de Westkant, met Doornik en de Scheldevallei naar het oosten toe verbonden, moest de handelsbedrijvigheid daardoor spoedig ontluiken en gaan bloeien.

Jan Dhondt in zijn ‘Bijdrage tot het Cartularium van Mesen’ uit 1941

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>