Terreur van simpele geesten

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       3 months ago     121 Views     Leave your thoughts  

6 januari 1521. Nieuwbakken keizer Karel belegt zijn eerste rijksvergadering. Zes weken eerder, om precies te zijn op 23 oktober 1520, werd hij te Aken tot keizer gekroond. Jullie konden de jeugdjaren van deze Karel aan den lijve ondervinden in mijn kroniek genaamd ‘De jeugd van Keizer Karel.’ Na zijn kindertijd in Vlaanderen en zijn geanimeerde jaren in Spanje is mijn hoofdfiguur nu aanbeland in Duitsland. In die tijd nog het Heilig Roomse rijk genoemd waarbij de term ‘Rooms’ nog altijd verwijst naar ‘Romeins’. Keizer Karel is dus een late opvolger van keizer Octavianus en al die Romeinse pipo’s die dachten de wereld in eigendom te hebben. En waarom is dat rijk dan ‘Heilig’, vraag ik me af? En dan nog met een hoofdletter geschreven? Dat zijn zo van die niet voor de hand liggende vragen die me intrigeren. Ik neem nu eenmaal niet graag de dingen ‘for granted’. In het Duitsland van de middeleeuwen is het al eeuwen de gewoonte dat de koning er verkozen wordt door de keurvorsten. Dat is ook zo geweest voor Karel. Omgekocht zou eigenlijk een betere naamkeuze zijn als ik zie welk fortuin Karel veil had om zich tot staatshoofd te laten kronen. Het is echter de paus die de koning van Duitsland de eretitel van ‘keizer’ schenkt en daarmee impliciet aangeeft dat de keizerlijke waardigheid eigenlijk een cadeautje is van God in eigen persoon.

Als ik dat allemaal mag geloven, bemoeit heer God zich dus persoonlijk met dat keizergeval en geeft hij de autoriteit volledig in handen van zijn rechterhand op aarde; in casu de paus. Ik geef geen kik en probeer deze baarlijke nonsens op mijn eigen manier te negeren. Vermoedelijk stoot ik nu al regelmatig een of andere gelovige tegen de borst met mijn cynische opmerkingen over dit al dan niet bestaand opperwezen. Maar goed, ik wil even niet verder uitweiden en houdt me bewust afzijdig van verdere sluikse commentaren. God en de paus hebben er toch maar netjes voor gezorgd dat Duitsland weer een nieuwe keizer heeft.

‘Wie denkt de paus van zichzelf dan wel te zijn?’ Het lijkt een atheïstische opmerking van ondergetekende, maar verrassend genoeg zijn een aantal mensen in Duitsland zich in het begin van de jaren 1500 diezelfde vraag gaan stellen. Karel is eenentwintig als hij plots te maken krijgt met iets wat de westerse wereld nog nooit eerder heeft meegemaakt. Dissidentie tegen het ware katholieke geloof is een volstrekt onbekend fenomeen waar mijn kersverse keizer plots mee te maken krijgt.

Ik keer terug naar het oude Hollandse boek uit 1772, een vertaling van de studie die de Schotse historicus William Robertson enkele decennia eerder heeft neergepend over het leven van Karel van Oostenrijk. In de brieven die uitgestuurd werden naar de verschillende vorsten die deel uitmaken van deze vergadering heeft hij het over één belangrijk agendapunt: de aanpak van een nieuwe godsdienst die blijkbaar geweldig de kop aan het opsteken is in Duitsland. Karel heeft het over ‘de voortgang van nieuwe en gevaarlijke gevoelens die de vrede van het land dreigen te verstoren en de godsdienst van de voorvaderen omver willen werpen.’

Hij heeft het over Luther en zijn leerlingen. De beeldenstorm die in de Westhoek pas 45 jaar later zal losbarsten, vindt hier al enkele jaren eerder zijn oorsprong. In 1517. Toen begon die Luther met het verspreiden van zijn mening dat de bestaande godsdienst absoluut dient te worden hervormd. Het christendom is voor Luther veel te streng, de paus te hardvochtig. Het geloof moet milder omgaan met mensen en met hun gevoelens. Daar kwamen die eerste basisgedachten van Luther wel op neer.

Het geloof is al eeuwen een samenraapsel van oude en diepgewortelde vooroordelen. In stand gehouden door macht en geweld. In de begindagen van het christendom stond de hemel nog open voor iedereen van goede wil. Gaandeweg is het katholiek geloof een aanhangsel geworden van de staatskunde. De koningen en de potentaten bepalen nu zelf wel wie er geschikt is om na de dood binnengelaten te worden door Sint-Pieter. De tijd dat Jezus de kant koos van de zwakkeren in de samenleving is iets van een ver verleden, godsdienst is verworden tot een kwestie van machtswellust. De wetenschap dat alles zuiverder en puurder moet terugkeren zoals het was in het begin, dat is precies het stokpaardje van die Luther.

Mijn schrijvers schenken gelukkig de nodige aandacht aan het ontstaan van Luthers afvallige gedachten en zijn dissidente geloofsdaden. Paus Leo X trof bij zijn aantreden als paus een lege kassa aan. Zijn voorgangers Alexander VI en Julius II moeten het geld blijkbaar door de deuren en de vensters van het Vaticaan gekeild hebben. En dat terwijl de nieuwe paus grote en ambitieuze plannen koestert. Ik citeer even: ‘zijn ontwerpen om het huis der Medici groot te maken, zijn praalzucht, zijn smaak voor ’t vermaak en de prachtige wijze waar op hij lieden van vernuft beloonde, wikkelden hem dagelijks in nieuwe kosten.’

‘Om dezelve goed te maken, nam hij toevlucht tot al de hulpmiddelen, welke de vruchtbare verbeelding van de priesters wisten uit te denken en door welke de lichtgelovige menigte uitgeput werd.’ Terwijl ik wat heimelijk moet gniffelen om de term lichtgelovig, vervolgt het oude boek zijn weg en moet ik me haasten om de schrijvers ervan bij te benen. ‘Onder andere bediende hij zich van de verkoop van aflaatbrieven. Volgens de leer van de Roomse kerk worden al de goede werken van de heiligen samen met de oneindige verdiensten van Jezus Christus in één en dezelfde schatkist bewaard, waarvan de sleutels eerst aan de heilige Petrus en dan later aan zijn opvolgers de pausen toevertrouwd.’

De oude verbazingwekkende volzin is nog niet ten einde: ‘de pausen kunnen deze schatkist naar welbehagen ontsluiten en die met een deel van de overtollige verdiensten en tegen bepaalde sommen geld aan een bijzondere persoon overdragen om hem vergiffenis van zijn eigen zonden te kunnen schenken en zijn ziel alsnog te verlossen uit het vagevuur.’

Het systeem van de aflaten werd voor de eerste keer ingevoerd in de 11de eeuw. Paus Urbanus II beloonde er zijn wapenmannen mee, zij die bereid waren om het heilig land te gaan heroveren tijdens de eerste kruistochten. Later zouden deze aflaten uitgedeeld worden aan iedereen die bereid was om geld in het pauselijk laatje te brengen. ‘Julius II had dezelve uitgedeeld aan de zulken die iets toebrachten tot het bouwen van de Sint Peterskerk te Rome. En terwijl Leo X dat prachtig en trots gebouw bleef voortzetten, bediende hij zich in het schenken van aflaten van het zelfde voorwendsel.’

In Duitsland wordt een zekere Albertus door Leo aangesteld om het aflatensysteem op punt te stellen en te reactiveren. Albert, keurvorst van Mainz en aartsbisschop van Maagdenburg in de rol van de nieuwe ‘minister van uitlaten’ als het ware. Uiteraard met de belofte van een percentje voor zijn inspanningen. Het komt tot een eerste proefproject in Saksen waarbij een monnik met de naam van Tetzel ingezet wordt om fondsen te werven. De man beschikt naar verluidt over een ‘vaardige geest en munt uit door een ruchtige en volksbehagende welsprekendheid’. Een type marktkramer denk ik bij mezelf. Twee kopen en drie betalen. Tetzel en zijn collega-monniken voeren de opdracht uit met de grootste ijver en vooral op een manier die allesbehalve netjes is.

Ik probeer een bijlage van twee bladzijden kleine lettertjes terug te brengen tot de kern. Tetzel pretendeert dat hij de absolutie kan verlenen, de kwijtschelding van de zonden, hoe zwaar en verschrikkelijk ze ook mogen zijn. Ik zie mezelf nota bene nog bangetjes zitten in dat biechtgeval van mijn kinderjaren, die houten kooi, waar een of andere paljas van een pastoor net hetzelfde claimde. ‘De poorten van de hel zullen gesloten blijven en de poorten van het paradijs der vreugde zullen geopend worden. Ofschoon gij niet terstond moogt sterven, zal deze genade echter in volle kracht op u blijven tot op uw sterfuur. In de naam des vaders, des zoons en des heiligen geestes en mits een zo groot mogelijk voorschot.’ Tetzel brainwasht zijn publiek, hypnotiseert de mensen, maakt ze zo zot als een achterdeur en laat ze aflaatbrieven kopen zoveel hij wenst.

Psychologische bedreiging, terreur van de simpele geesten. Hoe kan ik anders Tetzels woorden bestempelen? ‘Wie aflaten koopt, kan zijn ziel wegens haar zaligheid gerust stellen. De kracht van de aflaten is zo groot dat zelfs de gruwelijkste zonden daar door kwijtgescholden en vergeven en de persoon bevrijd zal worden van straf en schuld. Ziet, riepen zij: de hemel wordt geopend; indien gij nu niet op ons aanbod ingaat, wanneer zult gij het dan wel doen? Voor twaalf stuivers kunt gij uw ziel uit het vagevuur verlossen.’

Dergelijke praktijken stuiten tegen de borst van de andere keurvorsten. Hun bevolking wordt op droog zaad gezet om de schatkist van de kwistige opperpriester te vullen. En wat dan nog het meest stoort, is de wetenschap dat Tetzel en zijn kompanen al deze giften op hun beurt weer verbrassen; ‘zuipen, dobbelen en in ongebondenheden verspillen’. Er moest dringend paal en perk gesteld worden aan deze schadelijke praktijken die nadelig waren voor godsdienst en maatschappij.

Zo arriveer ik bij Maarten (Martinus) Luther. Hij kon geen betere tijdsomstandigheden aantreffen om zijn redevoeringen kracht bij te zetten. Hij trekt de kracht van de aflaten in twijfel en begint uit te varen tegen het ongeregeld gedrag en de valse leer van Tetzel en de zijnen. Luther werd geboren in Eisleben, in Saksen. Hij komt uit een familie van boeren. Zijn vader heeft echter zijn soelaas gezocht in de kopermijnbouw en heeft het in Mansfeld geschopt tot rijkste man van de stad. Maarten heeft dus zeker een degelijke opvoeding gekregen. ‘Hij liet zich al vroeg opmerken door de sterkte van de doordringendheid van zijn geest. Maarten vond plezier in de afzondering en besloot om kloosterling te worden en nam het kleed van de Augustijner monniken aan’.

Hij is de traditionele revue van schoolse wijsbegeerte en godgeleerdheid gepasseerd. Als pientere gast moet hij ongetwijfeld grote ogen trekken over al hetgeen zijn leraars hem op de mouw willen spelden. Hij beschikt over een karakter dat niet rond de pot draait en wil meestal direct ‘to the point’ gaan. In de jaren 1700 illustreren ze dat eigenlijk wel perfect: ‘er ontbrak hem geen schranderheid van geest en de natuurlijke bondigheid van zijn oordeel, ver boven al het beuzelachtige verheven, kreeg ras een afkeer van deze nutteloze en ijdele wetenschappen.’

Ik kan Maarten Luther niet meteen van ongeloof verdenken. Hij wantrouwt enkel de interpretatie die de kerk gegeven heeft aan het oorspronkelijk verhaal van Jezus en gaat op zoek naar de bron van de waarheid. Hij laat al zijn studies varen en gaat zich voortaan concentreren op de bijbel. Hij ontpopt zich tot een heuse godgeleerde en schopt het tot hoogleraar in de hogeschool van Wittemberg aan de Elbe. De Rik Torfs van zijn tijd.

Terwijl Luther op het hoogtepunt van zijn carrière is, begint deze Tetzel al die nonsens over zijn aflaten te prediken. Aanvankelijk met het nodige succes. Het geld stroomt binnen. Kassa kassa. In Saksen zijn ze niet verlichter dan in de rest van Duitsland. Luther stoort zich aan de lichtgelovigheid van de massa en ziet ‘met de uiterste smart wat voor een loosheid de aflaatveilders in het werk stelden en hoe eenvoudig diegenen waren die de aflaten van hen kochten.’ Tetzel baseert zijn autoriteit op de bijbelkenner Thomas Aquinas die ooit het systeem van de aflaten uitgevonden heeft. Maar in de heilige schrift, Luthers enige bron van waarheid, worden dergelijke praktijken als verderfelijk beschouwd.

‘De driftigheid en oplopendheid van zijn karakter lieten hem niet toe deze gewichtige ontdekking lange tijd verborgen te houden. Van op de kansel van de grote kerk van Wittemberg voer hij uit tegen de ongeregeldheden en ondeugden van hen die de aflaten predikten. Hij durfde de leer onderzoeken welke zij leraarden en deed het volk duidelijk zien hoe gevaarlijk het was zijn zaligheid te bouwen op andere middelen dan die, welke God in de heilige schrift had aangewezen.’

Zijn woorden maken diepe indruk op de toehoorders. Maarten Luther ziet zich hierdoor in zijn overtuiging gesterkt. Ietwat overmoedig en vooral naïef meent hij dat de kerkelijke autoriteiten het wel met zijn stelling eens zullen zijn. Hij schrijft een brief naar Albertus, de aartsbisschop van Maagdenburg, waarbij hij op ‘een levendige wijze de valse gevoelens en het goddeloos gedrag van de aflaatpredikers afschildert.’ De prelaat is niet geneigd om er een stokje voor te steken. Uiteraard niet natuurlijk want hij is waarachtig de opdrachtgever van de aflatenveiling in Saksen. Mijn godgeleerde is bij de duivel te biecht gegaan en heeft daarbij een kettingreactie op gang gebracht die tot diep in de 17de eeuw zijn verwoestende invloed zal hebben op het leven in West-Europa.

Luther besluit dan maar om op zoek te gaan naar de goedkeuring van de intelligentsia. De geleerde lieden. Hij publiceert op 31 oktober van het jaar 1517 een proefwerk waarbij hij vijfennegentig stellingen tegen het licht houdt in zijn aversie tegen dat aflatensysteem. Hij organiseert een symposium waarbij hij belooft om mondeling toelichting te geven. Daarbij bevestigt hij zijn totale eerbied en onderdanigheid aan de paus. Hij ziet echter geen kat op zijn vergadering. De academische wereld weigert zijn hersenen te gebruiken. Is het uit schrik of is het uit vooringenomenheid? Ik vraag het me af. Ondertussen vindt Luthers lijst van stellingen vlotjes zijn weg in heel Duitsland. ‘Men las dezelve met eene ongemene gretigheid en men bewonderde de onversaagdheid van een man, die de volheid van de pauselijke macht in twijfel durfde te trekken en de Dominicanen aantaste, zij die gewapend waren met al de verschrikkelijkheden van de inquisitie.’

De Augustijner monniken steunen hun collega Luther. Waarom zouden ze dat niet doen? Ze respecteren hun paus. Blijkbaar beseffen ze niet dat hij de opdrachtgever is van de katholieke aftroggelpraktijken. Dat hij uitvaart tegen de orde van de Dominicanen vinden ze hier excellent, want tussen beide kloosterorden blijkt er een oude vete te bestaan waar ik niet dieper wil op ingaan. Het belangrijkste voor de Augustijnen is de wetenschap dat ze plots wel een heel goede stok hebben gevonden om mee te slaan naar hun collega’s. Het klinkt als muziek in de oren van de Luthers opperheer, de keurvorst van Saksen, die hem heimelijk aanmoedigt om verder te gaan in zijn verzet.

Zijn tegenstanders rijzen als paddenstoelen uit de grond. De tentakels van de macht schieten vuur om de bacteriën die de rijkdom van het kerkelijk imperium willen aantasten te gaan bestrijden. Christelijk antibioticum denken ze. Tetzel zelf die reageert met enkele tegengeschriften. Godgeleerden zoals Eccius en Prierias verwijten Luther ervan dat hij een ordinaire onrustzaaier is. Hoe meer Luther afkomt met bewijsstukken, hoe meer de wijsgeren zwaaien met besluiten van canoniek recht, gevoelens van schoolgeleerden en met pauselijke vonnissen. Prietpraat. De man in de straat begint dat ook te beseffen: ‘de uitspraken van zulke partijdige rechters voldeed het volk niet. De mensen begonnen het gezag van deze eerbiedwaardige leidsmannen in twijfel te trekken, toen zij het zelf strijdig vonden met de redenen en de beslissingen van de Goddelijke wetten.’

Paus Leo laat de onrust in Duitsland niet aan zijn hart komen en slaat er nauwelijks acht op. De pogingen van die verachtelijke Duitse monnik laten hem onverschillig. De hele zaak is niet meer dan een storm in een glas water, een geschil tussen monniken van verschillende strekking. Later zal blijken hoe verkeerd zijn inschatting wel is. Pas wanneer de etterbuil echt uitgebarsten is in Duitsland, wordt Leo wel verplicht om in te grijpen. Hij dagvaardt Luther op 23 augustus 1518 om binnen de zestig dagen in Rome te verschijnen voor de rekenkamer die onder de leiding staat van Prierias.

‘Een stoute monnik die de gans orde van de Augustijnen onteert en de gehele kerk verontrust en beledigt’, de dreigementen verdwijnen niet meer uit de lucht. De toon ervan laat niets aan onduidelijkheid over. Rechter Prierias is zo bevooroordeeld als de pest, Luther weet wat hem te wachten staat in Rome. Waarom kan hij niet berecht worden in neutraal gerechtshof in Duitsland? Luther bevestigt nog maar een keer dat hij de autoriteit van de paus zelf nog nooit in twijfel heeft getrokken. Enfin, na veel vijven en zessen stemt Leo toe dat kardinaal Cajetanus zelf naar Duitsland zal afreizen om te oordelen over deze zaak. Ter titel van inlichting: deze Thomas Cajetanus is eveneens een Dominicaan. Ook keizer Maximiliaan is er ondertussen als betrokken partij bijgesleurd.

Luther heeft eigenlijk opnieuw alle redenen om zich niet te onderwerpen aan Cajetanus, maar accepteert niettemin om zich in Augsburg te gaan aanbieden. De kardinaal ontvangt zijn gast met eerbied en met de afstandelijkheid van iemand die duidelijk wil aangeven dat hijzelf de meerdere is. Maarten Luther mag eerst zelf wat praten en dan zal Cajetanus het zelf wel even expliceren. ‘Stop met die dwalingen en die zever. Bemoei u niet langer met het verspreiden van uw gevaarlijke nonsens.’ Daar komt het allemaal op neer.

Luther staat er bij en kijkt er naar. Hij weet dat hij de waarheid in pacht heeft. Zijn tegenstrever doet zelfs niet eens de moeite om te luisteren naar wat hij te vertellen heeft. Hij heeft geprobeerd om zich zo goed als mogelijk voor te bereiden. Hij voelt zich bekakt door de onkunde en de kwaadaardigheid van de tegenpartij. ‘Vergeet het maar dat ik mijn woorden inslik’, de hautaine kardinaal krijgt het dan toch op zijn boterham. ‘Mijn overtuiging verraden betekent voor mij hetzelfde als het beledigen van God, en dat kan u niet van mij verlangen. Mijn grootste respect voor paus Leo en zijn apostolische stoel kan u wel krijgen.’

Terwijl ik hier anno 2016 het idiote van die term ‘apostolische stoel’ aan het uitbenen ben, loopt de ontmoeting van half oktober 1518 tussen de kardinaal en de dissidente monnik verder. Luther stelt voor om een periode van radiostilte in te lassen in afwachting van een grondige inhoudelijke discussie voor enkele hogescholen. Op voorwaarde dat ook de tegenpartij zich even gedeisd houdt. Voorstel geweigerd natuurlijk, de ban van de kerk, het verbod om ooit nog erediensten te leiden, laat staan om nog verder priester en monnik te blijven. Veel goeds belooft het hier allemaal niet voor mijn monnik waarvoor ik warempel wat sympathie aan het koesteren ben.

Ondanks de vrijgeleide die hij ontvangen heeft van Maximiliaan, vinden Luthers vrienden het aangewezen om het onderhoud onaangekondigd te verlaten. De vergadering sleept nu al drie dagen aan, het zou nu beter zijn om niet meer terug te keren en heimelijk te vertrekken van het land. ‘Cajetanus, vergramd over Luthers schielijk vertrek, klaagde daarom in geschrifte aan de keurvorst van Saksen en verzocht van hem, uit hoofde van ’t belang van deze vorst, in de rust der kerke en in het gezag van haar opperhoofd die oproerige monnik gevangen naar Rome te zenden of hem uit zijn staten te verbannen.’

Wie is eigenlijk deze keurvorst aan wie Rome dit verzoek toestuurt? Frederik. De weggeglipte monnik heeft aan deze Frederik een belangrijke vriend. Het bijzonder religieus staatshoofd van Saksen is één van de zeven keurvorsten van het land, en dus mee bevoegd voor de latere aanstelling van keizer Karel. Keurvorst Frederik de Wijze is helemaal niet geïnteresseerd in het welles-nietesspelletje rond de aflaten. Als staatsman houdt hij zich ver van dit rumoer vandaan. De geschiedenis schetst hem als een integer man die zich bijvoorbeeld niet heeft laten omkopen om te kiezen voor Karel als keizer. Frederik heeft Luther nog nooit persoonlijk ontmoet en toch steunt hij deze man heimelijk en met de grootste omzichtigheid. Luthers naam en faam weergalmt door heel Duitsland en dat is Frederik niet ontgaan.

…..

Dit is een fragment uit deel 6 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>